Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:4335

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-07-2015
Datum publicatie
13-07-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2562
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter is er nog niet van overtuigd dat het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd. Dat is zowel ten aanzien van het niet opstellen van een milieueffectrapportage als ten aanzien van het afwijken van de grenswaarden voor de meest nabij gelegen woning.

Of dat ook betekent dat de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treft hangt af van een belangenafweging.

Na een weging van deze belangen, waarbij het voorlopig rechtmatigheidsoordeel zwaar weegt, komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het belang van vergunninghouder niet opweegt tegen dat van verzoekers. Hij zal het bestreden besluit om die reden schorsen. Wel ziet hij aanleiding om te bepalen, dat de wedstrijd van 15 en 16 augustus 2015 doorgang kan vinden onder de voorschriften van de bij besluit van 30 maart 2015 verleende omgevingsvergunning, nu deze wedstrijd onder de oorspronkelijke vergunning ook al mogelijk was, zij het niet in deze omvang, en de uitnodigingen daarvoor al zijn verzonden en een internationaal deelnemersveld deelname heeft toegezegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/2562

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[Verzoeker 1] en anderen, te Halle, verzoekers

(gemachtigde: mr. J. Veltman),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst te Hengelo, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Halse Motor- en Automobiel Club, te Zelhem, vergunninghouder

(gemachtigde: mr. C.G.J.M. Termaat).

Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen en in werking hebben van een motorcrossterrein aan de Wolfersveenweg 29 te Zelhem.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2015. Van verzoekers zijn verschenen [verzoeker 2] [verzoeker 3] en [verzoeker 4] bijgestaan door hun gemachtigde en door [medewerker], medewerker van De Roever Omgevingsadvies. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.F.M.J. Woltering en K. Boessenkool, ambtenaren ter secretarie, en P. Bovenmarsch van de Omgevingsdienst Achterhoek. Namens vergunninghouder zijn verschenen [voorzitter], voorzitter, en [bestuurslid], bestuurslid, bijgestaan door de gemachtigde.

Overwegingen

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat hij geen gebruik mag maken van de mogelijkheid om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb uitspraak te doen in de bodemzaak, reeds omdat er door twee anderen ook beroep is ingesteld, die geen verzoek om voorlopige voorziening hebben ingediend.

Bij besluit van 6 oktober 1994 heeft verweerder aan vergunninghouder een oprichtingsvergunning verleend voor een motorcrossterrein aan de Wolfersveenweg te Zelhem. Het bestreden besluit is een veranderingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 2.6 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, waarin een aantal uitbreidingen van activiteiten worden vergund.

Anders dan verweerder en vergunninghouder is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij een beoordeling van het bestreden besluit. Het bestreden besluit treedt na het afdoen van deze voorlopige voorziening in werking en voorziet in een uitbreiding van het aantal activiteiten van de inrichting, te weten dat ook op woensdag en in de avondperiode motorcrossactiviteiten mogelijk worden. Deze activiteiten leveren ten opzichte van de vorige vergunning extra milieugevolgen op. Dit levert spoedeisend belang op voor verzoekers.

Vergunninghouder heeft verder betoogd dat een aantal verzoekers geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in ieder geval een aantal verzoekers belanghebbende, waaronder de bewoner van de dichtstbijzijnde woning, die aan de [adres]. Dat volstaat voor een inhoudelijke behandeling van het verzoek.

Ten aanzien van de omgevingsvergunning overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Op grond van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer moet ten aanzien van een aantal activiteiten worden beoordeeld of er aanleiding bestaat voor het opstellen van een milieueffectrapport. Deze activiteiten zijn opgesomd in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, onderdeel D. Bij die opsomming is bepaald in welke gevallen een beoordeling moet plaatsvinden. Onder nummer D 43 is als activiteit opgenomen:

De aanleg, wijziging of uitbreiding van permanente race- en testbanen voor gemotoriseerde voertuigen.

Een beoordeling moet onder andere plaatsvinden, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op:

1. een openstelling van acht uren of meer per week of

2. een oppervlakte van 5 hectare of meer.

In dit geval is een openstelling van 7.59 uur vergund. Volgens de tekst (pagina 29) van de omgevingsvergunning is het terrein weliswaar groter dan 5 hectare maar wordt het daarmee niet m.e.r.-beoordelingsplichtig omdat het een bestaande situatie betreft die niet wordt uitgebreid. Een beoordeling behoeft op grond van de bijlage dan ook niet plaats te vinden, aldus verweerder.

Niettemin moet ook als geen sprake is van een rechtstreekse m.e.r.-beoordelingsplicht in het kader van de beoordeling van een aanvraag toch worden beoordeeld of de activiteit mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft (de zogeheten vormvrije m.e.r.-beoordeling). Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 15 oktober 2009, C-255/08. Verweerder dient bij die beoordeling de gevolgen van het project, in dit geval de wijziging,

te betrekken.

De voorzieningenrechter overweegt dat in het bestreden besluit uitgebreid is beschreven welke aspecten bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde dienen te komen, doch de toepassing van die aspecten op dit geval maar mager is toegelicht. Er wordt niet voldoende specifiek ten aanzien van dit project aangegeven waarom daarvoor geen m.e.r behoeft te worden uitgevoerd. Daarvoor was naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval te meer aanleiding omdat het betreft een motorcrossterrein waarvan de openingstijden net onder de drempelwaarde van 8 uur per week zit, terwijl het terrein op zichzelf een oppervlakte van meer dan 5 hectare heeft. Voorts is van belang dat het motorcrossterrein aan drie zijden wordt omringd door gronden, die in het bestemmingsplan Buitengebied Zelhem 2011 de bestemming “Natuur” hebben. In de toelichting bij dit bestemmingsplan wordt in hoofdstuk 5, “Beleidsvisie voor het buitengebied”, onder punt 5.2 “gebiedsbestemmingen” onder het kopje “Bos/Natuur” overwogen dat de bestaande bos- en natuurgebieden apart zijn bestemd als Bos of Natuur en dat de bestemming Natuur bestaat uit de gebieden die zijn aangewezen als Ecologische Hoofdstructuur. Het motorcrossterrein is aldus kennelijk nabij de Ecologische Hoofdstructuur gelegen.

Daarenboven krijgt de dichtstbijzijnde woning, die is gelegen aan de [adres], door de met het bestreden besluit vergunde activiteiten, een geluidsbelasting van boven de grenswaarden uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. In een dergelijk geval kan verweerder de vergunning, zoals ter zitting door hem meerdere malen is gesteld, weliswaar verlenen, maar daarbij dient verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel extra goed te motiveren en af te wegen waarom van die grenswaarden wordt afgeweken. Deze motivering ziet de voorzieningenrechter niet in het bestreden besluit. Daarbij wijst de voorzieningenrechter er nog op dat voormelde woning aan de [adres] ten tijde van de beoordeling van de oorspronkelijke milieuvergunning nog beschouwd werd als beheerderswoning, daarom destijds onderdeel uitmaakte van de inrichting en daarmee niet geluidgevoelig was.

Op basis van het voorgaande is de voorzieningenrechter er nog niet van overtuigd dat het bestreden besluit op het punt van de m.e.r.-beoordeling alsmede de motivering van het afwijken van de grenswaarden, voldoende is gemotiveerd. De voorzieningenrechter twijfelt aldus aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Dit is een belangrijk, maar nog niet het enige belang dat de voorzieningenrechter dient te betrekken bij de vraag of er een voorziening getroffen dient te worden en zo ja, welke.

Wat betreft de belangen van verzoekers, die bestaan eruit dat zij een naar hun mening onduldbare toename van vooral geluidsoverlast niet hoeven te accepteren. Voorts staat aan de zijde van verzoekers het belang dat een rechtens onjuist besluit niet in werking moet treden.

Wat betreft de belangen van vergunninghouder is ter zitting toegelicht dat zijn belang om gebruik te kunnen maken van de verleende omgevingsvergunning daaruit bestaat, dat zijn leden graag gebruik willen maken van de vergunde mogelijkheden. Daarnaast heeft hij er belang bij om de wedstrijd in het weekend van 15 en 16 augustus 2015 door te laten gaan; de uitnodigingen daarvoor zijn al verzonden en een internationaal deelnemersveld heeft deelname toegezegd.

Na een weging van deze belangen, waarbij, het is al gezegd, het voorlopig rechtmatigheidsoordeel zwaar weegt, komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het belang van vergunninghouder niet opweegt tegen dat van verzoekers. Hij zal het bestreden besluit om die reden schorsen. Wel ziet hij aanleiding om te bepalen, dat de wedstrijd van 15 en 16 augustus 2015 doorgang kan vinden onder de voorschriften van de bij besluit van 30 maart 2015 verleende omgevingsvergunning, gelet op de specifieke belangen die vergunninghouder hierbij heeft.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder ten slotte in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Voorts veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de door verzoeker [verzoeker 2] die daarom heeft gevraagd, gemaakte reiskosten ter hoogte van € 19.

De door verzoekers geclaimde kosten van [medewerker], medewerker van De Roever Omgevingsadvies, komen niet voor vergoeding in deze procedure in aanmerking, omdat zijn inbreng niet heeft bijgedragen aan toewijzing van de voorziening.

Beslissing

De voorzieningenrechter;

schorst het bestreden besluit van 30 maart 2015;

bepaalt dat de motorcrosswedsrijd van 15 en 16 augustus 2015 doorgang mag vinden op basis van de voorschriften van het besluit van 30 maart 2015;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers ten bedrage van € 980 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 19 aan reiskosten van verzoeker [verzoeker 2];

gelast dat verweerder het door verzoekers betaalde griffierecht groot € 167, aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.G.J. Litjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

Griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.