Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:3994

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-06-2015
Datum publicatie
18-06-2015
Zaaknummer
05/980512-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft 6 mannen veroordeeld tot gevangenisstraffen van 9, 12, 18 en 27 maanden voor merkvervalsing en het ontduiken van accijns, door de import van respectievelijk 1 of 2 containers namaak Marlboro sigaretten en/of merkvervalste kleding. De gevangenisstraffen zijn met 25% gekort vanwege aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn. Allen werden vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/980512-09

Datum uitspraak : 18 juni 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] wonende te [adres].

raadsman : mr. B.G.J. de Rooij, advocaat te Helmond.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 2 december 2010 en 4 juni 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 27 maart 2009 te Nunhem in de gemeente Leudal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk (een) accijnsgoed(eren), te weten circa 10.343.600 sigaretten, althans een hoeveelheid sigaretten, voorhanden heeft gehad, dat/die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing was/waren betrokken;

2.

Hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 maart 2009 tot en met 27 maart 2009 te Nunhem in de gemeente Leudal, althans in Nederland en/of te Antwerpen, althans in België, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk valse en/of vervalste en/of wederrechtelijk vervaardigde zegels zoals bedoeld in artikel 216 Wetboek van Strafrecht, te weten één of meer accijnszegel(s) en/of de voorwerpen waaraan zij wederrechtelijk verbonden waren, te weten één of meer sigarettenpakje(s) voorzien van de merknaam Marlboro, heeft afgeleverd en/of ten verkoop in voorraad heeft gehad en/of binnen het Rijk in Europa heeft ingevoerd, als waren voornoemde accijnszegel(s) echt en onvervalst en/of niet wederrechtelijk vervaardigd en/of wederrechtelijk aan voornoemde sigarettenpakje(s) verbonden;

3.

hij op of omstreeks 27 maart 2009 te Nunhem in de gemeente Leudal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk,

a. valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken, en/of

b. waren, die zelf of op hun verpakking valselijk zijn voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht had, en/of

c. waren, die ter aanduiding van herkomst, valselijk van de naam van een bepaalde plaats, met bijvoeging van een verdichte handelsnaam, zijn voorzien en/of

d. waren, waarop of op de verpakking waarvan een handelsnaam van een ander of een merk waarop een ander recht heeft, zij het dan ook met een geringe afwijking, is nagebootst en/of

e. waren of onderdelen daarvan die valselijk hetzelfde uiterlijk vertonen als een tekening of model waarop een ander recht had, dan wel daarmede slechts ondergeschikte verschillen vertonen,

te weten één of meer sigaret(ten) en/of één of meer sigarettenpakje(s) (telkens) voorzien van de merknaam Marlboro heeft ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of verkocht en/of te koop heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd en/of uitgedeeld en/of in voorraad heeft gehad;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2009 tot en met 27 maart 2009 te Nunhem in de gemeente Leudal en/of te Venlo, althans in Nederland en/of te Antwerpen, althans in België, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatieverband bestaande uit [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1]

en/of [betrokkene 1] en/of [medeverdachte 2], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van - sigarettensmokkel (artikel 97 jo 5 Wet op de accijns) en/of - zegelvervalsing (artikel 220 jo 216 Wetboek van Strafrecht) en/of - merkvervalsing (artikel 337 Wetboek van Strafrecht en/of - witwassen (artikel 420bis Wetboek van Strafrecht) althans het plegen van misdrijven.

2 De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn. De termijnoverschrijding heeft niet alleen tot gevolg dat verdachte onnodig lang heeft moeten vrezen voor vervolging, maar daarnaast is de verdediging – in het kader van een eerlijk proces – niet langer in staat zich deugdelijk te verweren. Door het tijdsverloop kan verdachte zich immers onderhavige zaak en bijbehorende details niet of nauwelijks nog herinneren. Hoewel de Hoge Raad heeft geoordeeld dat een termijnoverschrijding in de eventuele strafmaat dient te worden verdisconteerd, kan niet worden uitgesloten dat de Hoge Raad op termijn aanleiding ziet toch te concluderen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is, wanneer blijkt dat een bepaald vormverzuim relatief vaak voorkomt. Hierop vooruitlopend, bepleit de raadsman de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat hij wel ontvankelijk is in de vervolging. Gelet op de vaststaande jurisprudentie van de Hoge Raad kan een eventuele overschrijding van de redelijke termijn niet leiden tot niet-ontvankelijkheid, maar dient dit te worden meegenomen in de strafmaat.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is met de raadsman en de officier van justitie van oordeel dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte is voor de onderhavige zaak op 6 mei 2009 aangehouden en in verzekering gesteld. Op basis hiervan heeft verdachte in redelijkheid de verwachting kunnen ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld door het openbaar ministerie. Vervolgens is de zaak, samen met de zaken tegen de medeverdachten, op de terechtzitting van 2 december 2010 aangebracht. Het onderzoek ter terechtzitting is aldaar voor onbepaalde tijd geschorst, opdat – mede op verzoek van de verdediging – onder meer diverse getuigen door de rechter-commissaris zouden kunnen worden gehoord.

Uit de stukken van de rechter-commissaris volgt dat het de nodige tijd heeft gevergd om een aantal getuigen op te sporen en – zo mogelijk – te horen in Turkije. De Turkse autoriteiten hebben gedurende het onderzoek weinig tot geen medewerking verleend aan de uitvoering van rechtshulpverzoeken. Mede hierdoor is de procedure ernstig vertraagd. Uiteindelijk is de zaak eerst op 4 juni 2015 opnieuw ter terechtzitting aangebracht en doet de rechtbank op 18 juni 2015 uitspraak.

In het arrest van 17 juni 2008 heeft de Hoge Raad (LJN BD2578) de eerdere jurisprudentie met betrekking tot de berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens samengevat. Hieruit volgt dat de behandeling van een strafzaak dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De strafzaak tegen verdachte is, mede gelet op de samenhang met zaken tegen vier medeverdachten en het horen van getuigen in het buitenland, althans de pogingen daartoe, wel enigszins complex. Dit rechtvaardigt echter niet het zeer lange tijdsverloop tussen de eerste zitting van 2 december 2010 en de volgende van 4 juni 2015, zodat sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn. De enkele overschrijding van de redelijke termijn leidt echter niet tot de niet-ontvankelijkheidverklaring van het Openbaar Ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Als regel geldt dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de op te leggen straf. Nu de rechtbank in onderhavige zaak geen bijzondere aanleiding ziet om van deze regel af te wijken, zal het verweer worden verworpen en zal de overschrijding van de redelijke termijn in een eventuele strafoplegging worden verdisconteerd.

3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 25 maart 2009 heeft het functioneel parket te Zwolle een rechtshulpverzoek gezonden aan het Federaal Parket te Brussel voor de internationale observatie en doorlevering van container OOLU 844035/9 (verder: de container) die op 24 maart 2009 in Antwerpen zou arriveren.2 Op de ‘bill of lading’(cognossement) voor de container zijn de goederen in de container omschreven als 830 packages “Towel textile”. Als haven van vertrek staat Shekou (China) vermeld en als haven van aflevering Antwerpen. Als exporteur is een rechtspersoon uit Shantou, China, vermeld en als ontvanger ‘[bedrijfsnaam]’ te Venlo.3

Op 27 maart 2009 heeft iemand zich bij de terminal in Antwerpen gemeld om de container af te halen. De container verliet die avond op een vrachtwagen de terminal en verplaatste zich naar de Nederlands-Belgische grens. Daar is de observatie overgenomen door Nederlandse observatieteams.4 Daarbij is onder meer waargenomen dat een combinatie - bestaande uit een trekker met oplegger en de container – zich begaf in de richting van Venlo en daarbij een parkeerplaats bij een Texaco-benzinepomp langs de rijksweg A67 opreed. Vier verschillende personenauto’s en inzittenden zijn vervolgens gelinkt aan deze combinatie. Onder begeleiding van deze personenauto’s is de combinatie naar een bedrijventerrein in Nunhem, gemeente Leudal gereden. Daar is omstreeks 22.15 uur de container van de combinatie gelost.5

Vanaf 23.56 uur is de loods waar de container werd vermoed te zijn opgeslagen, doorzocht. In de bewuste container zijn onder meer dozen met sloffen van 10 pakjes sigaretten van het merk Marlboro aangetroffen. Vervolgens is de container met inhoud in beslag genomen.6

In de container bleken, als deklading, in de eerste rijen achter de deur dozen te staan met daarin handdoeken. Verder bevatte de container enkel dozen met sigaretten. De gehele partij goederen bestond uit 10.343.600 sigaretten en 50 kartons met diverse handdoeken.7

Op de sigarettenpakjes zaten accijnszegels die geen echtheidskenmerken bevatten.8 De sigaretten van het merk Marlboro bleken merkvervalst te zijn. De sigaretten waren niet geproduceerd door of met toestemming van Philip Morris, de merkhouder van de merknaam en het beeldmerk van Marlboro. Philip Morris heeft evenmin toestemming gegeven voor het gebruik van haar merk en merknaam.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen verdachte onder de feiten 1 tot en met 4 is tenlastegelegd. Volgens de officier van justitie heeft verdachte nauw en bewust samengewerkt met zijn medeverdachten ten aanzien van het voorhanden hebben van de inhoud van de container. Verdachte heeft een sturende rol gehad in het binnenhalen van de container met sigaretten en is ook fysiek aanwezig geweest bij het laatste deel van het transport. Daarbij is tevens sprake geweest van een duurzaam gestructureerd samenwerkingsverband, zodat kan worden bewezenverklaard dat sprake is geweest van een criminele organisatie, waar ook verdachte deel van heeft uitgemaakt.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit. Hoewel verdachte wellicht feitelijk betrokken is geweest bij het bewuste transport, wist hij niet dat het ging om een transport van (illegale) sigaretten. Hij verkeerde in de veronderstelling dat het om een container textiel handelde en heeft om die reden een aantal vriendendiensten verricht. Deze verrichtte hij, omdat enkele medeverdachten ervan uitgingen dat hij – als handelaar in ongeregelde goederen – ervaring zou hebben met het inklaren van goederen uit het buitenland. Omdat het inklaren echter niet zonder slag of stoot verliep, werd regelmatig teruggevallen op verdachte om de problemen op te lossen. Dit verklaart ook de hoeveelheid telefoontjes die verdachte met anderen heeft gepleegd met betrekking tot het transport.

Voorts merkt de raadsman op dat verdachte betwist dat hij bij het tankstation aanwezig is geweest en daarmee dat hij zou zijn herkend door [bedrijfsnaam], de chauffeur van het transport. De rechter-commissaris heeft op verzoek van de verdediging herhaaldelijk getracht deze [bedrijfsnaam] te horen, hetgeen echter niet is gelukt.

Met betrekking tot het onder 4 tenlastegelegde, kort gezegd het deelnemen aan een criminele organisatie, merkt de raadsman nog op dat geen sprake is geweest van een duurzaam verband. Ook dit feit kan dus niet wettig en overtuigend worden bewezenverklaard.

De beoordeling door de rechtbank

Vast is komen te staan dat op 27 maart 2009 een container met een hoeveelheid van 10.343.600 merkvervalste en onveraccijnsde sigaretten is ingevoerd binnen het grondgebied van Nederland. Verdachte betwist niet dat hij betrokken is geweest bij het transport van de container, maar ontkent dat hij wist van de illegale inhoud ervan. De officier van justitie is een andere mening toegedicht en de rechtbank volgt hem hierin, op grond van het navolgende.

Op 24 maart 20099, de beoogde dag van aankomst van de container, was er om 9.31 uur telefonisch contact tussen medeverdachte [medeverdachte 3] en de persoon behorende bij het nummer 06-[nr 1], zijnde verdachte10. Tijdens dat gesprek merkt verdachte op dat “daar” een telefoonnummertje op staat en vraagt hij waar dat telefoontje is. [medeverdachte 3] antwoordt dat hij dat niet weet en dat “jullie” dat kaartje hebben.11

Op 24 maart 2009 10:32 belt een medewerkster van [bedrijfsnaam] met het nummer 0(031)6-[nr 2]. Dit nummer stond vermeld op de ‘bill of lading’ van de container als telefoonnummer van de ‘notify party’.12 Het nummer is op 24 maart 2009 voor het eerst geactiveerd.13

De medewerkster van [bedrijfsnaam] vertelt dat voor gebelde een container in Antwerpen is binnengekomen. Daarbij wordt uitgelegd wat de vereisten zijn om de lading vrij te geven. De gebelde doet zich voor als iemand van [bedrijfsnaam].14

Verdachte herkent zichzelf later tijdens zijn verhoor bij de politie als degene die gebeld wordt.15

Circa 14 minuten later16 belt medeverdachte [medeverdachte 4], met het hetzelfde nummer 06-[nr 2] naar dezelfde medewerkster van [bedrijfsnaam] om de gang van zaken door te nemen. Hij doet dit op verzoek van ‘[betrokkene 2]’.

[medeverdachte 4] herkent verdachte later tijdens zijn verhoor aan de hand van een foto.17

Op 26 maart 2009 heeft verdachte diverse telefonische gesprekken, waaronder met medeverdachte [medeverdachte 1], waarbij hij te kennen geeft dat voor morgenochtend, zijnde aldus de dag van het transport, “alles geregeld is”.18

Op de dag van het transport heeft verdachte tot 21:06 uur eveneens veelvuldig telefonisch contact met betrekking tot genoemd transport, waarbij hij steeds gebruik maakt van nummer 06-[nr 2]. Hij doet dit naar eigen zeggen om problemen op te lossen.19

Die dag zien verbalisanten omstreeks 19.23 uur de trekker (met oplegger en de bewuste container) de Nederlands-Belgische grens passeren. Uiteindelijk rijdt de combinatie om 21.06 uur een parkeerplaats met een Texaco-benzinepomp op.20 Diezelfde minuut belt verdachte met medeverdachte [medeverdachte 1] met de volgende inhoud: “Komen er zo aan, zijn onderweg jongens allemaal.”21

Volgens [medeverdachte 1] zou op die parkeerplaats de losploeg komen.22 De chauffeur van de combinatie heeft vervolgens contact met (een) inzittende(n) van een Mercedes CLK en vertrekt omstreeks 21.10 uur weer. De Mercedes CLK heeft op dat moment contact met een persoon uit een Ford Focus, waarna beide voertuigen achter de combinatie aanrijden richting een parkeerterrein bij het McDonald’s restaurant aan de N277 te Sevenum. Op dat parkeerterrein parkeert een Volkswagen Golf in de buurt van de combinatie.23

De chauffeur van de combinatie verklaart later dat hij op dat parkeerterrein bij de McDonald’s verdachte heeft zien rondlopen.24

Uiteindelijk rijdt de combinatie, onder begeleiding van de eerder genoemde Mercedes, Ford Focus en Volkswagen Golf, in de richting van een loodscomplex in Nunhem, alwaar de container wordt achtergelaten.25

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte de dagen voor en op de dag van het transport uit de havens van Antwerpen naar een loods in Nunhem, intensief (telefonisch) contact heeft gehad met anderen met betrekking tot dat transport. Daarbij had verdachte de beschikking over het telefoonnummer dat op de bill of lading stond vermeld als de ‘notify party’, degene die gebeld moest worden voor het vrijgeven van de lading.

Voorts heeft hij contact met medeverdachten op het moment dat het transport onderweg is naar een parkeerplaats waar de losploeg zou verzamelen en laat hij een medeverdachte weten dat ze allemaal onderweg zijn. Verdachte wordt door de chauffeur van de combinatie ook herkend als één van de aanwezigen op een parkeerplaats, waar de voltallige losploeg ook verschijnt. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan deze herkenning.

Op basis van voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte degene is die aan het transport van de container op 27 maart 2009 leiding heeft gegeven c.q. dit transport heeft gecoördineerd. Verdachte stuurde immers - in overleg met anderen - personen aan die op de dag van het transport direct betrokken waren bij het verkrijgen van de juiste papieren voor het inklaren en het transporteren van de container. Hij was hierbij een onmisbare schakel.

De verklaring van verdachte dat hij dit heeft gedaan als vriendendienst zonder iets te weten van de illegale inhoud van de container acht de rechtbank onaannemelijk. Immers, verdachte zou – naar eigen zeggen – voor zijn interventies een bedrag van € 500,- betaald krijgen. Daarbij komt dat verdachte, zoals uit het dossier volgt, maar ook ter terechtzitting door verdachte is opgemerkt, geen idee had hoe hij het transport moest regelen en heeft hij veelvuldig de hulp van een derde moeten inroepen. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat iemand die in feite onwetend is ten aanzien van het inklaren van en transporteren van een container ingeschakeld zou worden om de invoer van die container niettemin te regelen.

Gelet op alle omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen bij (de organisatie van) het transport van de container.

Vervolgens rijst de vraag of verdachte opzet heeft gehad op het invoeren en het voorhanden hebben van de sigaretten.

Uit geen van de beschikbare bewijsmiddelen kan expliciet worden afgeleid dat verdachte wist dat de op 27 maart 2009 vervoerde sigaretten niet in de accijnsheffing betrokken waren of dat ze vervalst waren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het transport van deze sigaretten echter onder zodanig verdachte omstandigheden plaatsgevonden en was de betrokkenheid van verdachte daarbij zodanig dat het niet anders kan dan dat verdachte ten minste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het transport vanuit de haven van Antwerpen naar Nederland de smokkel van illegale waren zou omvatten. Daarbij wijst de rechtbank met name op het gegeven dat het hoogst ongebruikelijk is dat een losploeg zich verzamelt op een parkeerplaats bij een tankstation langs een snelweg en vervolgens bij een McDonald’s, wanneer het gaat om een (onschuldige) lading handdoeken. Evenzeer is atypisch dat de vrachtwagen vanaf het tankstation op de A67 wordt geëscorteerd door vier auto’s richting de uiteindelijke losplaats. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat de uiteindelijke chauffeur van het transport de gang van zaken “raar” vond, “dat het normaal niet zo gebeurt, vooral niet met handdoeken” en dat hij na het lossen heeft gebeld met zijn opdrachtgever, omdat hij het niet vertrouwde.26 Hieruit volgt eens te meer dat het door verdachte mede georganiseerde transport op een ongebruikelijke wijze is opgezet en uitgevoerd.

Daarnaast wijst de rechtbank op het feit dat verdachte (getapte) telefoongesprekken heeft waarin sprake was van versluierd taalgebruik over “tafel dekken” en “hoe laat kan worden gegeten”.27 Dergelijke gesprekken passen in het geheel niet in het verdere verloop van de dag maar duiden veeleer op het vragen naar duidelijkheid over verwachte aankomsttijd van de container. Daarbij maakte verdachte rond de levering van de container gebruik van een telefoonnummer dat de dag van de aankomst van de container in Antwerpen en dus kennelijk speciaal voor die levering werd geactiveerd.

Ook wist verdachte dat de container in een haven in Antwerpen ter doorvoer gereed lag. De rechtbank is van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat namaaksigaretten, voorzien van namaak accijnszegels, bekende smokkelobjecten zijn én dat deze niet zelden met containers vanuit internationale zeehavens zoals die in Antwerpen worden doorgevoerd.

Het bovenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad op het invoeren van illegale waren, zoals merkvervalste sigaretten, met valse accijnszegels, die niet overeenkomstig de Wet op de accijns waren betrokken.

Vrijspraak van het tenlastegelegde onder 4

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat een dergelijke smokkel de nodige organisatie en planning heeft gevergd. Het is evenwel vaste jurisprudentie dat van een "organisatie" in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht eerst kan worden gesproken als er een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband bestaat. Dat kan hier niet worden vastgesteld; verdachte wordt een eenmalige samenwerking met anderen verweten. Verdachte dient dan ook voor het onder feit 4 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

4 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 27 maart 2009 te Nunhem in de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met ander(en), opzettelijk accijnsgoed(eren), te weten circa 10.343.600 sigarettenvoorhanden heeft gehad, die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken;

2.

hij in de periode van 26 maart 2009 tot en met 27 maart 2009 te Nunhem in de gemeente Leudal en te Antwerpen, tezamen en in vereniging met ander(en), opzettelijk valse en wederrechtelijk vervaardigde zegels zoals bedoeld in artikel 216 Wetboek van Strafrecht, te weten accijnszegel(s) en de voorwerpen waaraan zij wederrechtelijk verbonden waren, te weten sigarettenpakje(s) voorzien van de merknaam

Marlboro, ten verkoop in voorraad heeft gehad en/of binnen het Rijk in Europa heeft ingevoerd, als waren voornoemde accijnszegel(s) echt en onvervalst en niet wederrechtelijk vervaardigd en/of wederrechtelijk aan voornoemde sigarettenpakje(s) verbonden;

3.

hij op 27 maart 2009 te Nunhem in de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met ander(en opzettelijk,

b. waren, die zelf of op hun verpakking valselijk zijn voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht had, te weten sigaret(ten) en/ sigarettenpakje(s) (telkens) voorzien van de merknaam Marlboro, heeft ingevoerd en/of doorgevoerd en/ in voorraad heeft gehad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden.

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van opzettelijk valse en wederrechtelijk vervaardigde zegels en de voorwerpen waaraan zij wederrechtelijk verbonden zijn, ten verkoop in voorraad hebben en binnen het Rijk in Europa invoeren, als waren die zegels echt en onvervalst en niet wederrechtelijk vervaardigd en wederrechtelijk aan de voorwerpen verbonden.

Ten aanzien van feit 3:

Medeplegen van opzettelijk waren, die zelf of op hun verpakking valselijk zijn voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht heeft, invoeren, doorvoeren en in voorraad hebben.

6 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

8 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die reeds in voorlopige hechtenis is doorgebracht. Daarbij heeft de officier van justitie met name gewezen op de ernst van de feiten, maar tevens rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Het standpunt van de verdediging

Voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen, heeft de raadsman aangevoerd dat de overschrijding van de redelijke termijn in de weg staat aan een gevangenisstraf.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 23 januari 2015.

Uit het aangehaalde Uittreksel Justitiële Documentatie blijkt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld tot forse gevangenisstraffen, sinds 2005 van een totale duur van meer dan 11 jaar, voor strafbare feiten als drugshandel, witwassen, heling en deelname aan een criminele organisatie. Deze straffen hebben hem er echter kennelijk niet van weerhouden opnieuw in de fout te gaan.

Verdachte heeft zich, samen met een aantal anderen, schuldig gemaakt aan de smokkel van een grote hoeveelheid merkvervalste sigaretten van China naar Nederland. Daarmee is hij medeverantwoordelijk voor het feit dat de Nederlandse fiscus een aanzienlijk bedrag aan accijns en omzetbelasting zou zijn misgelopen wanneer deze sigaretten op de markt waren gebracht. Daarnaast worden zowel de consument als de merkhouder, in dit geval Philip Morris, benadeeld als er merkvervalste sigaretten op de markt worden gebracht en wordt bonafide bedrijven, die wel aan de accijnsrechtelijke verplichtingen voldoen, oneerlijke concurrentie aangedaan.

Verdachte had een prominent aandeel in de smokkel door als schakel te fungeren tussen de diverse betrokkenen bij het transport van de partij sigaretten vanuit de Antwerpse haven naar een loods in Nunhem. De rechtbank ziet verdachte dan ook als iemand die meer heeft gedaan dan het slechts verrichten van hand- en spandiensten en die juist een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de organisatie van de smokkel.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is.

Naar het oordeel van de rechtbank – mede in acht genomen de strafoplegging in de zaken van de medeverdachten - is een gevangenisstraf van 24 maanden op zijn plaats. Gelet echter op de forse overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank deze straf bekorten met 25%, zijnde 6 maanden.

De straf valt lager uit dan de eis van de officier van justitie nu de rechtbank meer rekening houdt met de overschrijding van de redelijke termijn en voorts dat de deelname van verdachte aan een criminele organisatie niet bewezen wordt geacht.

Van de gevangenisstraf zal worden afgetrokken de tijd die verdachte reeds in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

8a. Beslag

De officier van justitie heeft gevorderd dat het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag van € 44.920,- dient wordt verbeurdverklaard.

De raadsman van verdachte heeft gepleit tot teruggaaf van het in beslag genomen geldbedrag. Verdachte kon over een dergelijk bedrag beschikken wegens handelsgeld vanuit zijn onderneming. Voorts kan het geldbedrag niet worden gelinkt aan enig strafbaar feit.

De rechtbank overweegt als volgt. Een geldbedrag kan voor verbeurdverklaring vatbaar zijn wanneer dit op enigerlei wijze in relatie staat tot het (bewezenverklaarde) strafbare feit. Nu van een dergelijke relatie onvoldoende is gebleken, zal de teruggave worden gelast aan de veroordeelde.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 47, 57, 91, 220 en 337 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 97 van de Wet op de accijns.

10 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

 verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 4, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 5;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 gelast de teruggave van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven geldbedrag groot € 44.920,- aan veroordeelde.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. D.R. Sonneveldt en mr. M.G.J. Post, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J.W. Lambregts, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 juni 2015.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van de FIOD-ECD opgemaakte proces-verbaal met dossiernummer 43440, gesloten op verschillende data, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen die worden weergegeven, verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde proces-verbaal.

2 Schriftelijk bescheid te weten een proces-verbaal van uitvoering van Eaw inspecteur [inspecteur] van de (Belgische) Federale Overheidsdienst Financiën p. 1419.

3 Bill of lading, p. 2812.

4 Schriftelijk bescheid te weten een proces-verbaal van uitvoering van Eaw inspecteur [inspecteur] van de (Belgische) Federale Overheidsdienst Financiën p. 1425.

5 Het proces-verbaal van observatie d.d. 31 maart 2009, p. 1297 e.v.

6 Het proces-verbaal doorzoeking loods d.d. 2 april 2009, p. 863 en 864.

7 Het proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 2 april 2009, p. 880 en 881.

8 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 april 2009, p. 915; Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 april 2009, p. 962.

9 Het proces-verbaal van telefoontap, p. 2216.

10 Het proces-verbaal verhoor verdachte, p. 2532.

11 Het proces-verbaal van telefoontap, p. 2216.

12 Het proces-verbaal verhoor verdachte, p. 2548.

13 Het proces-verbaal van bevindingen p. 229.

14 Het proces-verbaal van telefoontap, p. 2236, eerste gesprek; bill of lading, p. 2812.

15 Het proces-verbaal verhoor verdachte, p. 2548.

16 Het proces-verbaal van telefoontap, p. 2236, tweede gesprek.

17 Het proces-verbaal verhoor medeverdachte [medeverdachte 4], p. 2552 en 2553, proces-verbaal van bevindingen 1241 en 1244 en .

18 Het proces-verbaal van telefoontap, p. 2245, derde gesprek.

19 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 4 juni 2015; proces-verbaal van van bevindingen p. 124 tot en met 127.

20 Het proces-verbaal van observatie, p. 1297.

21 Het proces-verbaal van telefoontap, p. 2258, derde gesprek.

22 Het proces-verbaal verhoor medeverdachte [medeverdachte 1], p. 2588.

23 Het proces-verbaal van observatie, p. 1297 en 1298.

24 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige], p. 2683; het proces-verbaal ambtshandelingen, p. 1241 e.v.

25 Het proces-verbaal van observatie, p. 1298 en 1299.

26 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige] d.d. 17 april 2009, p. 2677 en 2678.

27 Het proces-verbaal van telefoontap d.d. 27 maart 2009, p. 2285; Het proces-verbaal van telefoontap d.d. 27 maart 2009, p. 2248.