Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:4140

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-06-2015
Datum publicatie
25-06-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 846
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering inschrijving en tenaamstelling van een voertuig met een Engels kentekenbewijs. Artikel 4:6 van de Awb. Ne bis in idem. Niet-ontvankelijk verklaring van het beroep blijft wegens bijzondere omstandigheden achterwege. Toepasselijkheid Europese richtlijnen. Voertuig in de zin van Richtlijn 2007/37/EG. Bevoegdheid van de RDW en de Engelse autoriteit. Engelse kentekenbewijs ziet op het voertuig. Richtlijn 1999/37/EG. Beroep gegrond en vernietiging besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/846

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. S.J.C. Keulen),

en

de directie van de Dienst Wegverkeer (RDW) te Zoetermeer, verweerder.

Procesverloop

In de beslissing van 12 september 2014 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat het Voertuig Identificatie Nummer (VIN) voor het voertuig waarin het nummer 14827 is aangebracht (hierna: het voertuig), is vastgesteld, en is eiser uitgenodigd om het VIN in het voertuig te laten slaan. Voorts is meegedeeld dat het voertuig vervolgens geregistreerd zal worden in het nationale basisregister en zal worden overgegaan tot afgifte van een kentekenbewijs.

Bij besluit van 29 september 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de beslissing van 12 september 2014 ingetrokken, en besloten om de aanvraag van eiser voor inschrijving en tenaamstelling van het voertuig af te wijzen.

Bij besluit van 9 januari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. S.J.C. Keulen, advocaat te Den Bosch. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.B.J. Maenhout, werkzaam bij de RDW.

Overwegingen

1. Bij besluit van 7 maart 2013 heeft verweerder de aanvraag van eiser voor afgifte van een Nederlands kentekenbewijs voor het voertuig afgewezen, omdat het VIN niet kan worden vastgesteld. Bij besluit van 21 januari 2014 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld, welk beroep bij deze rechtbank is geregistreerd onder nummer 14/1491.

Op 10 juni 2014 heeft eiser opnieuw een aanvraag ingediend, en daarbij een Engels kentekenbewijs van 14 oktober 2013 voor het kenteken[kenteken] (hierna: het Engelse kentekenbewijs) overgelegd. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder het primaire besluit genomen.

Op 3 november 2014 heeft eiser het beroep in de zaak met nummer 14/1491 ingetrokken.

Intrekking beslissing 12 september 2014

2. Naar het oordeel van de rechtbank is de beslissing van 12 september 2014 geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De vaststelling van een VIN en de beslissing om het VIN in te slaan, zijn niet gericht op rechtsgevolg.

De mededeling dat het voertuig vervolgens geregistreerd zal worden in het nationale basisregister en zal worden overgegaan tot afgifte van een kentekenbewijs, is de aankondiging van een besluit.

Het voorgaande betekent dat ook de intrekking van de beslissing van 12 september 2014 niet op rechtsgevolg is gericht, en dus geen besluit is. De beroepsgronden tegen de intrekking van de beslissing van 12 september 2014 treffen geen doel.

Omvang beroep

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen voor zover die aanvraag is gebaseerd op het Engelse kentekenbewijs. Voor wat betreft de vraag of een VIN voor het voertuig kan worden vastgesteld, en de vraag of op grond daarvan registratie en tenaamstelling van het voertuig kan plaatsvinden heeft verweerder overeenkomstig artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, verwezen naar het besluit van 7 maart 2013.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het beroep is gericht tegen de afwijzing van de aanvraag, voor zover die aanvraag is gebaseerd op het Engelse kentekenbewijs.

Ne bis in idem

3. Voor het ne bis in idem-toetsingskader verwijst de rechtbank naar de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (hierna: de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 4 mei 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM3271.

Op 14 oktober 2013 is op naam van eiser een Engels kentekenbewijs afgegeven voor het voertuig. Naar het oordeel van de rechtbank had eiser dit kentekenbewijs in de bezwaarprocedure tegen het besluit van 7 maart 2013 kunnen overleggen. Weliswaar was de hoorzitting toen al geweest, maar het besluit op bezwaar is pas op 21 januari 2014 genomen, zodat het Engelse kentekenbewijs, indien dit door eiser aan verweerder was overgelegd, bij de beoordeling van het bezwaar betrokken had kunnen worden. Overigens heeft eiser in de zaak met zaaknummer 14/1491 in beroep aangevoerd dat verweerder ten tijde van het besluit op bezwaar van 21 januari 2014 op de hoogte was van het bestaan van een Engels kentekenbewijs voor het voertuig, en dat eiser tijdens de hoorzitting van 16 september 2013 heeft gesteld dat hij in het bezit was van een Engels kentekenbewijs voor het voertuig van 15 september 2011 op naam van de heer[naam], de vorige eigenaar van het voertuig.

Dat betekent dat het Engelse kentekenbewijs geen nieuw feit is als bedoeld in de jurisprudentie. De rechtbank ziet echter aanleiding om wegens bijzondere omstandigheden af te zien van niet-ontvankelijkverklaring van het onderhavige beroep. Daartoe acht de rechtbank van belang dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerder zich destijds op het standpunt heeft gesteld dat het Engelse kentekenbewijs een nieuw feit was, en dat eiser een nieuwe aanvraag in kon dienen, en voorts dat de brief van de rechtbank van 15 oktober 2014 in de procedure met zaaknummer 14/1491 de suggestie wekt dat eiser geen belang meer had bij voortzetting van die procedure nu hij inmiddels een nieuwe aanvraag had ingediend en verweerder bereid was om het Engelse kentekenbewijs bij die aanvraag te betrekken.

Inhoudelijke beoordeling

4. Ingevolge artikel 2, onder a, van de Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (hierna: Richtlijn 1999/37), in samenhang met artikel 49 van de Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 (hierna: Richtlijn 2007/46) wordt voor de toepassing van Richtlijn 1999/37 onder voertuig verstaan hetgeen is bepaald in artikel 3, onder 11, van de Richtlijn 2007/46, te weten: een gemotoriseerd voertuig dat zich op eigen kracht voortbeweegt, ten minste vier wielen heeft, compleet, voltooid of incompleet is en een door het ontwerp bepaalde maximumsnelheid van meer dan 25 km/h kan bereiken.

5. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het voertuig aan de definitie van voertuig ingevolge artikel 2, onder a, van de Richtlijn 1999/37. De rechtbank volgt niet het standpunt van verweerder dat pas sprake is van een voertuig in de zin van Richtlijn 1999/37 indien aan alle technische eisen van Richtlijn 2007/46 is voldaan, nu ook een incompleet voertuig onder de definitie valt, en uit artikel 3, onder 19, van de Richtlijn 2007/46 volgt dat een incompleet voertuig niet voldoet aan de technische voorschriften van de Richtlijn 2007/46.

6. In zijn uitspraak van 11 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1081 is de Afdeling

voor de definitie van voertuig uitgegaan van de verwijzing in artikel 2 van de Richtlijn 1999/37 naar de Richtlijn 70/156/EEG. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat dit, in aanmerking genomen artikel 49 van de Richtlijn 2007/46, niet juist is.

Gelet echter op de definitie van voertuig in artikel 2 van de Richtlijn 70/156/EEG, gaat de rechtbank er van uit dat dit geen consequenties heeft voor het oordeel dat de Afdeling in die uitspraak heeft gegeven.

Naar het oordeel van de rechtbank is het Engelse kentekenbewijs voldoende voor de identificatie van het voertuig, mits het voertuig behoort bij dat Engelse kentekenbewijs. De wijze waarop de Engelse autoriteit voor afgifte van het kentekenbewijs het onderzoek naar de identificatie heeft uitgevoerd maakt deel uit van de interne autonome bevoegdheid van die instantie en staat niet ter beoordeling van de RDW.

7. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de mailwisseling tussen de Engelse autoriteit en de RDW, het betreft een mailwisseling in de periode van 28 juli 2014 tot en met 28 augustus 2014, niet blijkt dat het Engelse kentekenbewijs is afgegeven voor hetzelfde voertuig als het voertuig waarvoor het Nederlandse kentekenbewijs is aangevraagd. De rechtbank volgt dit standpunt niet.

Om te beginnen merkt de rechtbank op dat de vragen van de RDW in de mail van 4 augustus 2014 zien op het Engelse kentekenbewijs van 15 september 2011, en niet op het door eiser overgelegde kentekenbewijs van 14 oktober 2013. Voorts kan uit de omstandigheid dat de Engelse autoriteit het voertuig waarvoor het Engelse kentekenbewijs van 14 oktober 2013 is afgegeven, niet heeft gezien, en daarom de vragen in de mail van de RDW van 4 augustus 2014 niet kan beantwoorden, naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat het kentekenbewijs van 14 oktober 2013 niet voor het voertuig is afgegeven. De rechtbank verwijst in dit verband naar het slot van rechtsoverweging 6. Uit de mailwisseling kan worden afgeleid dat de Engelse autoriteit niet weet of er veranderingen zijn uitgevoerd aan het voertuig waarvoor op 14 oktober 2013 het kentekenbewijs is afgegeven, maar niet kan daaruit worden afgeleid dat het kentekenbewijs van 14 oktober 2013 geen betrekking heeft op het voertuig. Ook de inhoud van het kentekenbewijs van 14 oktober 2013 geeft geen grond om te veronderstellen dat het kentekenbewijs niet ziet op het voertuig. De daarin vermelde gegevens, waaronder het VIN en het motornummer, passen bij het voertuig.

8. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het Engelse kentekenbewijs niet voldoet aan Richtlijn 1999/37 omdat niet alle gegevens zijn vermeld. In dit verband heeft verweerder er op gewezen dat het aantal zitplaatsen (gegeven S1), het toegestane gewicht (gegeven F1), en gewicht (gegeven G) niet in het kentekenbewijs zijn vermeld.

De rechtbank volgt dit standpunt niet.

Het Engelse kentekenbewijs voldoet aan de definitie van kentekenbewijs in artikel 2, onder c, van de Richtlijn 1999/37. Bovendien is het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de Richtlijn 1999/37 van toepassing.

9. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank heeft geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. Daarom zal de rechtbank bepalen dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij zal verweerder ook moeten beslissen op het verzoek om proceskostenvergoeding in bezwaar.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in beroep voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht groot € 167 aan hem vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 980.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Bolzoni, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.