Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:3954

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-06-2015
Datum publicatie
25-06-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 333
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verleende vergunning(en) voor muziekfestival “Down the rabbit Hole” op 27, 28 en 29 juni 2014 te Ewijk, in bezwaar gehandhaafd.

-Belanghebbende (eiser woont op 3.5 km afstand van het festivalterrein);

-procesbelang (evenement heeft al plaatsgevonden);

-artikel 6 EVRM;

-artikel 8 EVRM;

-is de juiste beleidsregel toegepast?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/333

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. R.W. Jagtenberg),

en

de burgemeester van de gemeente Beuningen en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen te Beuningen, verweerders

(gemachtigde: mr. T.E.P.A. Lam).

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2014 (het primaire besluit) hebben verweerders, ieder voor zover het hun bevoegdheid betreft, aan LOC 7000 B.V. te Lochem (een) vergunning(en) onder voorschriften verleend ten behoeve van muziekfestival “Down The Rabbit Hole”, welk evenement is gehouden op 27, 28 en 29 juni 2014, op het terrein van De Groene Heuvels te Ewijk.

Bij besluit van 16 december 2014 (het bestreden besluit) hebben verweerders het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerders hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Naar aanleiding van de brief de gemachtigde van eiser van 17 mei 2015 heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Bij brief van 27 mei 2015 is namens verweerders op deze brief gereageerd. Op deze brief is namens eiser gereageerd bij brief van 31 mei 2015.

De rechtbank heeft, met toestemming van partijen, een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich, ambtshalve, gesteld voor de vraag of eiser als belanghebbende bij het primaire besluit kan worden aangemerkt.

Niet in geschil is dat de woning van eiser op circa 3,5 km van het festivalterrein is gelegen.

Blijkens het verhandelde ter zitting is tussen partijen in confesso dat de geluidsbelasting ten gevolge van het festival aan de gevel van de woning van eiser vanaf 23.00 uur tussen de 40 dB(A) en 50 dB(A) bedraagt. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee vast dat eiser, naar objectieve maatstaven gemeten, als gevolg van het popfestival hinder van enige betekenis ondervindt, en is hij om die reden belanghebbende.

2. Verder ziet de rechtbank zich ambtshalve gesteld voor de vraag of eiser nog procesbelang heeft, nu het evenement waarvoor de vergunning is verleend reeds heeft plaatsgevonden.

Ter zitting is gebleken dat het voornemen bestaat dit festival ook op 26 tot en met 28 juni 2015 te houden en dat daar inmiddels een vergunning voor is aangevraagd.

In verband hiermee behoudt eiser procesbelang.

3. Het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit is door verweerders, in overeenstemming met het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften (verder: de bezwaarcommissie) van 27 november 2014, bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Verweerder is er daarbij van uitgegaan dat het bezwaar van eiser zich richtte tegen de volgende vergunningen:

- de evenementenvergunning op grond van artikel 2:25 van de Algemene plaatselijke verordening (APV);

- de ontheffing op grond van artikel 4, derde lid, van de Zondagswet; alsmede

- de impliciet verleende ontheffing op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de APV.

Nu eiser een en ander niet heeft betwist, zal ook de rechtbank het geschil beperken tot deze vergunningen en ontheffingen, die in het navolgende zullen worden aangeduid als: “de vergunningen” .

4. Eiser heeft het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten. Op zijn stellingen zal de rechtbank, voor zover nodig, in het navolgende ingaan.

5. Eiser heeft aangevoerd dat de vergunningverlening in strijd is met het fair play-beginsel en artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Hiertoe heeft hij gesteld dat de vergunningaanvraag, in strijd met artikel 1.3 van de APV, eerst enkele weken voor het festival is aangevraagd en de vergunning eerst een week voor aanvang van het festival is verleend, zodat hij slechts een week de tijd had om rechtsmiddelen aan te wenden.

Zo de vergunningaanvraag van 2 juni 2014 later is ingediend dan in artikel 1.3 van de APV is bepaald, betekent dat niet dat de vergunning om die reden had moeten worden geweigerd. Artikel 1.3 van de APV bepaalt dit immers niet. Artikel 1.3, eerste lid, van de APV geeft het bestuursorgaan slechts een bevoegdheid een aanvraag voor een vergunning of ontheffing niet te behandelen als deze wordt ingediend minder dan drie weken of in voorkomende gevallen acht weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, van welke bevoegdheid in dit geval geen gebruik is gemaakt.

Aan eiser moet worden toegegeven dat de vergunning eerst kort voor het houden van het evenement is verleend, maar daarmee is eiser geen effectieve rechtsgang onthouden. Naar het oordeel van de rechtbank was het redelijkerwijs niet onmogelijk om voor aanvang van het festival tegen het besluit tot vergunningverlening nog bezwaar te maken en zich tot de voorzieningenrechter van de rechtbank te wenden.

Deze beroepsgrond van eiser treft dan ook geen doel.

6. Eiser heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat verweerder bij het nemen van het besluit de verkeerde beleidsregel heeft toegepast. Eiser stelt dat verweerder had moeten uitgaan van de beleidsregel voor de toepassing van artikel 4.6 van de APV, die lagere geluidswaarden bevat dan het lokaal en regionaal evenementenbeleid, dat verweerder heeft toegepast.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij het nemen van het primaire besluit terecht het evenementenbeleid in aanmerking genomen. Ter zitting is namens verweerder toegelicht dat de op artikel 4.6 van de APV gebaseerde beleidsregel is bedoeld voor geluidhinder met een structureel karakter en dat verweerder speciaal voor evenementen, gelet op het kortdurende en incidentele karakter daarvan, hogere geluidsbelastingen wenst toe te staan. Niet in geschil is dat de aan de vergunning verbonden geluidswaarden de in het evenementenbeleid toegestane geluidsbelasting niet overschrijden. Verder is de rechtbank niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder van de beleidsregel had moeten afwijken.

Ook deze beroepsgrond van eiser treft geen doel.

7. Eiser betoogt dat verweerders hadden moeten afzien van het gebruik maken van hun bevoegdheid om de vergunningen te verlenen omdat deze een onaanvaardbare inbreuk betekent op het recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat het evenement een bepaalde mate van geluidsoverlast voor omwonenden met zich brengt en dat het hier gaat om een relatief kortdurend evenement. Aan de vergunningen zijn voorschriften verbonden, mede met betrekking tot de maximale geluidswaarden bij de meest nabijgelegen woningen, die op minder dan een kilometer van het festivalterrein liggen. De naleving van de vergunningvoorschriften kan worden gecontroleerd en zonodig kan er handhavend worden opgetreden. De in de vergunningen neergelegde normen komen er voor eisers woning (die ligt op 3,5 km van het festivalterrein) op neer dat er gedurende de nachtelijke uren van het evenement een geluidbelasting van ca. 40-50 dB(A) op de gevel kon optreden. Ter zitting is namens verweerders erop gewezen dat de woning van eiser in de geluidszone van de A50 ligt en de woning (dus) goed geïsoleerd is. Naar het oordeel van de rechtbank hebben verweerders zich gelet daarop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vergunde activiteiten, mede gegeven het incidentele karakter van het evenement, voor eiser niet leiden tot onaanvaardbare overlast en dat er evenmin sprake is van een onaanvaardbare inbreuk op de uitoefening van het recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

8. Eiser heeft in beroep gesteld dat de vergunninghouder voorschrift 7 van de vergunningsvoorwaarden heeft geschonden. In dit voorschrift is bepaald dat de vergunninghouder omwonenden zoveel mogelijk informatie over het evenement dient te geven, over de eventuele overlast die zij kunnen ondervinden en de geluidsnormen. Wat er ook zij van de stelling van eiser, de rechtbank is hier slechts gehouden antwoord te geven op de vraag of verweerders de onderhavige vergunningen, met inbegrip van dit vergunningsvoorschrift, in redelijkheid hebben kunnen verlenen. Zoals uit het bovenstaande blijkt, beantwoordt de rechtbank deze vraag bevestigend.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

10. Nu het beroep ongegrond is, wordt het verzoek van eiser om verweerder tot schadevergoeding te veroordelen afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Besselink, voorzitter, mr. R.J. Jue en mr. D.J. Post, rechters, in tegenwoordigheid van R. van Diest, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: .

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.