Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:3730

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-06-2015
Datum publicatie
13-06-2015
Zaaknummer
14 - 8408
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking ZW- en Wazo-uitkering; volgens verweerder was er geen sprake van een dienstverband en een daaruit voortvloeiende verzekering voor de sociale verzekeringswetten.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat van een dienstbetrekking geen sprake was.

Beroep gegrond, zelf in de zaak voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Bestuursrecht

zaaknummer: 14/8408

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

(gemachtigde: mr. J.W.H.M. Koers),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Bij besluiten van 5 mei 2014 heeft verweerder het recht op ziekengeld van eiseres per 26 juli

2010 en het recht op uitkering ingevolge de Wet arbeid en zorg (Wazo) per 3 april 2010

ingetrokken.

Bij besluit van 1 mei 2014 heeft verweerder het teveel betaalde ziekengeld en de teveel betaalde Wazo-uitkering over de periode 3 april 2010 tot en met 22 juli 2012 tot een bedrag van € 61.063,10 van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 23 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens zijn verschenen de tolk Y. Akkaya, alsmede de door eiseres meegebrachte getuigen [naam 5]en[naam 4]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. van de Berkt.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiseres heeft van 3 april 2010 tot 24 juli 2010 een Wazo-uitkering ontvangen. Van 24 juli 2010 tot 22 juli 2012 heeft zij ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen. Hierbij heeft verweerder een verzekering voor deze wetten aangenomen op grond van haar werkzaamheden als zorgverlener. Naar aanleiding van een onderzoek in verband met de verzekeringsplicht van eiseres en anderen is verweerder tot de bestreden besluitvorming gekomen.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het niet aannemelijk is dat eiseres als zorgverlener werkzaam is geweest voor de budgethouder van het persoonsgebonden budget (pgb)[naam 1] (hierna: budgethouder) en daardoor geen sprake is geweest van een dienstverband en een daaruit voortvloeiende verzekering voor de sociale verzekeringswetten. Het was eiseres redelijkerwijs duidelijk dat zij daarom ten onrechte een Wazo- en ZW-uitkering ontving.

Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op het rapport van de inspecteur van UWV DHH/ Loket Gefingeerde Dienstverbanden[naam 2] van 17 maart 2014.

3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Zij heeft aangegeven dat zij met ingang van 1 maart 2009 in dienst is getreden van de budgethouder, op basis van een contract voor bepaalde tijd tot 1 juni 2010. Volgens de arbeidsovereenkomst zou eiseres 35,98 uur per maand (8,31 uur per week) als zorgverlener werkzaam zijn. Het basissalaris bedraagt € 2000 per maand. Eiseres heeft aangegeven dat zij feitelijk (veel) meer uren heeft gewerkt per week, ook op zaterdag en zondag. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder zich bij het bestreden besluit alleen heeft gebaseerd op vermoedens dat eiseres geen werk heeft verricht en dat aan het besluit geen toereikend onderzoek ten grondslag heeft gelegen. Nu eiseres op grond van een arbeidsovereenkomst arbeid heeft verricht voor de budgethouder en daarvoor salaris heeft ontvangen is haar beroep op de ZW en de Wazo dan ook terecht geweest.

4. Ter beantwoording door de rechtbank ligt voor de vraag of verweerder terecht eiseres niet verzekerd heeft geacht voor de ZW en de Wazo, omdat eiseres niet tot de budgethouder in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond.

5. Voor de vraag of er sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is maatgevend of tussen eiseres en de budgethouder sprake was van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij als criteria gelden een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Bij de beantwoording van de vraag of de rechtsverhouding beantwoordt aan deze criteria moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stond, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven (zie de arresten van de Hoge Raad van 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8926, en 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3887).

6. Bij besluiten als hier aan de orde, gaat het om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren, brengt in dit geval mee dat verweerder feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er geen sprake was van een dienstbetrekking.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet heeft voldaan aan de onder 6 omschreven bewijslast. Daartoe wordt als volgt overwogen.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de verwijzing naar het rapport van[naam 2] van 17 maart 2014 niet aannemelijk heeft gemaakt dat, gelet op het onder 5. geschetste kader, van een dienstbetrekking geen sprake was. In dat rapport is weliswaar gesteld dat eiseres niet als zorgverlener werkzaam is geweest bij de budgethouder, maar de feiten en omstandigheden die in het rapport zijn vermeld, zijn onvoldoende om tot die conclusie te kunnen komen. Onderzoeksgegevens waaruit naar voren komt dat eiseres (helemaal) niet heeft gewerkt voor de budgethouder zijn er niet. Dat dergelijke gegevens in dit geval niet makkelijk te verkrijgen zijn, gelet op de aard van het dienstverband, maakt niet dat verweerder niet aan de onder 6. weergegeven bewijslast hoeft te voldoen.

De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiseres en de budgethouder een arbeidsovereenkomst hebben gesloten voor de periode 1 maart 2009 tot 1 juni 2010, waarin de indiensttreding als zorgverlener, de arbeidsduur en een verplichting tot het betalen van loon zijn opgenomen. Dat eiseres mogelijk niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een (veel) groter aantal uren per week heeft gewerkt dan de 8,31 uren per week die zijn overeengekomen, maakt nog niet dat eiseres helemaal geen arbeid voor de budgethouder heeft verricht.

De rechtbank overweegt voorts dat, wat er ook zij van het antwoord op de vraag of[naam 3]

–gelet op haar eigen werk wel in staat was full-time op de kinderen van eiseres te kunnen passen, daarmee niet aannemelijk is geworden dat eiseres daardoor niet heeft kunnen voldoen aan de verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid. In dit verband is nog van belang dat eiseres ter zitting[naam 4] heeft meegenomen en dat deze persoon heeft verklaard dat zij (ook) op de kinderen van eiseres paste.

De rechtbank stelt ten slotte vast dat verweerder aan het bestreden besluit niet ten grondslag heeft gelegd dat een gezagsverhouding ontbrak en verweerder heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de betaling van eiseres aan de budgethouder van de bedragen van € 15.000 en

€ 10.000, welke bedragen volgens verweerder overeenkomen met het betaalde loon door de budgethouder, inhoudt dat er – achteraf bezien - geen loon is betaald en dat er daarom niet voldaan is aan een van de voorwaarden voor het aannemen van een dienstverband.

9.
Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal zelf voorzien en de primaire besluiten herroepen. Daarmee vervallen de intrekking van de ZW-uitkering en de Wazo-uitkering alsmede het hiermee verband houdende terugvorderingsbesluit.

10. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980.

Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Verweerder dient voorts het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

herroept de primaire besluiten van 1 en 5 mei 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 980,-;

gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht groot € 45,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L.A.T. Doll, voorzitter, mr. H.J. Klein Egelink en mr. C.W.C.A. Bruggeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

Griffier

Voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.