Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:4143

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
30-06-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 6679
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BPM. Naheffingsaanslag. Koerslijst. Vertrouwensbeginsel. Afleveringskosten behoren niet tot de catalogusprijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1436
FutD 2015-1653
NTFR 2015/2344 met annotatie van mr. H.A. Elbert
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 14/6679

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 30 juni 2015

in de zaak tussen

[X], te [Z], eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Doetinchem, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft op 18 juli 2013 op aangifte € 2.929 belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) voldaan.

Verweerder heeft aan eiseres op 24 februari 2014 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000]) BPM opgelegd van € 1.848. Tevens is bij beschikking € 8 aan belastingrente (door verweerder heffingsrente genoemd) in rekening gebracht.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 6 maart 2014 bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 september 2014 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 15 september 2014, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2015.

Namens eiseres is zijn gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn verschenen
[gemachtigde] en [A].

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft op 9 juli 2013 in Duitsland een personenauto van het merk BMW, type [B] (hierna: de auto) gekocht voor een bedrag van € 23.100. Deze auto is voor het eerst tot de weg toegelaten op 26 april 2010.

2. Op 18 juli 2013 heeft eiseres aangifte gedaan voor de BPM voor de auto. De auto is op 6 augustus 2013 geregistreerd. In de berekening bij de aangifte is onder 3. bij de vraag welke methode wordt gekozen voor de vermindering op de BPM “Taxatierapport” aangekruist. Bij de aangifte is ook een taxatierapport gevoegd. Daarin is de handelsinkoopwaarde van de auto berekend op € 18.172 en de verschuldigde BPM op € 2.922. In dit rapport is de handelsinkoopwaarde berekend door op de koerslijstwaarde van [C] van € 25.788 een bedrag aan schade van € 7.616 in mindering te brengen. Eiseres heeft € 2.929 aan verschuldigde BPM op aangifte voldaan.

3. Ter zake van de auto heeft verweerder een bedrag van € 1.848 nageheven. Verweerder is hierbij uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van € 29.250 en een afschrijvingspercentage van 67,54%. Daarbij heeft verweerder zich gebaseerd op een taxatie van [D].

Geschil

4. In geschil is of de naheffingsaanslag BPM terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Beoordeling van het geschil

Vereiste aangifte

5. Verweerder heeft gesteld dat eiseres niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Daartoe heeft verweerder met name gewezen op het grote verschil tussen het bedrag dat eiseres voor de auto heeft betaald, de taxatie van [D] en de aangegeven handelsinkoopwaarde waarop de verschuldigde BPM is gebaseerd.

6. In artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is bepaald dat de rechtbank het beroep ongegrond dient te verklaren indien niet de vereiste aangifte is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast).

7. Naar vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, als aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van een of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van deze gebreken niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd, aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale bewijsregels van stelplicht en bewijslast (Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI: NL:HR:2009:BH1083).

8. Verweerder heeft zich als eerste beroepen op het eigen aankoopcijfer van de auto om aannemelijk te maken dat eiseres de vereiste aangifte niet heeft gedaan. De auto is gekocht op de Duitse markt van een autoleasebedrijf voor € 23.100. Bij de aangifte heeft eiseres zich gebaseerd op een koerslijstwaarde van € 25.788 waarop een bedrag van € 7.616 aan schade in mindering is gebracht, zodat aangifte is gedaan van een waarde van € 18.172, inclusief BTW en BPM. De maatstaf bij aangifte is de handelsinkoopwaarde van een vergelijkbare auto op de Nederlandse markt bij inkoop door een handelaar van een particulier. Verweerder constateert terecht dat het verschil tussen de aangegeven waarde en het bedrag dat eiseres voor de auto heeft betaald groot is. Die omstandigheid brengt echter niet mee dat eiseres zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven omdat de auto niet op de Nederlandse markt is gekocht en van een leasemaatschappij is gekocht en niet van een particulier waardoor het eigen aankoopcijfer een onvoldoende maatstaf vormt voor de waarde die bij aangifte gebruikt moet worden. De wijze waarop eiseres de waarde bij aangifte heeft berekend en het bedrag waarop de waarde van de auto is berekend, bieden evenmin voldoende grondslag voor het oordeel dat eiseres zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.

9. Verweerder heeft zich voorts beroepen op de handelsinkoopwaarde die in het taxatierapport van [D] is neergelegd om aannemelijk te maken dat eiseres de vereiste aangifte niet heeft gedaan. Die waarde kan echter niet als maatstaf worden gebruikt omdat het taxatierapport van [D] ten tijde van de aangifte niet bij eiseres bekend was, zodat zij zich op grond van dat rapport niet bewust moest zijn dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.

10. Uit het voorgaande volgt als conclusie dat artikel 27e van de AWR geen toepassing vindt.

Handelsinkoopwaarde

11. Verweerder heeft bij de naheffingsaanslag, evenals eiseres bij de aangifte, gekozen voor het onderbouwen van de handelsinkoopwaarde van de auto met een taxatierapport. Eiseres heeft onder andere bepleit dat deze waarde aan de hand van een koerslijst dient te worden vastgesteld. Zij heeft zich beroepen op het vertrouwensbeginsel omdat verweerder haar in de naheffingsaanslag de mogelijkheid heeft geboden om alsnog een andere methode van afschrijving te kiezen. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het gebruikelijk is om bij de aankondiging van een naheffing de belastingplichtige de mogelijkheid te bieden alsnog een koerslijst over te leggen. Dat deze mogelijkheid aan eiseres in de naheffingsaanslag nogmaals is geboden komt volgens verweerder doordat is vergeten om de betreffende passage uit de naheffingsaanslag te verwijderen.

12. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder overwogen dat het uitdrukkelijk geen beleid is dat in bezwaar alsnog een koerslijst kan worden toegepast. In de naheffingsaanslag is verweerder echter van dat beleid afgeweken door expliciet op te nemen dat eiseres een andere methode van afschrijving kan kiezen dan die is gebruikt. De omstandigheid dat de tekst van de naheffingsaanslag op dit punt berust op een fout, moet voor risico van verweerder komen. Het vertrouwen dat eiseres voor een andere methode van afschrijving mag kiezen, is in de uitspraak op bezwaar niet opgezegd omdat verweerder niet heeft onderkend dat aan eiseres, in afwijking van zijn beleid, in de naheffingsaanslag wederom de gelegenheid is geboden om voor een andere methode van afschrijving te kiezen.

13. Bij vaststelling van de handelsinkoopwaarde van de auto zal de rechtbank uitgaan van de meest gunstige koerslijst. Op basis van de [C]-koerslijst, die door eiseres bij de aangifte is overgelegd, bedraagt deze waarde € 25.788.

14. Partijen verschillen voorts van mening over de vraag of een bedrag voor schade aan de auto in aanmerking moet worden genomen. Gelet op de aard van de schade (steenslag, enkele deukjes en enkele krassen) in verhouding tot leeftijd en kilometerstand van de auto (bouwjaar 2010, 130.728 km.) is de rechtbank van oordeel dat deze schade is verdisconteerd in de koerslijstwaarde, zodat die waarde niet verlaagd dient te worden met een bedrag voor schadeherstel.

15. Uitgaande van het bovenstaande zal de rechtbank de handelsinkoopwaarde van de auto vaststellen op € 25.788.

Catalogusprijs

16. Partijen verschillen van mening over de te hanteren catalogusprijs. Ingevolge artikel 9, vierde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) wordt onder catalogusprijs verstaan de in Nederland door de fabrikant of importeur aan wederverkopers kenbaar gemaakte prijs welke naar zijn inzicht bij verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen. In die geadviseerde verkoopprijs is de belasting van personenauto’s en motorrijwielen zelf niet begrepen. Is een zodanige prijs niet bekend, dan wordt hij door vergelijking bepaald.

In de wetsgeschiedenis (Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 22 868, nr. 7, p. 53) is over de afleveringskosten het volgende opgemerkt:

“Welke positie, zo vragen deze leden ten slotte, nemen de afleveringskosten in ten aanzien van het prijsbegrip. De afleveringskosten blijven, evenals onder het regime van de bvb, buiten de maatstaf van heffing.”

17. De tekst van het huidige artikel 9, vierde lid, van de Wet BPM definieert het begrip catalogusprijs, mede in het licht van de wetsgeschiedenis, als de door de fabrikant of importeur aan wederverkopers kenbaar gemaakte prijs voor een personenauto of motorrijwiel welke naar zijn inzicht bij verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen, waaronder de afleveringskosten (kosten rijklaar maken) niet zijn begrepen. De rechtbank ziet geen aanleiding om het begrip catalogusprijs voor personenauto’s op een andere wijze uit te leggen omdat de catalogusprijs voor personenauto’s niet langer de maatstaf van heffing voor de BPM op personenauto’s is.

18. Eiseres stelt dat de kosten rijklaar maken tot de catalogusprijs horen omdat de fabrikant voor die kosten een adviesprijs geeft. Die omstandigheid betekent echter niet dat de kosten rijklaar maken daarmee onderdeel worden van de catalogusprijs van de auto. De kosten rijklaar maken voor de auto betreffen niet de prijs van de auto of van fabrieksopties waarmee de auto kan worden uitgerust, maar zien blijkens de officiële prijslijst op servicekosten, zoals het in- en uitwendig schoonmaken, en losse goederen, zoals een lampenset en een volle tank benzine.

19. Verder stelt eiseres, kort gezegd, dat de goedkeuring die in artikel 5.9 van het Kaderbesluit BPM is gegeven, niet in haar nadeel mag uitwerken.

Artikel 5.9 van het Kaderbesluit BPM (Besluit van 1 juli 2012, nr. BLKB2012/1106M; thans artikel 5.8 van het Besluit van 26 februari 2015, nr. 2015/151M) luidt voor zover van belang als volgt:

“bij aflevering worden diverse kosten in rekening gebracht (afleveringskosten) die niet tot de catalogusprijs behoren. Het gaat hier bijvoorbeeld om kosten van schoonmaken, kentekenbewijs, bijgeleverde benzine, vervoer naar de dealer en de zogenoemde 0-beurt. Deze kosten kunnen in de catalogusprijs zijn begrepen.

Goedkeuring

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed dat deze afleveringskosten niet in de catalogusprijs worden begrepen voor zover deze kosten reëel zijn.”

20. De goedkeuring in het Kaderbesluit ziet op de situatie dat afleveringskosten (kosten rijklaar maken) wel in de catalogusprijs van de fabrikant of importeurzijn begrepen, terwijl deze kosten niet kwalificeren als (onderdeel van de) catalogusprijs zoals die in de Wet BPM is gedefinieerd. De goedkeuring vormt dus niet de grond, zoals eiseres stelt, waarop de kosten rijklaar maken niet tot de catalogusprijs worden gerekend. De goedkeuring in artikel 5.9 van het Kaderbesluit werkt dan ook op geen enkele wijze in het nadeel van eiseres.

21. Verweerder wijst ter onderbouwing van de catalogusprijs naar het taxatierapport van [D] waarin de catalogusprijs is vastgesteld op € 90.102. [D] heeft de catalogusprijs gebaseerd op de catalogusprijs van de best te vergelijken auto (in dit geval merk BMW, type [E]) op de Nederlandse markt. Eiseres wijst ter ondersteuning van zijn stelling naar een prijslijst van de fabriek waarin de catalogusprijs is vastgesteld op € 91.538. Omdat geen van beide partijen het ‘geboortekaartje’ van de auto heeft overgelegd en vast staat dat het type auto van eiseres niet leverbaar was op de Nederlandse markt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht is uitgegaan van een prijs die door vergelijking is bepaald.

22. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de catalogusprijs van de auto op basis van artikel 9, vierde lid, van de Wet BPM alleen bestaat uit de prijs voor het voertuig en dat de kosten van het rijklaar maken van de auto hier niet onder vallen. Op grond van het bovenstaande dient uitgegaan te worden van een catalogusprijs van € 90.102.

Leeftijdskorting

23. Eiseres heeft zich op het standpunt heeft gesteld dat verweerder in strijd met artikel 110 van het VWEU handelt, doordat verweerder de BPM bij de naheffingsaanslag heeft berekend per datum aangifte en niet per datum registratie, zoals bij vergunninghouders op grond van artikel 8 van de Wet BPM gebeurt.

24. De rechtbank volgt eiseres op dat punt voor de berekening van de verschuldigde BPM. Doordat onderscheid wordt gemaakt tussen belastingplichtigen met en zonder vergunning, valt niet uit te sluiten dat voor de auto een hogere BPM wordt geheven dan die rust op reeds op het nationale grondgebied geregistreerde auto’s. Om het verschil tussen beide groepen belastingplichten ongedaan te maken dient de BPM herrekend te worden aan de hand van de afschrijvingspercentages van de tabel van artikel 8 van de Uitvoeringsregeling BPM.

Herberekening naheffingsaanslag

25. Op grond van het bovenstaande gaat de rechtbank uit een catalogusprijs van € 90.102 en een handelsinkoopwaarde van € 24.288. Dit betekent dat het afschrijvingspercentage 71,38 is. Bij een historische BPM van € 14.718 betekent dit dat eiseres € 4.212 aan BPM verschuldigd is. Herrekening van dit bedrag leidt tot een verschuldigd bedrag aan BPM per datum registratie van € 4.125[(1 -/- 0,6033)/(1 -/- 0,59497) * € 4.212].

26. Na aftrek van het op aangifte voldane bedrag van € 2.929 resteert als naheffing € 1.196. De naheffingsaanslag dient tot dat bedrag te worden verminderd.

27. Eiseres heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de belastingrente, zodat deze dienovereenkomstig wordt verminderd.

28. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond.

29. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.224 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 244, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- stelt de naheffingsaanslag BPM vast op € 1.196;

- vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.224;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 328 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. M. van Leeuwen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 30 juni 2015

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.