Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:4410

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13-05-2015
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
271507
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen waren in onderhandeling maar tot een overname van de eenmanszaak is het niet gekomen. Actief benaderen klanten van eiser door gedaagde wordt onrechtmatig geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1264
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/271507 / HA ZA 14-547 / 172 / 498

Vonnis van 13 mei 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1],

eiser,

advocaat mr. J. van Berk te Malden,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [woonplaats 1],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats 1],

gedaagden,

advocaat mr. C.W. Reintjes te Duiven.

Partijen zullen hierna respectievelijk [eiser], [gedaagde] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 3 december 2014

- het proces-verbaal van comparitie van 12 februari 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In de periode van 14 februari 2011 tot 1 oktober 2011 hebben [eiser] en [gedaagde sub 2] onderhandeld over de koop- en verkoop van de eenmanszaak van [eiser], genaamd ‘[naam zaak] Overhead-Projectie’ (hierna: [naam zaak]).

2.2.

Op 1 oktober 2011 heeft [gedaagde sub 2] zijn intrek genomen in het pand van [naam zaak] aan de [adres] 8c te [woonplaats 2]. Tevens is op 1 oktober 2011 [gedaagde] B.V. i.o. ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel met [adres] 8c te [woonplaats 2] als vestigingsadres. [gedaagde sub 2] is daarbij ingeschreven als bevoegde functionaris. Verder heeft [eiser] zijn kennis, contacten en de gehele klantenkring van [naam zaak] ter beschikking gesteld aan [gedaagde sub 2] en/of [gedaagde] B.V. i.o. Ook heeft hij de lopende orders per 1 oktober 2011 aan [gedaagde sub 2] en/of [gedaagde] B.V. i.o. overgedragen.

2.3.

Op 11 november 2011 heeft [eiser] in een bijlage bij een aan [gedaagde sub 2] gezonden e-mail onder meer het volgende bericht:

Omdat op dit moment, 09-11-2011, de overeenkomst nog niet is opgemaakt conform de afspraken de volgende opmerking:

 Per 08-11-2011 alleen een intentie verklaring ontvangen i.p.v. een concept contract

 Alle klanten blijven eigendom van [naam zaak] Projectie

 Alle verkopen blijven eigendom van [naam zaak] Pojectie

 Alle inkopen van goederen bestemd voor verkoop (geen voorraad goederen) blijven eigendom van [naam zaak] Projectie

 De gemaakte kosten door [naam zaak] Projectie BV, in welke zin dan ook, zijn niet verhaalbaar op [naam zaak] Projectie

 Alle gerelateerde zaken die betrekking hebben op [naam zaak] Projectie blijven eigendom van [naam zaak] Projectie

 Aan alle gemaakte afspraken kunnen geen rechten aan worden ontleend indien er geen overname plaatsvindt

 Concept contract voor 1 december 2011 in bezit van ondergetekende.

2.4.

Bij e-mail van 13 december 2011 heeft [eiser] onder meer het volgende aan [gedaagde sub 2] bericht:

Naar aanleiding van jouw mail van gisterenochtend heb ik mijn dossier inzake de voorgenomen overdracht van [naam zaak] Projectie met mijn adviseur doorgesproken. Hierbij wordt mijn gevoel bevestigd dat de oorspronkelijk overeengekomen voorwaarden in nieuwe voorstellen van jouw zijde steeds naar beneden (althans van mij uit bezien) worden bijgesteld. Zo zijn in jouw laatste voorstel ten opzichte van de eerder door jou zelf op 8 november jl. opgestelde intentieverklaring zowel de huur van het bedrijfspand als de bonus van € 30.000 verdwenen. Daarnaast wil je een substantieel van de koopsom lenen zonder daarvoor voldoende zekerheden te stellen.

Om duidelijkheid te krijgen of er echt wel sprake is van wilsovereenstemming op de relevante punten van de voorgenomen overdracht heb ik in overleg met mijn adviseur mijn uitgangspunten voor een op te stellen koopovereenkomst op papier gezet. Deze hebben wij zojuist met jou besproken. Naar aanleiding van dit overleg hebben deze uitgangspunten op enkele onderdelen aangepast aan jouw opmerkingen.

Hierbij ontvang je de aangepaste uitgangspunten. Graag hoor ik binnen twee dagen of je hiermee akkoord kunt gaan. Zo ja, dan zullen wij op basis hiervan een koopovereenkomst uitwerken. Zo nee, dan zullen we met elkaar moeten constateren dat we op relevante onderdelen geen overeenstemming hebben over de voorgenomen overdracht.

In dat geval zullen we afspraken moeten maken hoe we de huidige situatie waarin jij op jouw verzoek al met de activiteiten bent gestart voordat je, zoals wel toegezegd, een schriftelijke koopovereenkomst hebt opgesteld, weer terugdraaien. Hierbij verwijs ik naar hetgeen ik heb opgemerkt (het punt opmerking) in mijn reactie van 9 november op de door jou opgestelde intentieverklaring van 8 november. Graag ontvang ik van jou een voorstel voor de uitwerking hiervan.

2.5.

Op 13 december 2011 heeft [gedaagde sub 2] alle spullen van hem en/of [gedaagde] B.V. i.o. verhuisd uit het pand aan de [adres] 8c te [woonplaats 2].

2.6.

Bij de stukken bevindt zich een e-mail van [gedaagde sub 2]/AV-Professional van 14 december 2011 aan de heer H. Koerts. In deze e-mail is onder meer het volgende opgenomen:

Zoals je misschien bekend hadden wij een afspraak met de heer P.P. [eiser] om [naam zaak] Projectie over te nemen. Deze afspraken worden niet op de juiste wijze nagekomen waardoor wij besloten hebben af te zien van de samenwerking met de heer [eiser].

Wij, [gedaagde] B.V., zullen verder gaan acteren onder de naam AV-Professional en zullen in samenwerking met onze leveranciers de markt verder gaan bewerken. (…)

2.7.

Bij e-mailbericht van 15 december 2011 heeft [eiser] onder meer het volgende aan [gedaagde sub 2] bericht:

Ik zie dat je een andere handelsnaam hebt.

Aangezien het klanten bestand niet is overgedragen wijs ik je erop dat het niet is toegestaan om klanten van [naam zaak] Projectie te benaderen onder [gedaagde]. Ook niet vanuit de nieuwe handels naam AV Professional. Of andere handels naam.

2.8.

Bij e-mailbericht van 20 december 2011 heeft [gedaagde sub 2] onder meer het volgende aan [eiser] bericht:

Wij stellen ons op het standpunt dat wij tot op de dag van vertrek (dinsdag 13 december jl.) voor eigen rekening EN risico hebben gehandeld. Bestellingen, betalingen en facturatie hebben plaatsgevonden voor rekening van [gedaagde] B.V. i.o.

Wij weerleggen het door jou gestelde dat wij op ons verzoek zijn gestart met de activiteiten, die beslissing is door ons gezamenlijk genomen. Ter informatie, jij hebt schriftelijk toestemming gegeven dat wij ons bedrijf mochten vestigen aan de [adres] 8c te [woonplaats 2]. Daarnaast heb jij ook middels je distributie bedrijf ons toegeleverd als zijnde een normale relatie. Deze facturen zijn ook door ons aan Vidistri voldaan.

2.9.

Op 12 januari 2012 is [gedaagde] opgericht. Bij de stukken bevindt zich een kopie van een notariële bekrachtigingsakte van 12 januari 2012. Hierin heeft [gedaagde] alle (rechts-)handelingen die namens de vennootschap voor haar oprichting zijn verricht, uitdrukkelijk bekrachtigd.

2.10.

Bij de stukken bevindt zich ook een reclame e-mailbericht van 30 januari 2012 van AV-Professional aan de heer H. [betrokkene], met als onderwerp “Nu 5% korting op al uw aankopen!”

2.11.

Bij de stukken bevindt zich voorts een e-mail van [gedaagde sub 2]/AV-Professional van 9 februari 2012 aan de heer K. van [betrokkene 3]. In deze e-mail is onder meer het volgende opgenomen:

Wij hebben verscheidene malen contact gehad over de bij jullie geplaatste 3M projectoren. In de periode van ons contact waren wij in onderhandeling met de heer […] [eiser] om zijn bedrijf [naam zaak] Projectie over te nemen. Deze overname heeft niet plaatsgevonden en wij hebben besloten verder te gaan onder de naam AV-Professional.

AV-Professional heeft samen met zijn partners > 20 jaar ervaring in de markt van AV oplossingen voor onderwijs, bedrijven en instellingen. Wij zijn officieel partner van een groot aantal A-merken op het gebied van projectoren, touch screens etc.

Ik weet niet hoe momenteel de zaken staan maar wij zijn graag bereid om samen met jullie te bekijken of we tot een oplossing kunnen komen voor jullie problematiek met de 3M projectoren. Mag ik hier een keer contact over opnemen?

2.12.

Bij de stukken bevindt zich tevens een e-mail van [gedaagde sub 2]/AV-Professional van 13 februari 2012 aan mevrouw [betrokkene 2]. In deze e-mail is onder meer het volgende opgenomen:

Even een korte uitleg, vanaf 1 oktober 2011 hebben wij, [gedaagde] BV (toen nog B.V. i.o.), samengewerkt met de mensen van [naam zaak] Projectie om te komen tot een volledige overname van het bedrijf [naam zaak] Projectie. Vanaf dat moment hebben wij voor eigen rekening en risico zaken gedaan en gefactureerd. Op 13 december jl. hebben wij besloten dat de uiteindelijk samenwerking geen doorgang zou vinden daar partijen niet tot een volledige overeenstemming konden komen.

Ik kan mij voorstellen dat dit voor jou, als buitenstaander, niet geheel duidelijk is/was. Voor alle duidelijkheid [gedaagde] BV ([…] [gedaagde sub 2]) heeft sinds 13 december niets meer van doen met [naam zaak] Projectie. Dit is andersom ook het geval, de mensen van [naam zaak] Projectie in [woonplaats 2] hebben niets van doen met ons en zijn ook zeker niet gerechtigd om namens ons te spreken of handelen!

2.13.

Bij de stukken bevindt zich ten slotte een reclame e-mailbericht van 20 februari 2012 van AV-Professional aan de heer H. [betrokkene], met als onderwerp “Nooit meer een beamerlamp kopen!”

2.14.

Op 10 maart 2012 heeft [eiser] een e-mail ontvangen van de heer [betrokkene 4] van Kofschip Zevenaar, een bestaande klant van [naam zaak]. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

Hallo […],

Krijg mail van av-prof,

Dacht eerst dat jullie een nieuw bedrijf begonnen waren..

Niet dus.

Weet niet hoe AV aan mijn mail-adres komt.

2.15.

Bij brief van 27 maart 2012 heeft mr. P.R.Th. Schulting van DAS namens [eiser] onder meer het volgende aan [gedaagde sub 2] bericht:

Blijkens de stukken, die mij ter hand zijn gesteld, is cliënt in 2011 met u in bespreking geweest met betrekking tot de eventuele overname door u van het bedrijf van cliënt. Die besprekingen zijn in een zodanig vergevorderd stadium gekomen dat er bij de Kamer van Koophandel zelfs al een nieuw bedrijf was ingeschreven, te weten [gedaagde] B.V. i.o. Uiteindelijk is de betreffende overname echter niet doorgegaan. Evenwel heeft cliënt moeten constateren dat u desalniettemin zijn relaties benadert onder de naam [gedaagde] B.V. In dat bericht refereert u aan de gesprekken die u met cliënt heeft gehad terzake de overname van zijn bedrijf waarbij u stelt dat de afspraken niet op een juiste manier zijn nagekomen en dat u daardoor besloten hebt om af te zien van de samenwerking met cliënt. Vervolgens deelt u mee dat u als [gedaagde] B.V. verder zult “acteren” onder de naam AV-Professional, met andere woorden AV-Professional is een handelsnaam van [gedaagde] B.V. Middels deze berichten probeert u de relaties van cliënt over te halen om een samenwerking met u aan te gaan. In dat kader hebt u zelfs een website opgericht (www.[gedaagde].nl). Voorts heeft cliënt vastgesteld dat u vanaf oktober 2011 facturen hebt verzonden naar zijn relaties op naam van [naam zaak] Overhead-Projectie maar met een ander rekeningnummer, te weten dat van u.

Cliënt is van mening dat u met het voorgaande onrechtmatig jegens hem handelt. Namens cliënt sommeer ik u dan ook om MET ONMIDDELLIJKE INGANG te stoppen met het gebruik van de naam [gedaagde] B.V. alsmede met het benaderen van relaties van cliënt onder de naam [gedaagde] B.V. Tevens sommeer ik u om binnen 5 dagen na heden ervoor zorg te dragen dat de naam [gedaagde] B.V. uit de registers van de Kamer van Koophandel is gehaald.

(…)

Tevens wijs ik erop dat cliënt door uw handelwijze schade heeft geleden, lijdt en eventueel nog zal lijden. Voor die schade stel ik u reeds nu voor alsdan aansprakelijk. Met betrekking tot de uiteindelijke omvang van die schade worden door cliënt alle rechten voorbehouden.

2.16.

De advocaat van [gedaagde] en [gedaagde sub 2] heeft bij brief van 11 mei 2012 gereageerd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I primair

[gedaagde] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk op grond van wanprestatie dan wel onrechtmatige daad worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat,

I subsidiair

[gedaagde] op grond van ongerechtvaardigde verrijking wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat,

II

[gedaagde] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk worden veroordeeld om aan [eiser] te betalen € 1.528,00 ter zake buitengerechtelijke kosten, althans een zodanig bedrag als de rechtbank oordeelt rechtvaardig te zijn,

III

[gedaagde] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiser] legt kort gezegd het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag.

Primair is sprake van wanprestatie dan wel onrechtmatig handelen door [gedaagde] en [gedaagde sub 2]. Zij hebben het klantenbestand van [naam zaak] tot hun beschikking gekregen en zijn daarmee blijven handelen. Zelfs nadat [gedaagde] en [gedaagde sub 2] afzagen van het aangaan van een schriftelijke koopovereenkomst, zijn zij de klantenkring van [eiser] blijven benaderen.

Subsidiair is er sprake van ongerechtvaardige verrijking aan de zijde van [gedaagde]. Haar vermogen is verrijkt doordat zij vanaf 1 oktober 2011 de kennis, contacten en klantenkring van [naam zaak] tot haar beschikking heeft gekregen en ook de lopende orders heeft overgenomen. Hierdoor heeft zij van meet af aan omzet kunnen genereren. Ook nadat [gedaagde] de onderhandelingen met [eiser] had afgebroken heeft zij contacten onderhouden met bedrijven uit de klantenkring van [naam zaak]. Zij heeft ook daadwerkelijk getracht om de klantenkring van [naam zaak] tot haar klantenkring te maken. [eiser] is verarmd doordat de omzetten na 1 oktober 2011 zijn teruggelopen. Voorts bestaat er causaal verband tussen de verrijking van [gedaagde] en de verarming van [eiser] en is er geen redelijke grond voor de verrijking van [gedaagde]. Als gevolg van een en ander heeft [eiser]/[naam zaak] aanzienlijke schade geleden.

3.3.

[gedaagde] en [gedaagde sub 2] voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde] en/of [gedaagde sub 2] toerekenbaar zijn tekort geschoten in de nakoming van hun verplichtingen, dan wel of zij onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser], dan wel of sprake is van ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van [gedaagde]. Naar het oordeel van de rechtbank kan in dit verband uit de dagvaarding in voldoende mate worden afgeleid wat [gedaagde] en [gedaagde sub 2] afzonderlijk wordt verweten. Bovendien is dit ter comparitie (nogmaals) verduidelijkt. Niet-ontvankelijkverklaring is dan ook niet aan de orde.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen vast staat dat geen koopovereenkomst tot stand is gekomen. Zij hebben gedurende geruime tijd getracht tot overeenstemming te komen met betrekking tot de overname van de eenmanszaak van [eiser], te weten [naam zaak], maar tot het gewenste resultaat heeft dat niet geleid. Met het e-mailbericht van [eiser] van 13 december 2011 is er een definitief einde gekomen aan de onderhandelingen. In dit verband hebben [gedaagde] en [gedaagde sub 2] terecht opgemerkt dat van een toerekenbare tekortkoming geen sprake kan zijn, reeds niet omdat er geen overeenkomst tot stand is gekomen.

4.3.

De vraag is dan of er sprake is van onrechtmatig handelen. Volgens [eiser] bestaat dit onrechtmatig handelen erin dat [gedaagde sub 2] het klantenbestand van [naam zaak] ter beschikking heeft gesteld van [gedaagde] en dat [gedaagde] actief met dat klantenbestand is blijven handelen, terwijl zij afzag van het sluiten van een koopovereenkomst hieromtrent.

4.4.

De rechtbank stelt het volgende vast.

[gedaagde] B.V. i.o. is op 1 oktober 2011 ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Daarbij is [gedaagde sub 2] ingeschreven als bevoegde functionaris. Eveneens op

1 oktober 2011 heeft [gedaagde] B.V. i.o. haar intrek genomen in het pand van [naam zaak] aan de [adres] 8c te [woonplaats 2]. Bovendien heeft [eiser] zijn kennis, contacten en de gehele klantenkring van [naam zaak] ter beschikking gesteld aan [gedaagde] B.V. i.o. en [gedaagde sub 2]. Ook heeft hij de lopende orders per 1 oktober 2011 aan [gedaagde] overgedragen. Op dat moment waren partijen nog in onderhandeling. Pas enige tijd daarna, op of omstreeks 13 december 2011, is aan deze onderhandelingen definitief een einde gekomen. Op 12 januari 2012 is [gedaagde] bij notariële akte opgericht.

4.5.

In de periode van 1 oktober tot en met 13 december 2011 heeft [gedaagde] B.V. i.o. verschillende klanten van [naam zaak] benaderd. Dit volgt uit de producties 4 tot en met 14 bij dagvaarding. [gedaagde] B.V. i.o. heeft daarbij gehandeld onder verschillende handelsnamen, te weten [naam zaak] Projectie B.V., [gedaagde] B.V. en [naam zaak] Projectie, maar geen enkele keer onder de destijds nog te voeren handelsnaam [gedaagde] B.V. i.o. Dit volgt ook uit genoemde producties, alsmede uit de producties 15 tot en met 19 bij dagvaarding. Zelfs nadat aan de onderhandelingen definitief een einde is gekomen heeft [gedaagde] B.V. i.o. onder de handelsnaam AV-Professional nog verschillende klanten van [eiser] benaderd. Dit volgt uit de producties 28 en 31 tot en met 35 bij dagvaarding (zie hiervoor ook 2.6 en 2.10 tot en met 2.14).

4.6.

De rechtbank neemt hierbij in ogenschouw het e-mailbericht van [eiser] van

13 december 2011, waarin hij [gedaagde sub 2] wijst op hetgeen hij op 9 november 2011 heeft opgemerkt, te weten dat nu de overeenkomst nog niet is opgemaakt conform de afspraken (onder meer) geldt dat alle klanten, alle verkopen en alle inkopen van goederen bestemd voor verkoop eigendom blijven van [naam zaak], dat alle gerelateerde zaken die betrekking hebben op [naam zaak] eigendom blijven van [naam zaak] en dat aan alle gemaakte afspraken geen rechten kunnen worden ontleend indien er geen overname plaatsvindt. Ook wijst de rechtbank op het e-mailbericht van [eiser] van 15 december 2011, waarin hij [gedaagde sub 2] bericht dat aangezien het klantenbestand niet is overgedragen, het niet is toegestaan om klanten van [naam zaak] te benaderen onder [gedaagde], ook niet vanuit de nieuwe handelsnaam AV-Professional of een andere handelsnaam.

4.7.

Met inachtneming van het voorgaande heeft [eiser] naar het oordeel van de rechtbank voldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde] en [gedaagde sub 2] namens [gedaagde] met gebruikmaking van verschillende handelsnamen -maar in ieder geval niet met de handelsnaam [gedaagde] B.V. i.o.- actief klanten van [eiser] hebben benaderd, zelfs nadat definitief duidelijk was geworden dat er geen koopovereenkomst tot stand zou komen en zelfs nadat [gedaagde] was opgericht. Daarmee hebben zij onrechtmatig gehandeld jegens [eiser].

4.8.

[gedaagde] en [gedaagde sub 2] stellen dat het handelen van [gedaagde sub 2] dient te worden gezien als handelen verricht namens een vennootschap in oprichting. [gedaagde] is bij notariële akte van 12 januari 2012 opgericht, waarna de in de oprichtingsfase verrichte handelingen zijn bekrachtigd. [gedaagde] en [gedaagde sub 2] verwijzen in dit verband nog naar het Bonaventura-arrest (Hoge Raad 17 september 1982, NJ 1983, 120).

4.9.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De bekrachtiging ziet op alle (rechts-) handelingen die namens de vennootschap voor haar oprichting zijn verricht. Het gaat dus om [gedaagde] B.V. i.o. Hiervoor is echter reeds geoordeeld dat [gedaagde] voor haar oprichting heeft gehandeld onder verschillende handelsnamen, maar geen enkele keer onder de handelsnaam [gedaagde] B.V. i.o. Bovendien kan het Bonaventura-arrest [gedaagde] en [gedaagde sub 2] niet baten, reeds niet omdat in die zaak -in tegenstelling tot de onderhavige- een overeenkomst tot stand is gekomen. Ten slotte gaat het hier om onrechtmatig handelen, hetgeen niet kwalificeert als een ‘rechtshandeling die namens de vennootschap voor haar oprichting is verricht’.

4.10.

[gedaagde] en [gedaagde sub 2] stellen verder dat [gedaagde] B.V. i.o. zich in overleg met en met instemming van [eiser] heeft gewend tot klanten die ook relatie waren van [eiser] en dat uit die contacten opdrachten zijn voortgevloeid welke door [gedaagde] B.V. i.o. zijn uitgevoerd. Het handelen van [gedaagde] B.V. i.o. gebeurde voor eigen rekening en risico van [gedaagde]. Relaties werden dus ook klant van [gedaagde] B.V. i.o., aldus [gedaagde] en [gedaagde sub 2]. Nog afgezien van het feit dat [eiser] deze stelling gemotiveerd heeft betwist, hebben [gedaagde] en [gedaagde sub 2] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit een en ander kan worden afgeleid. Bovendien laat de stelling dat het handelen van [gedaagde] B.V. i.o. gebeurde voor eigen rekening en risico van [gedaagde] onverlet dat dit handelen zag op het onrechtmatig (blijven) gebruiken van het klantenbestand van [naam zaak]. De rechtbank gaat hieraan dan ook voorbij. Ook de stelling van [gedaagde] en [gedaagde sub 2] dat [eiser] expliciet toestemming heeft gegeven om per 1 oktober 2011 activiteiten te verrichten onder de handelsnaam [gedaagde] kan hen niet baten. Dit kan namelijk niet worden afgeleid uit productie 5 bij conclusie van antwoord en volgt voorts evenmin uit enige andere productie. Voor het overige hebben [gedaagde] en [gedaagde sub 2] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld om tot een andersluidend oordeel te komen.

4.11.

Ten slotte stellen [gedaagde] en [gedaagde sub 2] dat de door [eiser] geleden schade in het ongewisse blijft. Volgens hen heeft [eiser] nagelaten aan te geven wat precies de schade is en welk causaal verband er zou bestaan tussen het handelen van [gedaagde] en [gedaagde sub 2] enerzijds en het resultaat van [eiser], dat wil zeggen [naam zaak], anderzijds, en welk deel daarvan dan als schade heeft te gelden.

4.12.

[eiser] stelt met betrekking tot de door hem geleden schade het volgende. De omzet van [naam zaak] is fors afgenomen nadat het klantenbestand per 1 oktober 2011 ter beschikking kwam van [gedaagde]. Het boekjaar 2010 was het laatste onafgebroken boekjaar dat [gedaagde] nog niet over het klantenbestand van [naam zaak] kon beschikken. De omzet bedroeg in dat jaar € 410.005,00. Het eerst volgende onafgebroken jaar dat [gedaagde] wel over het klantenbestand van [naam zaak] kon beschikken was het jaar 2012. De omzet was toen € 152.715,00. Hieruit blijkt dat [naam zaak] een terugval van 62,75% in de omzet heeft ondervonden nadat [gedaagde] (onrechtmatig) de beschikking kreeg over het klantenbestand van [naam zaak]. Zowel [eiser] als [gedaagde] en [gedaagde sub 2] waarderen de activiteiten van [naam zaak] op tenminste € 120.000,00. Een overgroot deel van deze activiteiten bestaat uit goodwill in de vorm van een actief klantenbestand. De omzet van [naam zaak] is fors afgenomen doordat [gedaagde] het klantenbestand is blijven benaderen en bedienen. [eiser] verwijst nog naar de producties 43 en 44 bij dagvaarding.

4.13.

De rechtbank overweegt dat de vordering van [eiser] ziet op veroordeling van [gedaagde] en [gedaagde sub 2] -op grond van (onder meer) onrechtmatige daad- tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat. Hiervoor is reeds geoordeeld dat [gedaagde] en [gedaagde sub 2] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser]. Voor een schadestaatprocedure is voldoende dat [eiser] de mogelijkheid van schade aannemelijk maakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft hij dat met voorgaande stellingen gedaan. Het ligt vervolgens op de weg van [eiser] om in de schadestaatprocedure te stellen en te onderbouwen welke concrete schade hij als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde] en [gedaagde sub 2] heeft geleden. In die procedure zal dan ook aandacht kunnen worden besteed aan de stellingen van [gedaagde] en [gedaagde sub 2] met betrekking tot de gestelde schade, alsmede met betrekking tot het door hen gedane beroep op artikel 6:101 BW.

4.14.

De slotsom is dat de primaire vordering zal worden toegewezen. Daarmee kunnen de overige (subsidiaire) stellingen van zowel [eiser] als [gedaagde] en [gedaagde sub 2] onbesproken blijven.

4.15.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. [eiser] heeft niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat hij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

4.16.

[gedaagde] en [gedaagde sub 2] zullen hoofdelijk als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 93,80

- griffierecht € 868,00

- salaris advocaat € 768,00 (2 punten × tarief € 384,00)

Totaal € 1.729,80

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] en [gedaagde sub 2] op grond van onrechtmatige daad hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.729,80,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op

13 mei 2015.

Coll.: MvG