Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:4313

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-07-2015
Datum publicatie
02-07-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 8132
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfbelasting. Partnerbegrip. Artikel 1a Successiewet. Driejaarseis. Gelijkheidsbeginsel. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0226
FutD 2015-1695 met annotatie van Fiscaal up to Date
ERF-Updates.nl 2015-0257
V-N Vandaag 2015/1443
V-N 2015/44.2.4
De redactie annotatie in NTFR 2015/2269

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 14/8132

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 juli 2015

in de zaak tussen

drs. [X], te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Zwolle, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2013 een aanslag erfbelasting (aanslagnummer [000]) van € 22.578 opgelegd. Tevens is bij beschikking € 741 belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 oktober 2014 de aanslag erfbelasting gehandhaafd en bij afzonderlijke beschikking de belastingrente verminderd met € 175.

Eiser heeft daartegen bij brief van 29 oktober 2014 opnieuw bezwaar gemaakt bij verweerder. Verweerder heeft deze brief aangemerkt als een beroepschrift en doorgezonden aan de rechtbank, waar het op 20 november 2014 is ontvangen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2015. Eiser is verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. [gemachtigde].

Overwegingen

Feiten

1. Op [2013] is overleden [A], geboren op [1947] (hierna: erflater). Erflater was ten tijde van zijn overlijden ongehuwd en niet geregistreerd als partner in de zin van het geregistreerd partnerschap. Enig erfgenaam van erflater is diens tweelingbroer, eiser.

2. Eiser staat sinds 19 augustus 2010 ingeschreven op hetzelfde adres als erflater aan de [A-straat 1] te [Z].

3. Met dagtekening 23 september 2014 is de aanslag erfbelasting opgelegd conform de ingediende aangifte. De totale verkrijging is berekend op € 77.317. Na aftrek van een vrijstelling van € 2.057 is de belaste verkrijging vastgesteld op € 75.260. De aanslag erfbelasting, exclusief belastingrente, is berekend op € 22.578 (30% van € 75.260).

Geschil

4. In geschil is de aanslag erfbelasting. Meer in het bijzonder is in geschil of eiser kan worden aangemerkt als partner in de zin van artikel 1a van de Successiewet 1956.

5. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij moet worden aangemerkt als partner in de zin van de Successiewet 1956. De eis dat er zes maanden voorafgaand aan het overlijden een notarieel samenlevingscontract met een wederzijdse zorgverplichting moet zijn geweest om als partner te worden aangemerkt (artikel 1a, eerste lid, onder c, en tweede lid, van de Successiewet 1956), is volgens eiser in strijd met het gelijkheidsbeginsel en staat niet in proportie tot het doel van die eis. Er is volgens eiser sprake van ongelijke behandeling omdat de termijn van 6 maanden onderscheid maakt tussen erflaters met een mediane overlevingstijd na diagnose van korter dan 6 maanden en erflaters met een langere mediane overlevingstijd. De mediane overlevingstijd na diagnose van erflater was korter dan 6 maanden, waardoor tussen erflater en eiser geen notarieel samenlevingscontract meer kon worden opgemaakt.

6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanslag erfbelasting terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Beoordeling van het geschil

7. Artikel 1a van de Successiewet 1956 (hierna: SW) luidt voor zover van belang als volgt:

“1. In afwijking van artikel 5a, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen worden voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen twee ongehuwde personen slechts als partner aangemerkt indien zij gedurende de in het tweede lid genoemde periode:

a. beiden meerderjarig zijn;

b. op hetzelfde woonadres staan ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende administratie buiten Nederland;

c. ingevolge een notarieel samenlevingscontract een wederzijdse zorgverplichting hebben;

d. geen bloedverwanten in de rechte lijn zijn, en

e. niet met een ander aan de in de onderdelen a tot en met d genoemde voorwaarden voldoen.

2. De in de aanhef van het eerste lid bedoelde periode is:

a. voor de bepalingen die zien op de heffing van erfbelasting: zes maanden voorafgaand aan het overlijden dat aanleiding is tot de heffing van erfbelasting;

b. voor de bepalingen die zien op de heffing van schenkbelasting: twee jaar voorafgaand aan de schenking.

3. De in het eerste lid, onderdeel c, gestelde voorwaarde geldt niet voor personen die tot het tijdstip van het overlijden of de schenking gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf jaren staan ingeschreven op hetzelfde woonadres in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende administratie buiten Nederland.

(…)”

8. Eiser stond ten tijde van het overlijden van erflater niet ten minste vijf jaren op hetzelfde woonadres ingeschreven als erflater. Om die reden dient te worden voldaan aan de eisen die zijn gesteld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel a tot en met e, van de SW. Eiser en erflater hebben geen notarieel verleden samenlevingscontract gesloten en eiser voldoet dus niet aan artikel 1a, eerste lid, onderdeel c, van de SW. Eiser kan derhalve niet worden aangemerkt als partner in de zin van de SW.

9. Eiser heeft gesteld dat de zes maanden-eis in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Eiser heeft daarbij verwezen naar het gelijkheids- en nondiscriminatiebeginsel dat in de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) is neergelegd.

10. Artikel 51, eerste lid, van het Handvest bepaalt het volgende:

“ Toepassingsgebied

1. De bepalingen van dit Handvest zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. (…).”

11. Op grond van artikel 51 van het Handvest is het gelijkheidsbeginsel van de artikelen 20 en 21 van het Handvest niet van toepassing op de aanslag erfbelasting die eiser betwist omdat verweerder bij die aanslag geen Unierecht ten uitvoer brengt.

12. De rechtbank zal eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel opvatten als een beroep op artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en, daarnaast, op artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).

13. De rechtbank stelt voorop dat de vraag of sprake is van gelijke gevallen dient te worden bezien vanuit de doelstelling van de regeling. Beoordeeld dient te worden met welke redenen de wetgever een onderscheid heeft gemaakt. Verder is van belang dat aan de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of voor toepassing van artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd, tenzij dat oordeel van redelijke grond ontbloot is (vgl. EHRM 22 juni 1999, nr. 46757/99, zaak Della Ciaja/Italië, LJN: AV1935 en EHRM 10 juni 2003, nr. 27793/95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, LJN: AV4014).

14. De (zeer) ruime marge waarbinnen een nationale wetgever haar eigen afwegingen kan maken leidt ertoe dat de Nederlandse rechter, die wegens het verbod daartoe in de Grondwet niet bevoegd is om de innerlijke waarde van de nationale wet te beoordelen, zich ook bij toetsing van nationale wetgeving aan de Europese wetgeving terughoudend dient op te stellen.

15. De zes maanden-termijn is bij de parlementaire behandeling uitvoerig aan de orde geweest. Deze termijn dient te worden beoordeeld in samenhang met de uitbreiding van het partnerbegrip in de SW. De wetgever heeft er bij de uitbreiding van het partnerbegrip in de SW bewust voor gekozen, ingeval van overlijden, een minimale tijdsduur van zes maanden als voorwaarde te stellen.

“De gedachte die ten grondslag ligt aan het partnerbegrip, is in de eerste plaats de wederzijdse, die naar voren komt in een rechtens afdwingbaar recht. In het Burgerlijk Wetboek is de wederzijdse zorgplicht opgenomen voor echtgenoten en geregistreerde partners. Anderen die een dergelijke afdwingbare verplichting willen aangaan, zullen daar zelf in moeten voorzien. Een gebruikelijke methode is het maken van afspraken die worden vastgelegd in een samenlevingscontract bij de notaris. Dit is een goed handhaafbaar en controleerbaar criterium. De tweede gedachte die ten grondslag ligt aan de verhoogde vrijstelling voor de partner is de verwachtingswaarde voor de partner volgend uit het gevoel niet «verrijkt» te zijn.”

(…)

“Er wordt bij samenwoners die op grond van de hiervoor bedoelde omschrijving als partner worden aangemerkt, een minimale tijdsduur gesteld aan de samenwoning om misbruik van de gunstige tarieven en vrijstellingen te voorkomen. Ingeval van overlijden is dat zes maanden. Schenkingen zijn te voorzien en te plannen. Daarom is bij schenking voor de termijn dat de gemeenschappelijke huishouding moet zijn gevoerd om in aanmerking te komen voor de bij het partnerschap behorende faciliteiten een termijn van twee jaar opgenomen.”

Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 3, blz. 6-7.

“In het voorgestelde artikel 1a van de Successiewet 1956 is een nieuwe definitie van het begrip «partner» opgenomen. Daaronder wordt naast de echtgenoot (inclusief geregistreerde partner) mede verstaan degene die met de erflater of schenker, nadat beiden meerderjarig zijn geworden, samenwoonde, hetgeen blijkt uit inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres. Er moet een notarieel samenlevingscontract zijn met daarin een wederzijdse zorgplicht. De samenwoners mogen niet aan elkaar verwant zijn via de rechte lijn. De gemeenschappelijke huishouding moet tot het moment van de verkrijging hebben bestaan en wel bij een verkrijging krachtens erfrecht ten minste zes maanden en bij schenking ten minste twee jaar. Deze termijnen worden gesteld om misbruik te voorkomen.”

Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 3, blz. 27.

“De aanpassing van het partnerbegrip hangt samen met de reeds langer bestaande wens tot uniformering van het partnerbegrip in de fiscale wetgeving. Voor de inkomstenbelasting is daar in de loop der tijd een voornemen tot het voorinvullen door de Belastingdienst van de aangifte bij gekomen. Objectieve en kenbare criteria zijn dan onontbeerlijk. Bij de formulering van het partnerbegrip voor de Successiewet 1956 komt daar nog bij dat dit een wet is die sterk leunt op het burgerlijk recht. Mede hierom is de keuze gemaakt ook voor de partner aan te sluiten bij formele, objectief kenbare en goed controleerbare kenmerken.”

Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 9, blz. 30.

16. Uit deze weergave van de parlementaire behandeling volgt dat de wetgever heeft gekozen voor uniformering van het partnerbegrip en daarbij uitgaat van formele, objectief kenbare en goed controleerbare kenmerken. Die kenmerken komen tot uitdrukking in de eis dat twee ongehuwde personen pas als partner kunnen worden aangemerkt als zij ten tijde van het overlijden gedurende zes maanden ingeschreven staan op hetzelfde woonadres en zij gedurende eenzelfde periode een notarieel samenlevingscontract hebben waaruit een wederzijdse zorgverplichting blijkt. Daarnaast blijkt dat de wetgever de termijn van zes maanden heeft gesteld om misbruik van de gunstige tarieven en vrijstellingen te voorkomen.

17. De rechtbank is van oordeel dat de wetgever binnen de door hem toekomende ruime beoordelingsmarge is gebleven door voor ongehuwden de zes maanden-eis als voorwaarde te stellen om als partner voor de SW te worden aangemerkt. Vanuit het oogpunt van het voorkomen van misbruik van gunstige fiscale faciliteiten, is de termijn van zes maanden niet zodanig lang dat sprake is van onevenredigheid. Van een ongelijke behandeling die in strijd is met het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel is dan ook geen sprake.

18. Uit het voorgaande volgt dat verweerder, zonder in strijd te komen met het gelijkheidsbeginsel, twee ongehuwde personen voor de SW eerst als partner mag aanmerken en de hoge vrijstelling en het lage tarief van de SW mag toepassen, als voldaan is aan de criteria van artikel 1a van de SW. Daaruit volgt ook dat verweerder zonder in strijd te komen met het gelijkheidsbeginsel eiser niet als partner heeft aangemerkt omdat niet voldaan is aan de criteria van artikel 1a van de SW.

19. De omstandigheid dat eiser en zijn broer, anders dan anderen, door de medische omstandigheden van laatstgenoemde niet meer in staat waren om een notarieel samenlevingscontract op te maken en door de korte overlevingstijd na de diagnose ook geen zes maanden meer hadden, is vanuit de doelstelling van artikel 1a van de SW niet relevant. Eiser heeft verder niet gesteld dat verweerder in vergelijkbare gevallen wel de hoge vrijstelling en het lage tarief heeft toegepast. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel treft ook in dat opzicht geen doel.

20. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

21. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.W.H. van Brandenburg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 2 juli 2015

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.