Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:4266

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-05-2015
Datum publicatie
30-06-2015
Zaaknummer
272986
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Art 7:930 en 7:928 BW. Mededelingsplicht geschonden. Vragenlijst, hiermee heeft verzekeraar het terrein van de mededelingsplicht beperkt (art 7:928 lid 6 BW). Niet gemelde klacht niet van belang voor beoordeling risico. Verzekeraar moet uitkering woonlastenverzekering blijven doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/381
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/272986 / HA ZA 14-614

Vonnis van 6 mei 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. A.B.M. Pessers te Tilburg,

tegen

de naamloze vennootschap N.V. SCHADEVERZEKERING-MAATSCHAPPIJ BOVEMIJ.,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagde,

advocaat mr. E.J. Wervelman te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en Bovemij genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 7 januari 2015

- de conclusie van antwoord in reconventie

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 23 februari 2015

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 16 juni 2009 heeft [eiser] bij Bovemij een aanvraag voor een woonlastenverzekering ingediend, genaamd inkomensbeschermingsplan Bovemij. Daarbij heeft [eiser] een zogeheten medische verklaring ingevuld.

2.2.

Eén van de vragen op de medische verklaring luidt: “Heeft u (…) in de laatste 5 jaar een arts/specialist geraadpleegd voor (…) gewrichtsklachten (…)”. [eiser] heeft deze vraag met nee beantwoord.

2.3.

De verzekeringsovereenkomst is vervolgens tot stand gekomen met ingang van 29 juli 2009. Op grond van deze overeenkomst heeft [eiser], kort samengevat, recht op een maandelijkse uitkering van € 433,- per maand indien hij minimaal 35% arbeidsongeschikt is. Er geldt een wachttijd van 365 dagen. Het recht op de uitkering eindigt op 1 augustus 2014

2.4.

Op 5 november 2010 heeft [eiser] zich ziek gemeld bij zijn toenmalige werkgever.

2.5.

Op 21 augustus 2012 heeft [eiser] een melding arbeidsongeschiktheid gedaan bij Bovemij. Op dat formulier heeft [eiser] aangegeven dat hij – vanwege psychische klachten – een WIA uitkering ontvangt en dat de mate van arbeidsongeschiktheid 100% is. Voorts heeft hij aangegeven last van mensen te hebben, bijna de deur niet meer uit te komen en dat het erg bezwaarlijk is voor hem om ergens heen te gaan. Hij heeft voorts aangegeven dat hij deze klachten sedert 1 maart 2009 ervaart en dat hij hiervoor in 2009 gedurende drie maanden in behandeling is geweest.

2.6.

Bij brief van 7 december 2012 heeft Bovemij [eiser] bericht dat hij recht heeft op een uitkering van € 433,- per maand, met ingang van 5 november 2011.

2.7.

Op 9 september 2013 heeft Bovemij psychiater J.J.D. Tilanus verzocht een psychiatrische expertiserapport betreffende [eiser] uit te brengen. Op 9 oktober 2013 heeft Tilanus [eiser] onderzocht en daarvan is op 8 november 2013 rapport uitgebracht. In dat rapport is onder meer vermeld dat hij in het verleden cocaïne heeft gebruikt en dat hij vanaf zijn 20e veel heeft geblowd (dagelijks twee joints met stuf of hasj, soms wiet).

2.8.

Bij brief van 22 november 2013 heeft Bovemij aan [eiser] bericht gelezen te hebben dat [eiser] in het verleden kruisbandletsel heeft gehad: “Om na te gaan of de acceptatieprocedure indertijd correct heeft plaatsgevonden, gaat de medisch adviseur nader onderzoeken of er sprake is van het nakomen van de mededelingsplicht (...).

2.9.

Bij brief van 7 januari 2014 heeft Bovemij [eiser] bericht:

“(…) Op 24 december 2013 is aanvullende informatie van de huisarts ontvangen. Uit die informatie blijkt dat verzekerde op 22 augustus 2008 voor het eerst is gezien door zijn huisarts in verband met knieklachten. Verzekerde heeft toen eerst fysiotherapie gehad. Omdat de klachten niet minder werden is verzekerde uiteindelijk in november 2008 doorverwezen naar een orthopeed. Die heeft een scopie verricht, waaruit een partieel achterste kruisbandletsel bleek. Dat is conservatief behandeld. Verzekerde is niet meer bij de huisarts teruggezien voor dat letsel.

Verzekerde heeft op 16 juni 2009 de medische verklaring van de ‘aanvraag woonlasten-verzekering’ ondertekend. Verzekerde had op de medische verklaring de vraag: ‘Heeft u voor hart- en/of vaatklachten, enige vorm van kanker of psychische klachten ooit een arts/specialist geraadpleegd en/of in de laatste 5 jaar een arts/specialist geraadpleegd voor: (chronische) luchtwegklachten, bloeddruk, bloedonderzoek (o.a. op cholesterol), epilepsie, leverklachten, nierklachten, maag- en/of darmklachten, (chronische) spier en/of gewrichtsklachten (waaronder rugklachten), suikerziekte of een andere ernstige ziekte?’ met ‘JA” moeten beantwoorden.

Verzekerde had daardoor een uitgebreide gezondheidsverklaring in moeten vullen. Op die

gezondheidsverklaring had verzekerde het gebruik van cannabis en cocaïne, zoals dat uit de

psychiatrische expertise naar voren kwam, aan moeten geven. In het expertise rapport staat dat

verzekerde vanaf zijn twintigste levensjaar gemiddeld 2 joints per dag rookte. Verzekerde is daarmee gestopt een halfjaar nadat hij zijn baan verloor. Hij werd er paranoia van. Jaren geleden gebruikte verzekerde bovendien gemiddeld 10 keer per jaar cocaïne of een pilletje. Dit drugsgebruik wordt aangemerkt als “zwaar gebruik”. Met de ware kennis van de bovenstaande feiten zou bij de aanvraag van de woonlastenverzekering een afwijzend acceptatieadvies gegeven zijn.” Een kopie van de aanvraag woonlastenverzekering” vindt u in de bijlage van deze brief.

Als verzekeraar hadden wij dit afwijzend advies voor de verzekeringsaanvraag opgevolgd. Dit heeft de volgende gevolgen voor uw verzekering en arbeidsongeschiktheidsclaim.

Uw verzekering wordt vanaf 7 januari 2014, ofwel de datum van deze berichtgeving, beëindigd. De vanaf deze datum teveel betaalde verzekeringspremie wordt aan u gerestitueerd. U ontvangt daar afzonderlijk bericht over van de Callas administratiegroep.

Bovendien wijzen wij uw claim op uw Woongarant lnkomensbeschermingsplan af. De verzekering zou immers niet tot stand gekomen zijn. (…)”

3 De vordering en het verweer in conventie

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal verklaren voor recht, dat de overeenkomst tussen Bovemij en [eiser], waarbij [eiser] gerechtigd is bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35% of meer tot een maandelijkse uitkering van € 433,- van 1 augustus 2009 tot en met 1 augustus 2024, geldt en Bovemij geen beroep toekomt tot opzegging dan wel ontbinding van die overeenkomst, Bovemij zal veroordelen te betalen aan [eiser] de somma van € 433,- per maand ter zake uitkeringen op grond van de tussen partijen bestaande overeenkomst vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 juli 2023 zolang die arbeidsongeschiktheid voortduurt, de termijnen verstrijkende vanaf de datum van de dagvaarding, steeds vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de zevende dag nadat die termijnen verschuldigd zijn en onbetaald zijn gebleven, met veroordeling van Bovemij in de proceskosten.

3.2.

[eiser] stelt daartoe dat hij op grond van de met Bovemij gesloten overeenkomst, gelet op zijn arbeidsongeschiktheid, recht heeft op betaling van € 433,- per maand en dat Bovemij de verzekering ten onrechte heeft beëindigd. Primair stelt [eiser] hij dat Bovemij in de vragenlijst naar ernstige ziektes vroeg en die waren er niet geweest. Voorts geldt dat Bovemij zich bedient van De Hypotheker als tussenpersoon en dat op de computer van deze tussenpersoon het formulier is ingevuld. Subsidiair stelt [eiser] dat de niet-medegedeelde feiten niet van belang zijn voor de beoordeling van het risico zoals zich dat nu heeft ontwikkeld (art. 7:930 lid 2 BW). Ten slotte stelt [eiser] dat de verzekeraar de overeenkomst niet binnen de wettelijke termijn van twee maanden heeft opgezegd. Het gestelde drugsgebruik wordt betwist.

3.3.

Bovemij voert gemotiveerd verweer, waarop hierna wordt ingegaan.

4 De vordering en het verweer in reconventie

4.1.

Bovemij vordert dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] zal veroordelen om aan haar te voldoen een bedrag van € 11.200,27, te vermeerderen met de wettelijke rente sedert de data van de deelbetalingen waarop die betaling is gebaseerd, althans sedert 17 december 2014 tot de dag van de algehele voldoening en met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

4.2.

Bovemij stelt daartoe dat [eiser] bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst vragen op de medische verklaring met ‘ja’ had moeten beantwoorden omdat hij in augustus en november 2008 voor knieklachten bij zijn huisarts is geweest en voorts, daarna bij een orthopeed. Indien hij deze verklaring met ‘ja’ had beantwoord, had hij een uitgebreide gezondheidsverklaring moeten invullen en daarin zou hem naar het gebruik van drugs zijn gevraagd. Dan had [eiser] moeten antwoorden dat hij cannabis, pillen en cocaïne had gebruikt en dat hij vanaf zijn 20e jaar gemiddeld twee joints per dag rookte waarmee hij, kort nadat hij zijn baan verloor, is gestopt. Het drugsgebruik van [eiser] moet als ‘zwaar gebruik’ worden gedefinieerd en dat had er niet toe geleid dat Bovemij de aanvraag voor het sluiten van de verzekeringsovereenkomst had afgewezen c.q. geen polis zou zijn aangegaan. Bovemij verwijst hierbij naar de AOV-acceptatierichtlijnen Handleiding van de GAV en LifeGuide Guides. Bovemij heeft de overeenkomst daarom terecht met ingang van 7 januari 2014 beëindigd. Het eerder aan [eiser] betaalde bedrag, totaal € 11.200,27, is ten onrechte voldaan.

4.3.

[eiser] voert gemotiveerd verweer.

5 De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1.

De vorderingen in conventie en in reconventie hangen met elkaar samen en lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling.

5.2.

Tussen partijen staat vast dat [eiser], uitgaande van de inhoud van de woonlastenverzekering, jegens Bovemij recht heeft op de uitkering van € 433,- per maand.

5.3.

Kernvraag is of Bovemij een beroep toekomt op art. 7:930 lid 1 BW waarin is bepaald dat geen recht op uitkering op grond van een verzekeringsovereenkomst bestaat indien de verzekeringnemer ([eiser]) niet aan zijn in art. 7:928 BW neergelegde mededelingsplicht heeft voldaan.

5.4.

Art. 7:930 BW bepaalt dat, indien de mededelingsplicht ex art. 7:928 BW door verzekeringnemer is geschonden, alleen recht op uitkering bestaat indien, voor zover hier van belang, de niet of onjuist meegedeelde feiten van geen belang zijn voor de beoordeling van het risico, zoals dit zich heeft verwezenlijkt (art. 7:930 lid 2 BW)

In afwijking van lid 2 (en het hier niet ter zake doende lid 3) is geen uitkering verschuldigd indien de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten (art. 7:930 lid 4 BW).

Bedoelde mededelingsplicht houdt in dat de verzekeringnemer verplicht is “vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen’ (art. 7:928 lid 1 BW). In lid 6 van art. 7:928 BW is echter bepaald dat, als de verzekering is gesloten op de grondslag van een door de verzekeraar opgestelde vragenlijst, deze zich er niet op kan beroepen dat vragen niet zijn beantwoord, of feiten waarnaar niet was gevraagd, niet zijn medegedeeld, en evenmin dat een in algemene termen vervatte vraag onvolledig is beantwoord, tenzij is gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden.

5.5.

Het staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat [eiser] zijn mededelingsplicht bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst niet is nagekomen. In de medische verklaring is immers dor Bovemij gevraagd naar eventueel doktersbezoek wegens gewrichtsklachten. [eiser] wist of moest begrijpen dat hij vanwege zijn knieklachten in 2008, waarvoor hij drie keer bij een dokter was geweest, ‘JA’ had moeten antwoorden op deze vraag. Dat de medische verklaring door of op het kantoor van de Hypotheker is ingevuld maakt dit niet anders omdat de vragen op de medische verklaring van Bovemij – onweersproken – door of namens hem zijn beantwoord.

5.6.

Omdat de verzekering is afgesloten op grond van een door Bovemij opgestelde vragenlijst, kan Bovemij zich er, zoals zij ook doet, niet op beroepen dat het gestelde (en door [eiser] overigens betwiste) drugsgebruik niet door [eiser] is medegedeeld. Dat volgt uit art. 928 lid 6 BW waarin de wetgever de mededelingsplicht bij gebruik van een vragenlijst heeft ingeperkt tot de gegevens (feiten) waarnaar in die lijst wordt gevraagd. De rechtbank tekent hierbij volledigheidshalve aan dat niet is gesteld of gebleken dat [eiser] heeft gehandeld met de opzet om Bovemij te misleiden.

5.7.

Het staat vast, Bovemij stelt dit immers niet, dat de knieklachten van geen belang waren voor de beoordeling van het risico zoals zich dat heeft verwezenlijkt. Gelet op art. 7:930 lid 2 BW heeft [eiser] dus wel recht (r.ov. 5.2.) op uitkering op grond van de gesloten woonlastenverzekering.

5.8.

Bovemij stelt dat zij de verzekering niet zou hebben afgesloten indien zij de ‘ware stand van zaken’ zoals omschreven in art. 7:930 lid 4 BW had gekend. Met ‘ware stand van zaken’ lijkt Bovemij te bedoelen het volgens haar vast staande drugsgebruik van [eiser] zoals omschreven in het rapport van psychiater (r.ov. 2.7.). Bovemij miskent echter dat met ‘ware stand van zaken’ wordt gedoeld op het onderwerp van de niet-nagekomen mededelingsplicht. Art. 7:930 BW regelt immers de gevolgen van de in art. 7:928 BW bepaalde mededelingsplicht van een verzekeringnemer en bouwt dus als het ware voort op die bepaling. Een andere uitleg zou bovendien betekenen dat de omvang van mededelingsplicht telkens zou worden bepaald door de vraag wat de gevolgen van de later aan de verzekeraar gebleken ‘ware stand van zaken’ zijn (dan wel door het in art. 7:928 lid 1 BW neergelegde criterium zou worden bepaald) en dat art. 7:928 lid 6 BW overbodig of zonder betekenis zou zijn. Deze uitleg is derhalve in strijd met de bepalingen aangaande de mededelingsplicht van een verzekeringsnemer en de gevolgen van het niet nakomen van die verplichting door hem of haar.

5.9.

Samengevat oordeelt de rechtbank dat Bovemij het terrein van de mededelingsplicht heeft beperkt (art. 7:928 lid 6 BW) door het gebruik van een vragenlijst. In die lijst is niet naar drugsgebruik gevraagd. Het niet nakomen van de mededelingsplicht betreft enkel de niet-gemelde knieklachten. Die klachten hadden, indien Bovemij ter zake de ware stand van zaken had gekend, niet geleid tot het afwijzen van de aanvraag van [eiser]. De ‘ware stand van zaken’ in art. 7:928 lid 4 BW ziet op de feiten die op grond van art. 7:928 lid 6 BW onderwerp van de mededelingsplicht waren en dus niet op de vraag of sprake was van drugsgebruik zoals vermeld in het rapport van psychiater Tilanus.

5.10.

De slotsom is dat Bovemij geen beroep op art. 7:930 (lid 4) BW toekomt, dat zij de verzekeringsovereenkomst niet kon opzeggen en dat zij gehouden is [eiser] € 433,- per maand te betalen zolang hij 35% of meer arbeidsongeschikt is.

5.11.

De vorderingen in conventie worden toegewezen en in reconventie afgewezen. Bovemij wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten veroordeeld.

6 De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1.

verklaart voor recht, dat de overeenkomst tussen Bovemij en [eiser] waarbij [eiser] gerechtigd is bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35% over meer tot een maandelijkse uitkering van € 433,00 van 1 augustus 2009 tot en met 1 augustus 2024 geldt en Bovemij geen beroep toekomt tot opzegging dan wel ontbinding van die overeenkomst;

6.2.

veroordeelt Bovemij te betalen aan [eiser] de somma van € 433,- per maand ter zake uitkeringen op grond van de tussen partijen bestaande overeenkomst vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 juli 2023 zolang die arbeidsongeschiktheid voortduurt, de termijnen verstrijkende vanaf 24 oktober 2014 steeds vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de zevende dag nadat die termijnen verschuldigd zijn en onbetaald zijn gebleven,

6.3.

veroordeelt Bovemij in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [eiser] begroot op € 93,80 aan dagvaardingskosten, € 608.00 aan griffierecht en € 1.782,- aan salaris voor de advocaat;

in reconventie

6.4.

wijst de vordering af;

6.5.

veroordeelt Bovemij in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [eiser] begroot op € 482,- aan salaris voor de advocaat;

in conventie en in reconventie

6.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Engberts en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2015.