Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:3864

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-06-2015
Datum publicatie
25-06-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 8156
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand ingevolge de Wwb en afwijzing bijzondere bijstand; verblijf buiten Nederland vanwege medische behandeling langer dan 4 weken.

Geen sprake van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van de Wwb. Weliswaar was er een acute noodsituatie, nu de ziekte bij eiseres blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kon hebben, maar niet is gebleken dat de behoeftige omstandigheden van het verblijf of de betaling van de vaste lasten op geen enkele andere wijze dan met bijstandsverlening konden worden verholpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 14/8156

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. R. Achttienribbe),

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand te Harderwijk, verweerder.

Procesverloop

Bij besluiten van 20 juni 2014 (de primaire besluiten) heeft verweerder het recht op bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) van eiseres met ingang van 8 mei 2014 ingetrokken en de aanvraag om bijzondere bijstand van 9 mei 2014 afgewezen.

Bij besluit van 15 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens is de vader van eiseres verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M. Brands.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiseres heeft de ziekte van Lyme en ontvangt (algemene) bijstand voor haar levensonderhoud. Zij heeft verweerder medegedeeld dat zij vanaf 9 april 2014 in San Francisco in de Verenigde Staten verblijft voor een medische behandeling. Op het daarvoor bedoelde formulier, gedateerd 5 april 2014, heeft zij aangevinkt: “verblijf buitenland wegens medische behandelingen”. Zij heeft geen einddatum van haar verblijf gemeld. Namens eiseres heeft de vader op 9 mei 2014 bijzondere bijstand aangevraagd voor doorbetaling van de vaste lasten gedurende de periode van het noodzakelijke langere verblijf in het buitenland.

Op 10 juni 2014 heeft verweerder eiseres een brief gestuurd waarin zij is gewezen op de maximaal toegestane periode dat zij naar het buitenland kan met behoud van uitkering en op de consequenties van een langer verblijf. Eiseres is uitgenodigd voor een gesprek op 17 juni 2014, alwaar zij niet is verschenen.

Eiseres heeft vanaf haar vertrek op 8 april 2014, gedurende 10 weken (tot 18 juni 2014) in de Verenigde Staten verbleven.

2. Verweerder heeft aan de intrekking van het recht op bijstand en de afwijzing van de bijzondere bijstand ten grondslag gelegd dat eiseres met ingang van 8 mei 2014 geen recht heeft op (algemene en bijzondere) bijstand aangezien zij dan langer dan vier weken buiten Nederland verblijf houdt. Verweerder heeft daarbij verwezen naar het bepaalde in artikel 11 en 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wwb en daaraan toegevoegd dat er geen sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Wwb.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de commissie voor bezwaarschriften, de bezwaren ongegrond verklaard.

3. Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en heeft aangevoerd dat wel sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van de Wwb en gegevens ingebracht over haar ziekte en de door haar gevolgde behandelingen.

4. In artikel 16, eerste lid, van de Wwb is bepaald dat aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand kan verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

5. Niet in geschil is dat eiseres haar vertrek naar het buitenland tijdig heeft gemeld, dat zij met ingang van 8 mei 2014 langer dan vier weken in het buitenland verbleef en dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wwb in zo’n situatie aan bijstandsverlening in de weg staat. Uitsluitend in geschil is of in het geval van eiseres sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Wwb die nopen tot verlening van bijstand in de periode van 8 mei 2014 tot aan haar terugkomst in Nederland, 18 juni 2014. Eiseres meent dat zij voor doorbetaling van de bijstand voor levensonderhoud in aanmerking komt of - tenminste - voor vergoeding van de vaste lasten.

6. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie CRvB 17 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:678) biedt artikel 16, eerste lid, van de Wwb de mogelijkheid om aan personen die geen recht op bijstand hebben bijstand te verlenen indien, gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen noodzaken. Voor zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Wwb dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Een acute noodzaak (zie CRvB van 27 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4808) is aan de orde indien een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben.

7. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat in het onderhavige geval niet van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van de Wwb kan worden uitgegaan. Weliswaar heeft eiseres gelet op de verklaringen van haar behandelend arts in de Verenigde Staten, dr. A.B. Prescott, van 9 en 24 september 2014, aannemelijk gemaakt dat ten tijde in geding als gevolg van de ziekte van Lyme sprake was van een acute noodsituatie, nu deze ziekte bij eiseres blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kon hebben, maar niet is gebleken dat de behoeftige omstandigheden van het verblijf in de Verenigde Staten of de betaling van de vaste lasten op geen enkele andere wijze dan met bijstandsverlening konden worden verholpen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vader van eiseres alle noodzakelijke kosten verband houdende met het verblijf en de behandeling in de Verenigde Staten voor zijn rekening heeft genomen en daarmee de (bijstands)behoeftige omstandigheden van eiseres heeft weggenomen.

8. Nu geen sprake is van zeer dringende redenen was verweerder gehouden de aanvraag om bijzondere bijstand op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wwb af te wijzen. Voorts was verweerder bevoegd het recht op bijstand van eiseres op grond van artikel 54, derde lid, tweede volzin, van de Wwb met ingang van 8 mei 2014 in te trekken omdat eiseres redelijkerwijs kon begrijpen vanaf die datum vanwege haar verblijf in het buitenland niet langer recht op de bijstand te hebben.

De rechtbank benadrukt dat de verlening van bijstand op grond van artikel 16 van de Wwb door de wetgever is bedoeld als uitzondering.

9. Gelet op het vorenstaande is niet van belang of de medische situatie van eiseres zo ernstig was dat zij niet tijdig naar Nederland kon terugkeren (zie de uitspraken van de CRvB van 17 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1028 en 14 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3386).

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W. van Osch - Leysma, voorzitter, mr. J.A. van Schagen en mr. T.A. Willems-Dijkstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.