Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:4411

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
05/720403-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot een maximale werkstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf en voorwaardelijke rijontzegging wegens het veroorzaken van een aan hem te wijten ongeluk met een groep fietsers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/720403-13

Datum uitspraak : 7 juli 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [1985] te [geboorteplaats], wonende te [adres], [woonplaats].

raadsman: mr. A.H.T. de Haas, advocaat te Harderwijk.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 juni 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 20 oktober 2013 te Ermelo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] van het leven te beroven, met dat opzet als bestuurder van een personenauto (Volvo, kenteken [kenteken]) daarmee rijdende op de Dominee Medenbachweg (onder invloed van alcohol en/of drugs) met hoge en/of verhoogde snelheid, althans met een hogere dan de aldaar toegestane snelheid (op) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] is ingereden en/of heeft aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art. 287 Wetboek van Strafrecht

art. 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 20 oktober 2013 te Ermelo, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Volvo, kenteken [kenteken]), daarmede rijdende over de weg, de Pastorieweg, ter hoogte van de plaats waar deze weg (middels een ondoorzichtige bocht naar rechts) overgaat in de Dominee Medenbachweg, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol, althans na het gebruik van

een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid alcoholhoudende drank, en/of terwijl het zicht ter plaatse (enigszins) werd beperkt, belemmerd en/of werd gehinderd door een in de binnenbocht staande haag, en/of aldaar heeft gereden met een snelheid van ongeveer 70 km/h, althans met een

hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 30 km/h, en/of (vervolgens) voormelde bocht naar rechts is ingereden en/of doorgereden en daarbij zijn snelheid niet, althans in onvoldoende mate heeft verminderd en/of aangepast (aan de situatie en/of plaatselijke omstandigheden), en/of (daarbij) in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of (vervolgens) op de Dominee Medenbachweg is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een aantal (5) hem tegemoet rijdende fietsers, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander ([slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5]) zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte, een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige

mate heeft overschreden;

artikel 175 lid 3 Wegenverkeerswet 1994

artikel 6 Wegenverkeerswet 1994

Meer Subsidiair

hij op of omstreeks 20 oktober 2013 te Ermelo als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Pastorieweg, ter hoogte van de plaats waar deze weg (middels een ondoorzichtige bocht naar rechts) overgaat in de Dominee Medenbachweg, terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol, althans na het gebruik van een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid alcoholhoudende drank, en/of terwijl het zicht ter plaatse (enigszins) werd beperkt, belemmerd en/of werd gehinderd door een in de binnenbocht staande haag, en/of aldaar heeft gereden met een snelheid van ongeveer 70 km/h, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 30 km/h, en/of (vervolgens) voormelde bocht naar rechts is ingereden en/of doorgereden en daarbij zijn snelheid niet, althans in onvoldoende mate heeft verminderd en/of aangepast (aan de situatie en/of plaatselijke omstandigheden), en/of (daarbij) in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of (vervolgens) op de Dominee Medenbachweg is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een aantal (5) hem tegemoet rijdende fietsers, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

art. 5 Wegenverkeerswet 1994

2.

hij op of omstreeks 20 oktober 2013 te Ermelo als bestuurder van een voertuig,

(personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 2,12 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Art. 8 lid 2 onder b Wegenverkeerswet 1994

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

De feiten

Aanleiding onderzoek

Op 20 oktober 2013 is verdachte met zijn donkerblauwe Volvo (kenteken [kenteken]) in de bocht van de Pastorieweg en de Dominee Medenbachweg in aanrijding gekomen met vijf fietsers. Een aantal fietsers liep daarbij letsel op.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde en dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de feiten 1 subsidiair en 2, waarbij de officier van justitie de hoogste schuldgradatie, roekeloosheid, bewezen acht. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat verdachte, mogelijk op de vlucht voor de politie vanwege een kapotte koplamp, met een veel te hoge snelheid de bocht in is gegaan op de kruising van de Pastorieweg en de Dominee Medenbachweg en mede doordat hij teveel alcohol had gedronken, in die bocht de macht over het stuur is kwijtgeraakt en het ongeluk met de fietsers heeft veroorzaakt.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd. De raadsman heeft de rechtbank verzocht verdachte vrij te spreken van alle hem tenlastegelegde feiten.

Ten aanzien van feit 1 primair heeft de raadsman daartoe aangevoerd dat onvoldoende bewijs aanwezig is voor (voorwaardelijk) opzet op de dood van de slachtoffers.

Voor wat betreft feit 1 subsidiair en meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de feitelijke toedracht van het ongeval niet voldoende is vast komen te staan, omdat de Verkeersongeval Analyse (VOA) hoogstens een waarschijnlijke toedracht weergeeft. Het is daarom niet mogelijk de voor de beoordeling van de strafrechtelijke schuld in de zin van art. 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WvW) vereiste feiten en omstandigheden met voldoende mate van zekerheid vast te stellen. Het VOA biedt voorts onvoldoende bewijs om te kunnen vaststellen dat het rijgedrag van verdachte in de zin van art. 5 WvW gevaar heeft veroorzaakt of kunnen veroorzaken.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat van een onderzoek ex. art. 8 lid 2 ahf/ond b WvW geen sprake is nu hij in het dossier geen voorlopig ademonderzoek van uitgeademde lucht in de zin van art. 160 lid 5 WvW heeft aangetroffen en bovendien uit het dossier niet blijkt dat aan verdachte toestemming is gevraagd tot het verrichten van medewerking aan een bloedonderzoek.

Beoordeling door de rechtbank

Vrijspraak

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 primair tenlastegelegde feit. Zij overweegt daarbij dat onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig is voor (voorwaardelijk) opzet op de dood van de slachtoffers.

De rechtbank spreekt verdachte tevens vrij van het onder feit 2 tenlastegelegde. Uit het dossier is niet gebleken dat het onderzoek naar het alcoholgehalte van verdachtes bloed op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Van een onderzoek in de zin van art. 8 lid 2 onder b WW, is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dit onderzoek heeft omringd. Eén van deze waarborgen is dat uit het dossier moet blijken dat verdachte toestemming heeft gegeven voor het verrichten van het bloedonderzoek. Deze toestemming ontbreekt. Het resultaat van het verrichte onderzoek mag daarom niet voor het bewijs worden gebruikt, waaruit volgt dat er onvoldoende wettig bewijs is voor het tenlastegelegde onder feit 2 en verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank is op grond van na te melden bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Aangever [slachtoffer 2]2 verklaart bij de politie dat hij onderweg was naar de kroeg in het centrum van Ermelo met zijn vrienden [slachtoffer 4], [slachtoffer 3], [slachtoffer 1] en een vriend van [slachtoffer 3]. Ze fietsten op de Dominee Medenbachweg, komende uit de richting Oude Telgterweg, gaande in de richting Pastorieweg. Net voor de kruising met de Pastorieweg kwam een auto op hen af rijden. De auto nam de bocht hard en ruim, zodat de auto zich vervolgens op de linker weghelft van de Pastorieweg bevond.

Aangever en zijn vrienden fietsten toen op de Dominee Medenbachweg met z’n vijven, drie vóór en twee achter. Op de Medenbachweg brandde straatverlichting. Aangever verklaart dat het allemaal erg snel ging. Hij zag de auto aankomen en werd al meteen door de auto geraakt. Hij kon zo snel niet meer aan de kant gaan. Door de snelheid waarmee de auto reed en de manier waarop hij door de bocht reed, kwam de auto op de weghelft waar aangever en zijn vrienden fietsten.

Aangever kwam op de grond terecht en is meteen weer opgestaan. Hij zag dat het gezicht van [slachtoffer 1] kapot was en dat [slachtoffer 4] tegen de stoeprand lag. [slachtoffer 4] was buiten bewustzijn en had een bebloed hoofd. [slachtoffer 3] lag aan de rechterkant van de weg in de bosjes met zijn schouder en hoofd tegen een lantaarnpaal. Aangever hoorde dat [slachtoffer 3] er, gelet op zijn gemompel, niet bewust bij was. De auto die aangever heeft aangereden, is doorgereden.

Aangever [slachtoffer 3]3 verklaart bij de politie dat hij op 19 okt 2013 jarig was en dat hij wilde gaan stappen in Ermelo. Hij was daarom op de fiets met zijn vrienden [slachtoffer 2], [slachtoffer 1], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] richting het centrum van Ermelo aan het fietsen. Aangever verklaart dat [slachtoffer 5] niet over de midden helft van de weg reed, hoewel ze met z’n drieën naast elkaar reden. Ze reden net de bocht in en het eerstvolgende wat hij zich herinnert is dat hij in het ziekenhuis ligt. Aangever heeft geen auto aan zien of horen komen.

Aangever verklaart dat hij een gebroken sleutelbeen heeft opgelopen en vermoedelijk een gebroken duim en teen. Zijn enkel heeft hij gescheurd.

Van het medisch onderzoek verricht ten aanzien van aangever [slachtoffer 3] is een geneeskundige verklaring opgemaakt op 28 oktober 2013.4 Hieruit blijkt dat er sprake was van een sleutelbeenbreuk en letsel aan de enkel van aangever.

Aangever [slachtoffer 4] 5 verklaart bij de politie dat hij met zijn vrienden op een rechtdoor gaande weg met in de verte een flauwe bocht naar links fietste. Uit tegengestelde richting kwam een auto hard op hen afrijden. Het eerstvolgende wat hij zich herinnert is dat hij in een ambulance lag. De weg waarop zij fietsten had geen aparte strook voor fietsers, ze moesten op de weg fietsen. Aangever heeft een gebroken scheenbeen en een hersenschudding opgelopen.

Van het medisch onderzoek verricht ten aanzien van aangever [slachtoffer 4] is een geneeskundige verklaring opgemaakt op 13 november 2013.6 Aangever had een hoofdwond, diverse wonden aan handen en benen en een hersenschudding. Er was sprake van gering uitwendig bloedverlies en het vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel. Bovendien had aangever een Tibiaschachtfractuur links en een hechtwond.

Getuige [slachtoffer 1]7 heeft bij de politie verklaard dat hij samen met zijn groepje fietste in een normaal rustig tempo. Op zo’n 20 meter vanaf de kruising met de Pastorieweg zag hij plotseling vanuit de bocht met hoge snelheid een auto naderen. Op het moment dat de auto in de bocht kwam, dacht hij al dat het niet goed zou gaan. De auto had zo’n hoge snelheid dat de bestuurder nooit goed door de bocht kon sturen en op de eigen weghelft zou blijven. Het volgende moment voelde getuige zichzelf door de lucht vliegen. Hij besefte dat hij was aangereden en voelde dat hij met een klap op het wegdek terecht kwam. Getuige heeft niet gezien dat de autobestuurder ook maar enige poging heeft ondernomen om een aanrijding met hem te voorkomen. Getuige stond zelf vrij snel weer op, samen met [slachtoffer 2]. Getuige zag dat [slachtoffer 4] op de grond lag en [slachtoffer 3] in de bosjes.

Getuige heeft letsel opgelopen ten gevolge van het ongeluk. Hij had het middenhandsbeentje van zijn rechter ringvinger gebroken. Over zijn hele lichaam had hij veel schaaf- en snijwonden. Getuige werkte als supportmedewerker bij [bedrijf] en hij ging één dag in de week naar school. Ten gevolge van de aanrijding was hij arbeidsongeschikt, omdat hij voor zijn werk beide handen nodig heeft.

Van het medisch onderzoek verricht ten aanzien van getuige [slachtoffer 1] is een geneeskundige verklaring opgemaakt op 26 november 2013.8 Getuige had een gebroken bot in zijn hand en wonden in zijn gelaat.

Getuige [slachtoffer 5]9 heeft bij de politie verklaard dat er een auto hen tegemoet kwam rijden. De auto reed heel hard, veel te hard om de bocht te kunnen halen. Getuige [slachtoffer 5] zag dat [slachtoffer 4] geschept werd, terwijl getuige zelf werd geschampt. De auto reed verder. Er lagen twee mensen op de motorkap. In ieder geval [slachtoffer 4] werd een meter of vijftien meegenomen op de motorkap. Getuige heeft niet gezien dat de bestuurder nog geremd heeft toen de jongens op de motorkap lagen. Ze vielen aan de bestuurderskant van de motorkap af.

Getuige [getuige 1]10 verklaart dat hij met een aantal vrienden de Dominee Medenbachweg in fietste en vanaf de Pastorieweg een auto hard hoorde optrekken en in de bocht gas hoorde geven. Hij zag de auto achter hen langs rijden en vol door het groepje fietsers rijden dat de auto tegemoet kwam. Hij zag niet dat de auto remde. Hij zag dat er personen door de lucht vlogen die waren geraakt door de auto.

Getuige [getuige 2]11 verklaart dat zij met een aantal vrienden de Dominee Medenbachweg in fietste en vanaf de Pastorieweg een auto hard hoorde komen aanrijden. Ze zag de auto de Dominee Medenbachweg inrijden en hoorde dat hij veel gas gaf. Zij zag dat de auto een groepje fietsers tegemoet reed en hoorde een klap. Zij zag dat de auto de fietsers vol raakte. Zij zag dat de auto daarna doorreed.

Op zondag 20 oktober 2013, omstreeks 00:55 uur, zagen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]12 dat de bestuurder van een Volvo met kenteken [kenteken] (verdachte) heel hard, met een slingerende beweging over de Stationsweg in de richting van de Putterweg reed en rechtsaf sloeg op de Pastorieweg. Verbalisanten reden ongeveer 20 meter achter verdachte in hun onopvallend dienstvoertuig en zagen dat verdachte een snelheid bereikte van minimaal 70 kilometer per uur. Op de Pastorieweg geldt een maximum snelheid van 30 kilometer per uur. Verbalisanten gaven verdachte een stopteken middels het transparant. Verdachte reed door. Verbalisanten zagen dat verdachte bij het rechtsaf gaan, de Dominee Medenbachweg in, vol inreed op een groep fietsers. Verbalisanten zagen dat de fietsers ten val kwamen en dat één van de fietsers door de lucht vloog. Zij zagen dat verdachte doorreed.

Verdachte13 verklaart bij de politie dat hij op zaterdagmiddag 19 okt 2013 in de kroeg was geweest en daar drie bier had gedronken. Die middag had hij tussen 13.00 uur en 15.00 uur ook een deel van een joint gerookt. Daarna is hij vanuit de kroeg naar huis gegaan. Rond 20.30 uur ging hij naar het café Tex Saloon in Ermelo en heeft daar vijf of zes bier gedronken. (pag. 82) Het kunnen er ook acht geweest zijn. (pag. 85)

Daarna is verdachte in de auto gestapt om naar huis te rijden. Verdachte verklaart dat hij via de Horsterweg en de Stationsstraat de Pastorieweg op wilde rijden. (pag. 91)

Vanuit de tegemoetkomende richting (op de splitsing Pastorieweg met de Dominee Medenbachweg) kwamen vanuit de Dominee Medenbachweg een aantal fietsers de bocht omzetten. Volgens verdachte zag hij de fietsers pas in de knik en kon hij toen een aanrijding niet meer voorkomen (pag. 91).

Verdachte verklaart dat het wel klopt dat hij wel eens vaker met alcohol op met de auto rijdt. Hij beseft dat hij nooit had moeten gaan rijden. (pag. 85)

Ter terechtzitting op 23 juni 2015 heeft verdachte zijn eerder bij de politie afgelegde verklaring in grote lijnen bevestigd.14

In het proces-verbaal VOA15 concluderen de verbalisanten op basis van de aangetroffen sporen en de afgelegde verklaringen dat het delict niet te wijten was aan een technisch gebrek van het voertuig van de bestuurder van de Volvo met kenteken [kenteken]. Gelet op de aanwezige straatverlichting was het mogelijk om de fietsers te zien, ook zonder dat deze verlichting voerden. Omdat de plaats waar de aanrijding is ontstaan, direct na een onoverzichtelijke bocht ligt vanwege een in de binnenbocht staande heg, zal het voor verdachte geen verschil hebben gemaakt of de fietsers nu wel of geen verlichting voerden.

De rechtbank is in tegenstelling tot de raadsman van oordeel dat de verklaringen van aangevers, getuigen en verdachte, in samenspraak met de conclusies van het VOA-onderzoek, geen onduidelijkheid laten bestaan over de feitelijke toedracht van het ongeval. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte, terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol en terwijl hij bekend was met de verkeerssituatie ter plaatse, zeer onvoorzichtig en onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, waardoor hij met zijn voertuig in de hem bekende ondoorzichtige bocht op de verkeerde weghelft is komen te rijden mede door onvoldoende aanpassing van zijn snelheid aan de ter plaatse geldende situatie en vervolgens zijn voertuig niet op tijd tot stilstand heeft kunnen brengen. Dit had tot gevolg dat hij een ernstig ongeluk heeft veroorzaakt door in botsing te komen met vijf hem tegemoet komende fietsers.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Dat er, zoals de raadsman heeft gesteld, wellicht meerdere bestuurders van motorvoertuigen ter plaatse over de weghelft voor tegemoetkomend verkeer rijden bij het nemen van de betreffende bocht, maakt niet dat de ‘schuld’ in de zin van artikel 6 WvW van verdachte aan het ongeval komt te vervallen. Uit de bewijsmiddelen blijkt tevens dat [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] zodanig letsel dat zij tijdelijk hun normale bezigheden niet konden uitoefenen. Ten aanzien van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 5] is dit niet gebleken.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

Subsidiair

hij op 20 oktober 2013 te Ermelo, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Volvo, kenteken [kenteken]), daarmede rijdende over de Pastorieweg, ter hoogte van de plaats waar deze weg middels een ondoorzichtige bocht naar rechts overgaat in de Dominee Medenbachweg, zeer onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol, en terwijl het zicht ter plaatse werd belemmerd door een in de binnenbocht staande haag, vervolgens voormelde bocht naar rechts is ingereden en doorgereden en daarbij zijn snelheid niet heeft verminderd en aangepast aan de situatie en/of plaatselijke omstandigheden en daarbij in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, en vervolgens op de Dominee Medenbachweg is gebotst tegen een aantal (5) hem tegemoet rijdende fietsers, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel en/of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van art. 6 WvW 1994.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van roekeloos rijden en rijden onder invloed zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden en tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij de strafmaat rekening te houden met het advies van Reclassering Nederland van 5 november 2014 waarin wordt geadviseerd verdachte een (voorwaardelijke) werkstraf op te leggen en met het feit dat verdachte first-offender is. De proeftijd die aan deze voorwaardelijke werkstraf wordt gekoppeld zou ten hoogste 1 jaar moeten bedragen, nu verdachte sinds het voorval feitelijk al een proeftijd van 20 maanden heeft doorlopen.

Met betrekking tot de rijontzegging heeft de raadsman de rechtbank verzocht deze hoogstens voorwaardelijk op te leggen, uitgaande van de onevenredige beperkingen die horen bij een ontzegging, met name ten aanzien van het werk van verdachte. Bovendien is verdachte zijn rijbewijs uit andere hoofde voor langere tijd kwijt geweest.

Strafmaatverweer ten aanzien van het inzetten van de diensthond

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de geweldsinzet van de diensthond de toets aan de eisen van zowel proportionaliteit als subsidiariteit ex. art. 7 lid 1, 5 Politiewet 2012 en de voorschriften van de Ambtsinstructie voor de politie niet kan doorstaan. Door het disproportionele geweld is ernstig fysiek en psychisch leed bij verdachte ontstaan. In het licht hiervan is strafvermindering ter compensatie op zijn plaats.

In het proces-verbaal van bevindingen aanwenden geweld16 leest de rechtbank dat verbalisant [verbalisant 3], die avond in dienst als surveillancehondengeleider, zag hoe verdachte uit zijn zwaar beschadigde auto stapte en probeerde zich aan zijn aanhouding te onttrekken door weg te lopen. Zijn collega [verbalisant 2] liep naar verdachte toe, pakte hem vast bij zijn arm en trachtte hem naar de grond te brengen. Vervolgens zag [verbalisant 3] dat de verdachte zich verzette bij zijn aanhouding door wild heen en weer te slaan en te schoppen, dit onder andere in de richting van verbalisant [verbalisant 2]. Verbalisant [verbalisant 3] zag dat [verbalisant 2] met de verdachte op de grond terecht kwam en dat [verbalisant 2] verdachte niet onder controle kreeg. [verbalisant 3] zag dat verdachte zich los probeerde te trekken en dat hij wild met zijn benen schopte en trachtte op te staan. Ook hoorde hij hem luid schreeuwen. Hierop heeft [verbalisant 3], na waarschuwing, zijn diensthond ingezet. Verbalisant [verbalisant 2]17 verklaart aanvullend dat verdachte niet benaderbaar was.

De rechtbank is op grond van het hiervoor weergegevene van oordeel dat de aanhouding rechtmatig is geweest en het inzetten van de diensthond niet disproportioneel. De rechter-commissaris heeft de aanhouding ook in een eerder stadium niet als onrechtmatig aangemerkt. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 15 juni 2015;

- voorlichtingsrapportages van Reclassering Nederland, gedateerd 5 november 2014 en 4 juni 2015;

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke werkstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf alsmede een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur leiden - dat verdachte een zeer ernstig feit heeft gepleegd door het veroorzaken van een, aan verdachte te wijten, ernstig ongeluk met een groep fietsende jongeren in het uitgaanscentrum van Ermelo. Hij heeft door zijn schuld aan enkele van deze jongeren ernstig leed en (zwaar) lichamelijk letsel toegebracht.

Uit het uittreksel justitiële documentatie van verdachte blijkt dat verdachte in 2007 eerder in aanraking met justitie is gekomen wegens het rijden onder invloed van alcohol. De rechtbank heeft overwogen dat verdachte kennelijk niet heeft geleerd van de straf die hem destijds is opgelegd, dan wel dat het effect van deze straf niet langer heeft doorgewerkt in de keuzes die verdachte maakte ten tijde van het plegen van het delict, nu verdachte weer onder invloed van een behoorlijke hoeveelheid alcohol in zijn auto heeft gereden.

Ter zitting is gebleken dat verdachte zich bewust is van de impact, die het ongeval op de slachtoffers heeft gehad en van de verwijtbaarheid van zijn gedragingen. Ook heeft verdachte spijt betuigd en aangegeven dat hij op elk moment, als de slachtoffers dat willen, met hen in gesprek wil gaan.

De reclassering heeft in haar rapporten d.d. 5 november 2014 en 4 juni 2015 aangegeven dat

uit het onderzoek naar verdachte geen criminogene factoren naar voren komen. Verdachte heeft, gedurende het schorsingstoezicht, steekproefsgewijs medewerking moeten verlenen aan urinecontroles, gezien het drugs- en alcoholverbod. Verdachte heeft alle keren zijn medewerking verleend en er is tijdens geen van de controles blijk geweest van het gebruik van drugs en/of alcohol. Verdachte toonde in gesprekken met zijn toezichthouder een open en leergierige houding. Met verdachte is uitvoerig gesproken over het delictgedrag, middelengebruik, risico’s en hoe recidive te voorkomen. Verdachte heeft meer inzicht gekregen in zijn delictgedrag en heeft laten zien weloverwogen keuzes te kunnen maken. Verdachte heeft toestemming verleend om contact te hebben met zijn netwerk (ouders en werkgever). Zijn positieve ontwikkeling wordt door hen bevestigd. Binnen het toezicht heeft verdachte getracht contact te zoeken met de slachtoffers met behulp van Slachtoffer In Beeld. Dit heeft naast schriftelijk contact geleid tot een gesprek met één van de slachtoffers. Verdachte heeft gedurende het toezicht laten merken de ernst van zijn delictgedrag in te zien. In de tussenliggende periode vanaf het advies d.d. 5 november 2014 tot heden is Reclassering Nederland ten aanzien hiervan geen veranderingen gebleken. Verdere reclasseringsbemoeienis wordt derhalve niet langer geïndiceerd.

De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor dit feit gerechtvaardigd zou zijn. Nu verdachte zijn rijbewijs voor langere tijd uit andere hoofde heeft moeten missen, zijn rijbewijs is meer dan een jaar ongeldig verklaard geweest, en het feit al een behoorlijk lange tijd geleden is gepleegd, ziet de rechtbank aanleiding om deze straf voorwaardelijk op te leggen.

Alles overwegende komt de rechtbank tot de conclusie dat een werkstraf van 240 uur met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend en geboden is. De rechtbank is van oordeel dat daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor een periode van 2 jaar passend is. De rechtbank zal een proeftijd voor de duur van drie jaar opleggen, om verdachte er voor langere tijd van te weerhouden soortgelijke feiten in de toekomst te plegen.

De rechtbank overweegt dat deze straf recht doet aan de ernst van het feit en de overige omstandigheden van het geval, onder meer het strafblad van verdachte, het reclasseringsadvies en het feit dat de rechtbank tot bewezenverklaring van een lagere schuldgradatie dan de officier van justitie komt en vrijspraak van het tweede feit. Dit alles maakt dat tot een lagere strafoplegging wordt overgegaan dan door de officier van justitie geëist.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [slachtoffer 4], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2], vertegenwoordigd door mr. T.K.A.B. Eskes, advocaat te Dordrecht, hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder feit 1 bewezenverklaarde.

Eenieder vordert een bedrag van € 5.612,-, zijnde een voorschot smartengeld ad

€ 5.000,-, proceskosten ad € 384,- en de wettelijke rente ad € 228,-.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer 4], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] tot betaling van het gevorderde bedrag toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, alsmede toewijzing van de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2013.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank primair verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen niet ontvankelijk te verklaren primair vanwege de door hem bepleite vrijspraken en subsidiair nu een gedegen onderzoek naar de kosten en de werkelijke schade een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Meer subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht voor wat betreft de hoogte van het bedrag aan te sluiten bij het letsel als opgegeven door aangever [slachtoffer 2] en een immateriële schadevergoeding op te leggen van maximaal € 750,- en af te zien van het opleggen van de wettelijke rente. Over de proceskosten heeft hij geen opmerkingen.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partijen:

[slachtoffer 4]

tot een bedrag van € 2.000,-

en

[slachtoffer 3]

tot een bedrag van € 1.000,-

aan immateriële schade hebben geleden als gevolg van het hierboven onder punt 3 bewezen verklaarde handelen, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vorderingen dienen tot dit bedrag te worden toegewezen. Voorts dienen de tot op heden gevorderde proceskosten te worden toegewezen nu deze niet zijn betwist.

Wat betreft het meer of anders gevorderde zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard worden in hun vorderingen. De benadeelde partijen kunnen derhalve dat deel van hun vorderingen slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partijen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 20 oktober 2013.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] zal niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering nu er geen bewijs is dat hij zwaar lichamelijk letsel, dan wel zodanig lichamelijk letsel heeft opgelopen dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, zodat verdachte ten aanzien van hem wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde. De gevorderde schade hangt niet samen met het bewezenverklaarde feit en kan daarom in dit strafproces niet worden toegewezen. [slachtoffer 2] kan derhalve zijn vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijk rechter.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 27, 36f, 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde.

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

 beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

 bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 3 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

 ontzegt verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) jaren;

 bepaalt, dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 3 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

 bepaalt, dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 subsidiair tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 4], van een bedrag van € 2.000,-vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 384,-;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 4] een bedrag te betalen van € 2.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 30 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 subsidiair tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], van een bedrag van € 1.000,-vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 384,-;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 3] een bedrag te betalen van € 1.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 20 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] voor het overige niet-ontvankelijk in hun vorderingen;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gegeven door mr. D.E. Schaap (voorzitter), mrs. C.J.M. van Apeldoorn en C.H.M. Pastoors, in tegenwoordigheid van mr. M. van Erp-Noordenbos, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 juli 2015.

Mr. D.E. Schaap is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Noord en Oost Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL 0610-2014095655 op ambtseed opgemaakt te Harderwijk op 15 juli 2014 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal verklaring aangever [slachtoffer 2], pag. 23

3 Proces-verbaal verklaring aangever [slachtoffer 3], pag. 33

4 Geneeskundige verklaring 28 oktober 2013, [slachtoffer 3], pag. 38

5 Proces-verbaal verklaring aangever [slachtoffer 4], pag. 39

6 Geneeskundige verklaring [slachtoffer 4], pag. 42

7 Proces-verbaal verklaring getuige [slachtoffer 1], pag. 46

8 Geneeskundige verklaring [slachtoffer 4], pag. 52

9 Proces-verbaal verklaring getuige [slachtoffer 5], pag. 55

10 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], pag. 58-59

11 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] , pag. 60

12 Proces-verbaal bevindingen, pag. 61- 65, 66- 67, 72-73 en proces-verbaal aanhouding verdachte, pag. 12-13

13 Proces-verbaal verklaring verdachte, pag. 82 e.v.

14 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting op 23 juni 2015.

15 Proces-verbaal verkeersongeval analyse, pag. 100 en 146

16 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 72

17 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 66