Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:4212

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
02-07-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 3808
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge Wet WIA; als gevolg van besluit op bezwaar is eiser een week opgenomen op de afdeling psychiatrie van het ziekenhuis; in beroep alsnog toekenning WIA-uitkering; immateriële schadevergoeding verzocht en toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 14/3808

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M.C. Frissart-Kallenbach),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2013 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij met ingang van 14 januari 2014 (datum in geding) geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

Bij besluit van 6 mei 2014 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Hofmans-Lim. Het onderzoek is ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen te reageren op de verzoeken van eiser ter zitting en - zoals al was aangekondigd in verweerders brief van 5 maart 2015 - een gewijzigd besluit te nemen.

Bij besluit van 16 maart 2015 heeft verweerder het besluit van 6 mei 2014 ingetrokken en eiser alsnog een zogeheten IVA-uitkering toegekend, onder vergoeding van de proceskosten in bezwaar.

Eiser heeft op 31 maart 2015 en 23 april 2015 reacties ingezonden en verweerder op 15 april 2015. Nadat partijen toestemming hebben verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet op 17 januari 2012 ziek gemeld vanwege psychische klachten. Verweerder heeft aanvankelijk een WIA-uitkering geweigerd. Bij besluit op bezwaar van 16 maart 2015, welk besluit het besluit op bezwaar van 6 mei 2014 heeft vervangen, is eiser alsnog per 14 januari 2014 een WIA-uitkering toegekend, te weten een zogeheten IVA-uitkering.

2. Bij brief van 31 maart 2015 heeft eiser aangegeven dat het nieuwe besluit op bezwaar geen aanleiding geeft tot commentaar. Wel handhaaft eiser het verzoek om proceskosten, wettelijke rente en het verzoek om vergoeding van de immateriële schade.

Met betrekking tot de gestelde immateriële schade heeft eiser aangegeven dat zijn toestand is verslechterd als gevolg van de besluitvorming van verweerder. Hij heeft gewezen op de verklaring van zijn coach [naam] van 20 maart 2015 waarin staat dat het in december 2013, toen de WIA-uitkering werd afgewezen, al veel slechter ging met hem. Voorts heeft de hernieuwde afwijzing in het besluit op bezwaar van 6 mei 2014 op 14 mei 2014 geleid tot een opname van een week op de afdeling psychiatrie van het Radboudumc. De situatie is nadien alleen maar slechter geworden volgens eiser en feitelijk is het coachingtraject sedert mei 2014 “on hold” gezet. Dat de WIA-afwijzing een verslechtering van de gezondheidstoestand van eiser tot gevolg heeft gehad blijkt ook uit de brief van psychiater Muntjeswerff van 10 juni 2014. In die brief heeft de psychiater de redenen van de opname op 14 mei 2014 vermeld. Ook blijkt de verslechtering volgens eiser uit de eerdere brief van [naam] van 5 februari 2015 en uit de verklaring van zijn oudste dochter van 5 februari 2015.

Eiser acht zijn geval vergelijkbaar met de situatie waarover de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 8 januari 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BK9362) heeft geoordeeld en vindt dan ook, gelet op de aard, ernst en duur van de gevolgen, een vergoeding voor immateriële schade van € 7.500 op zijn plaats.

3. De rechtbank overweegt dat het beroep van eiser niet van rechtswege mede is gericht tegen het nieuwe besluit op bezwaar. Met dat besluit is verweerder immers inhoudelijk tegemoet gekomen aan het beroep van eiser waardoor hij onvoldoende belang heeft bij vernietiging van het nieuwe besluit op bezwaar.

Dat laat onverlet dat eiser, gezien het schadeverzoek en gelet op artikel 6:19, zesde lid, van de Awb, nog belang heeft bij vernietiging van het besluit van 6 mei 2014.

4. Op grond van het bepaalde in titel 8.4 van de Awb kan de rechtbank, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die de partij lijdt.

5. Voorop staat dat met het besluit van 16 maart 2015 is komen vast te staan dat het bestreden besluit van 6 mei 2014 onrechtmatig was.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) wordt een verzoek om vergoeding van immateriële schade beoordeeld door aansluiting te zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Wil een dergelijk verzoek toegewezen kunnen worden, zal vervolgens genoegzaam aannemelijk moeten zijn dat betrokkene zodanig onder een niet in stand gebleven besluit heeft geleden dat er sprake is van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een aantasting van zijn persoon in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek, alsmede dat dit nadeel in een zodanig verband staat met het niet in stand gebleven besluit, dat dit verweerder, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 11 mei 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA5133).

6. De rechtbank is van oordeel dat van de hiervoor beschreven situatie sprake is.

De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser, nadat hij kennis heeft genomen van de beslissing op bezwaar, gedurende een week is opgenomen op de afdeling psychiatrie van het Radboudumc. Dit nadeel staat in een zodanig verband met het niet in stand gebleven besluit op bezwaar, dat, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, dit verweerder als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend. De rechtbank heeft hierbij betrokken hetgeen Muntjeswerff en [naam] over (de redenen van) de opname hebben verklaard.

Uit de brief van Muntjeswerff blijkt dat om een crisisopname ging voor één week ter observatie van stemming, suïcidaliteit en slaappatroon. De psychiater heeft de diagnose PDD-NOS en depressieve stoornis, matig/ernstig gesteld, in welk verband eiser al eens eerder opgenomen is geweest op de afdeling psychiatrie van 19 augustus 2013 tot en met 1 november 2013 en aangegeven dat de gaf-score bij opname 41-50 bedroeg en bij ontslag 61-70. Vermeld is voorts dat eiser tijdens de evaluatie heeft aangegeven graag met ontslag te willen en erg uit te kijken naar de vakantie. Gezien de vooruitgang in stemming en slaappatroon en de afname van suïcidaliteit is akkoord gegaan met de ontslagdatum.

De rechtbank acht, gelet op de aard, de ernst en de duur van de gevolgen, een vergoeding van € 750,- billijk. Voor toekenning van een hoger bedrag bestaat geen aanleiding, aangezien de opname beperkt is gebleven tot een week en de toestand van eiser ten tijde van die opname is verbeterd. Voor wat de gevolgen voor eiser betreft kan naar het oordeel van de rechtbank alleen het “on hold” zetten van de coaching nog als het gevolg van de onrechtmatige besluitvorming worden aangemerkt. Eiser heeft onvoldoende concrete gegevens aangevoerd waaruit kan volgen dat er psychische beschadiging is ontstaan. Dat de behandeling door de psychiater is stopgezet is niet aannemelijk geworden.

De rechtbank begrijpt uit de stukken dat de situatie van eiser na mei 2014 uiteindelijk niet is verbeterd, maar overweegt dat dit niet in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van verweerder berust, dat dit, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. Daarbij wordt opgemerkt dat bij eiser reeds sprake was van PDD NOS en een depressieve stoornis.

Gelet op het vorenstaande kan het beroep van eiser op de genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 januari 2010 geen doel treffen nu de situatie in die zaak niet vergelijkbaar is met de onderhavige.

7. De rechtbank ziet voorts aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over het bedrag dat door verweerder zal worden nabetaald. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

8. De rechtbank ziet tevens aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser, die zijn begroot op € 980,- aan kosten van rechtsbijstand (1 punt beroepschrift en 1 punt voor de zitting) en € 45,06 ter zake van kosten voor het opvragen van medische gegevens. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Verweerder dient het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit op bezwaar van 6 mei 2014;

wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding toe tot een bedrag € 750,- en veroordeelt verweerder tot vergoeding van wettelijke rente als in overweging 7. van deze uitspraak is vermeld;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1025,06;

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L.A.T. Doll, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

Griffier

Rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.