Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:3717

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13-05-2015
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
264997
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling gemeenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/264997 / HA ZA 14-301 / 167

Vonnis van 13 mei 2015

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te Lunteren, gemeente Ede,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.M. Molkenboer te Tilburg,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Lunteren, gemeente Ede,

verblijvende op Curaçao,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procesadvocaat mr. M.E. Mungroop te Amsterdam,

behandelend advocaat mr. S.C. Limon te Willemstad (Curaçao).

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 oktober 2014

- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte vermeerdering van eis in conventie

- het proces-verbaal van comparitie van 20 november 2014

- de akte uitlating van [gedaagde]

- de antwoordakte van [eiseres].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een relatie gehad en zijn op 18 juni 2003 een samenlevingsovereenkomst aangegaan, die onder meer betrekking heeft op de gemeenschappelijke goederen van partijen. Een gezamenlijk vermogensbestanddeel van partijen vormt een appartement in Parasasa op Curaçao (Royal Palm nummer 28-C), waarvan partijen gezamenlijk eigenaar zijn (hierna: het appartement). Partijen hebben in 2003 een woning in gemeenschappelijke eigendom verkregen in Voorthuizen, welke woning in 2012 is verkocht. [eiseres] is verder eigenaar van een woning in Lunteren. De gemeenschappelijke huishouding van partijen is per 24 december 2013 beëindigd.

2.2.

In de samenlevingsovereenkomst staat, voor zover van belang:

GEMEENSCHAPPELIJK BEWOONDE WONING

Artikel 7

(…)

4. Indien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning en/of een door hen gezamenlijk te gebruiken tweede woning gezamenlijk wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom en de kosten heeft betaald voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij. Deze vordering is opeisbaar bij vervreemding van de woning en bij ontbinding van deze overeenkomst. De vordering zal geen rente dragen.

EINDE OVEREENKOMST

Artikel 8

Deze overeenkomst eindigt:

a. Door opzegging door één van partijen op het tijdstip tegen welke de opzegging is gedaan. De opzegging geschiedt bij aangetekend schrijven.

(…)

d. indien, zonder dat een opzegging als sub a bedoeld heeft plaatsgevonden, partijen de overeenkomst feitelijk hebben beëindigd.

2.3.

[gedaagde] is in de periode van 31 december 2013 tot 15 januari 2014 opgenomen geweest in psychiatrische kliniek “De Riethorst” in Ede en is op 16 januari 2014 vertrokken naar Curaçao. [gedaagde] verblijft sindsdien in het appartement van partijen aldaar.

2.4.

Als productie 1 bij dagvaarding is een stuk overgelegd, gedateerd 3 maart 2004 en getiteld “schuldbekentenis”, dat door [gedaagde] is ondertekend (hierna: de schuldbekentenis). Daarin staat, voor zover van belang:

De ondergetekende:

[gedaagde] , (…)

hierna ook te noemen: de schuldenaar,

verklaart wegens op 1 december 2003, in verband met de aankoop van het registergoed, staande en gelegen te (…) Voorthuizen, (…), ter leen ontvangen gelden schuldig te zijn aan:

mevrouw [eiseres] , (…)

hierna ook te noemen: schuldeiser,

een som van drieëntwintigduizend euro (€ 23.000,00)

onder de volgende bepalingen:

a. De hoofdsom is, met inachtneming van een opzeggingstermijn van twee maanden, te allen tijde aflosbaar en opeisbaar.

b. (…)

c. Over de hoofdsom of het restant daarvan is, zolang en zodra de schuldenaar en schuldeiser tezamen de gemeenschappelijke huishouding (zullen) voeren, geen rente verschuldigd.

Indien de gemeenschappelijke huishouding van partijen beëindigd mocht worden, zal over de hoofdsom of het restant daarvan een rente verschuldigd zijn tegen een rentepercentage, in onderling overleg vast te stellen, bij gebreke waarvan de rente zes procent (6%) per jaar bedraagt, te voldoen in maandelijkse termijnen op de laatste dag van elke maand.

d. De hoofdsom of het restant daarvan is met rente en kosten zonder voorafgaande opzegging dadelijk opeisbaar:

- indien de rente niet uiterlijk op de vervaldatum is betaald;

- bij niet-nakoming door de schuldeiser van enige andere verplichting tegenover de schuldeiser;

(…)

(…)

h. Alle kosten welke de schuldeneiser naar zijn oordeel moet maken tot uitoefening van zijn rechten en alle verdere kosten waartoe deze geldlening aanleiding mocht geven zijn voor rekening van de schuldenaar.

2.5.

Als productie 2 bij dagvaarding is een stuk overgelegd, gedateerd 2 juli 2007 en getiteld “akte van geldlening”, dat door beide partijen is ondertekend (hierna: de akte van geldlening). Daarin staat, voor zover van belang:

De ondergetekenden:

1. [gedaagde], (…)

hierna te noemen: de schuldenaar;

2. [eiseres] , (…)

hierna te noemen: de schuldeiser,

(…)

In aanmerking nemende het volgende:

Terzake van de aankoop van het appartement te Parasasa te Curaçao, Nederlandse Antillen, Royal Palm nummer 28-C is door ondergetekende sub 2 aan eigen geld ingebracht een bedrag groot (…) (€ 165.325,74), waarvoor zij een vordering heeft op de ondergetekende sub 1 ter grootte van de helft van dat bedrag, terwijl door de ondergetekende sub 1 inmiddels aan ondergetekende sub 2 is voldaan een bedrag groot tienduizend euro (€ 10.000,00), waardoor de ondergetekende sub 2 per saldo een vordering heeft op de ondergetekende sub 1 ter grootte van (…) (€ 72.662,87).

De ondergetekende verklaren dat de schuldenaar in verband met het vorenstaande thans schuldig is aan de schuldeiser een bedrag van (…) (€ 72.662,87) onder de volgende bepalingen:

a. (…)

b. Rente

Over de hoofdsom of het restant daarvan is, zolang en zodra de schuldenaar en schuldeiser tezamen een gemeenschappelijke huishouding voeren, geen rente verschuldigd.

Indien de gemeenschappelijke huishouding van partijen beëindigd mocht worden, zal over de hoofdsom of het restant daarvan is een rente verschuldigd tegen een rentepercentage, in onderling overleg vast te stellen, bij gebreke waarvan de rente zes procent (6,00%) per jaar bedraagt, ingaande heden en te voldoen op de laatste dag van elk jaar.

c. Opeisbaarheid

De lening is te allen tijde opeisbaar met inachtneming van een opzeggingstermijn van een maand, alsmede:

1. (…)

2. (…)

3. indien de eventueel verschuldigde rente niet uiterlijk op de vervaldatum is betaald danwel indien de overeengekomen aflossing(en) niet op de overeengekomen data is/zijn voldaan, waartoe in afwijking van de hiervoor vermelde opeisbaarheidsgronden wél een voorafgaande (schriftelijke) ingebrekestelling is vereist.

(…)

f. Kosten

Alle kosten welke de schuldeiser naar zijn oordeel moet maken tot uitoefening van zijn rechten en alle verdere kosten waartoe deze overeenkomst van geldlening aanleiding mocht geven, zijn voor rekening van de schuldenaar.

2.6.

De gemachtigde van [eiseres] heeft bij brief van 4 maart 2014 aan [gedaagde] aanspraak gemaakt op betaling van een bedrag van € 23.256,00 (€ 23.000,00 plus 6% rente per 1 maart 2014) uit hoofde van de schuldbekentenis. Verder wordt de akte van geldlening opgezegd per 4 april 2014 en aanspraak gemaakt op betaling van de rente over de hoofdsom van € 72.662,87 vanaf het moment van ondertekening van de akte, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 28.333,00 per 31 december 2013, met de mededeling dat de hoofdsom opeisbaar wordt per 4 april 2014.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres] vordert, na vermeerdering van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1) [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 98.163,21, te vermeerderen met contractuele rente van 6% per jaar tot aan de dag van volledige betaling;

2) [gedaagde] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis opdracht te verlenen aan [adres] te Curaçao tot bemiddeling tot verkoop van het appartement op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag;

3) [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.000,00 ten titel van gebruiksvergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente, alsmede tot betaling van een bedrag van € 500,00 per maand met ingang van 1 september 2014, zolang [gedaagde] in het appartement op Curaçao verblijft;

4) [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met wettelijke rente, alsmede in de nakosten.

3.2.

[eiseres] baseert haar vordering op de schuldbekentenis en de akte van geldlening. Zij vordert tevens verdeling van het appartement op Curaçao, in die zin dat het appartement wordt verkocht en dat [gedaagde] daaraan zijn medewerking dient te verlenen.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

(i) voor recht te verklaren dat [eiseres] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, althans zich ongerechtvaardigd ten koste van hem heeft verrijkt;

(ii) [eiseres] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 142.000,00, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag van volledige betaling;

(iii) [eiseres] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan een erkend makelaar te Curaçao een verkoopopdracht en taxatierapport (naar de rechtbank begrijpt: taxatieopdracht) te geven met betrekking tot het appartement, met bepaling dat het vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats zal treden van de verkoopopdracht en taxatieopdracht;

(iv) [eiseres] te veroordelen in de kosten van het geding in conventie en in reconventie.

3.5.

[gedaagde] stelt dat hij over een periode van tien jaar aanzienlijke verbouwingswerkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de woningen in Voorthuizen en Lunteren en het appartement op Curaçao en dat hij de kosten daarvan voor zijn rekening heeft genomen. [gedaagde] stelt dat hij de verbouwingswerkzaamheden niet uit vrijgevigheid heeft verricht, maar uit angst voor [eiseres] en dat zij onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, althans zich als gevolg van zijn inspanningen en investeringen ongerechtvaardigd heeft verrijkt. [gedaagde] stelt voor een bedrag van € 142.000,00 in de woningen te hebben geïnvesteerd en dat [eiseres] gehouden is dit bedrag aan hem te vergoeden. [gedaagde] stelt verder dat het appartement op Curaçao dient te worden verkocht en dat [eiseres] daaraan haar medewerking dient te verlenen.

3.6.

[eiseres] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Gezien de samenhang tussen (een aantal van) de vorderingen in conventie en in reconventie zal de rechtbank die vorderingen gezamenlijk bespreken.

4.2.

[gedaagde] heeft voorafgaand aan de comparitie van partijen op 20 november 2014 bij faxbrief van 18 november 2014 een akte vermeerdering en wijziging van eis in reconventie aan de rechtbank toegestuurd. [eiseres] heeft op de comparitie bezwaar gemaakt tegen deze eisvermeerdering/-wijziging in reconventie, die daags voor de comparitie is ontvangen. Ter gelegenheid van de comparitie heeft [gedaagde] verklaard dat hij er de voorkeur aan geeft om in het appartement op Curaçao te blijven wonen. Dat strookt niet met zijn oorspronkelijke vordering in reconventie onder (iii) en evenmin met de vordering in zijn akte vermeerdering en wijziging van eis in reconventie. Omdat [gedaagde] zich op dit punt wenste te beraden is laatstgenoemde akte niet genomen en is de akte aan (de advocaat van) [gedaagde] geretourneerd. [gedaagde] is na afloop van de comparitie in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten of, en zo ja op welke punten, hij zijn eis in reconventie wenst te vermeerderen c.q. wijzigen, waarna [eiseres] een antwoordakte mag nemen.

4.3.

[gedaagde] heeft in zijn akte uitlating allereerst aangevoerd dat de rechtbank niet bevoegd is kennis te nemen van de vermeerdering van eis in conventie van [eiseres], die gelijktijdig is gedaan met haar conclusie van antwoord in reconventie, aangezien die eisvermeerdering betrekking heeft op het appartement van partijen dat zich bevindt op Curaçao, zodat de Nederlandse rechter niet bevoegd is.

4.4.

De rechtbank gaat aan dit verweer voorbij. De vermeerdering van eis in conventie van [eiseres] betrof de veroordeling van [gedaagde] tot het geven van een opdracht tot verkoop van het appartement op Curaçao (rov. 3.1. sub 2). Nog daargelaten dat [gedaagde] heeft nagelaten bij de eerstvolgende gelegenheid, zijnde de comparitie van partijen, een beroep te doen op de onbevoegdheid van de rechtbank ter zake van die eisvermeerdering, valt niet in te zien wat [gedaagde] met dat beroep beoogt, aangezien hij in reconventie vordert dat [eiseres] tot datzelfde zal worden veroordeeld (rov. 3.4. sub (iii). Voorts wordt overwogen dat op grond van artikel 38 lid 3 Statuut voor het Koninkrijk bij rijkswet regels kunnen worden gesteld omtrent privaatrechtelijke onderwerpen van interregionale aard. Bij gebreke van een regeling bij rijkswet van de rechterlijke bevoegdheid in privaatrechtelijke zaken van interregionale aard, dient de rechter zijn bevoegdheid in privaatrechtelijke zaken van interregionale aard te bepalen door zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij bevoegdheidsbepalingen die voor hem gelden op het terrein van het internationaal privaatrecht. Mede gelet op de voorrang van verdragen en EU-verordeningen ten opzichte van het nationale recht (vgl. artikel 1 Rv), is de rechter in het Nederlandse deel van het Koninkrijk gehouden te onderzoeken of in een geval van interregionale aard overeenkomstige toepassing kan worden gegeven aan de in de verdragen en EU-verordeningen neergelegde bevoegdheidsbepalingen (HR 2 mei 2014, NJ 2014, 468). In het onderhavige geval is dat de Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Verordening). Noch de materiële reikwijdte noch de formele reikwijdte van de EEX-Verordening verzet zich tegen de hiervoor bedoelde overeenkomstige toepassing. [gedaagde] staat ingeschreven in de gemeente Ede. De Nederlandse rechter is bevoegd op grond van artikel 2 lid 1 EEX-Verordening. De exclusieve bevoegdheid van artikel 22 EEX-Verordening gaat niet op, nu een vordering tot het verlenen van medewerking aan de verdeling van een aan partijen gezamenlijk in eigendom toebehorende onroerende zaak, geen vordering is ten aanzien van een zakelijk recht in de zin van artikel 22 sub 1 EEX-Verordening (HR 18 maart 2011, NJ 2011, 219). De slotsom is dat de rechtbank bevoegd is van de eisvermeerdering in conventie kennis te nemen.

4.5.

De rechtbank constateert dat [gedaagde] in zijn na de comparitie genomen akte uitlating zijn oorspronkelijke eis in reconventie niet heeft vermeerderd en/of gewijzigd, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat [gedaagde] zijn hiervoor in 3.4. weergegeven eis in reconventie op alle punten handhaaft.

De schuldbekentenis en akte van geldlening

4.6.

[gedaagde] stelt dat de eerste gezamenlijke woning in Voorthuizen door partijen op 1 december 2003 is gekocht en dat beide partijen geld hebben aangewend voor de verbouwing van de bungalow en de aanleg van een tuin. De woning in Voorthuizen is in 2012 verkocht en de hypothecaire lening is afgelost. [eiseres] heeft nadien een bedrag van € 20.000,00 op de rekening van [gedaagde] overgemaakt. Daaruit kan volgens [gedaagde] worden afgeleid dat hij heeft voldaan aan zijn verplichtingen jegens [eiseres] en hij geen schuld meer heeft ter zake van de aankoop van voormelde woning. Van een aanspraak uit hoofde van de schuldbekentenis is om die reden geen sprake.

[gedaagde] stelt verder dat [eiseres] tijdens de relatie van partijen de administratie deed en de financiën regelde en dat hij op haar verzoek regelmatig documenten, rekeningen en declaraties ondertekende. Hij stelt dat hij de akte van geldlening ongezien en ongewild heeft ondertekend. [gedaagde] stelt dat [eiseres] hem tijdens hun relatie stelselmatig lichamelijk en geestelijk heeft afgebroken, geestelijk heeft mishandeld en financieel heeft uitgebuit. Hij stelt dat aan zijn zijde sprake was van een abnormale geestestoestand en afhankelijkheid van [eiseres], waarvan zij misbruik heeft gemaakt. [gedaagde] is na een verkeersongeval in 1995 sinds 1996 volledig arbeidsongeschikt en heeft zich in 1997 onder behandeling gesteld van een klinisch psycholoog. In 2001 heeft onderzoek uitgewezen dat sprake is van forse emotionele en cognitieve beperkingen, passend bij psychische surmenage met burn-out, mogelijk pre-existent, en onderhouden door de perfectionistische instelling van [gedaagde] en het niet accepteren van zijn beperkingen. In een rapport van Pro Persona van 24 januari 2014 wordt gesproken over kenmerken van een cluster -B- persoonlijkheidsstoornis en dan met name van een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Ook is een mogelijke posttraumatische stressstoornis geconstateerd. [gedaagde] stelt dat hij door zijn geestesgesteldheid niet in staat was om de strekking van de akte van geldlening te beoordelen en dat hij de akte niet als wilsverklaring heeft ondertekend. [gedaagde] stelt dat [eiseres] door misbruik van omstandigheden hem ertoe heeft bewogen de schuldbekentenis en de akte van geldlening te ondertekenen. Om die reden dienen die akten, in het bijzonder de akte van geldlening, nietig te worden verklaard, aldus [gedaagde].

4.7.

[eiseres] bestrijdt de stellingen van [gedaagde]. Zij voert aan dat [gedaagde], die over een beperkte arbeidsongeschiktheidsuitkering beschikte, bij aanvang van de samenwoning bij haar is ingetrokken en dat tijdens de samenleving van partijen vrijwel alle gezamenlijke kosten door haar zijn betaald, waaronder de hypotheeklasten, gas, water en licht. [eiseres] was kostwinner en had een voltijdse baan als senior purser bij de KLM en [gedaagde], die geen reguliere dagbesteding had, verrichtte weleens huishoudelijke werkzaamheden, werkte in de tuin en hielp soms bij verbouwingen.

[eiseres] stelt dat zij ten tijde van de gezamenlijke aankoop van de woning in Voorthuizen een bedrag van € 46.000,00 aan eigen geld heeft ingebracht. Om die reden is de schuldbekentenis opgesteld, waarin is vastgelegd dat [gedaagde] de helft van dat bedrag aan haar verschuldigd is. Het bedrag dat na verkoop van de woning en aflossing van de hypothecaire lening resteerde ad € 23.994,26 is door de notaris op de gezamenlijke rekening van partijen gestort en daarvan is € 20.000,00 doorbetaald aan [gedaagde] en € 4.000,00 aan [eiseres] (productie 6 bij conclusie van antwoord in reconventie). [gedaagde] heeft het door hem ontvangen bedrag voor een deel aangewend voor de betaling van een nieuwe keuken en het herstellen van de meterkast in het appartement op Curaçao, een bedrag van in totaal circa € 4.250,00, en heeft het restant in de loop van de jaren naar eigen inzicht besteed, aldus [eiseres]. De opbrengst van de woning in Voorthuizen is tenminste voor de helft aan [gedaagde] toegekomen, terwijl hij niets heeft terugbetaald van de aanvankelijke investering van [eiseres], zodat [gedaagde] nog steeds een bedrag van € 23.000,00 aan haar verschuldigd is, aldus [eiseres]. Zij heeft die aanspraak destijds niet te gelde willen maken, omdat partijen toen nog samenwoonden.

[eiseres] stelt verder dat zij in 2007 bij de aankoop van het appartement op Curaçao een bedrag van € 165.325,74 aan eigen geld heeft ingebracht en [gedaagde] een bedrag van € 10.000,00, waardoor zij per saldo een vordering van € 72.662,87 op [gedaagde] heeft verkregen. Daarvoor is de akte van geldlening gesloten. Vanaf het moment dat de samenlevingsovereenkomst is ontbonden (24 december 2013) zijn de vorderingen uit hoofde van de schuldbekentenis en de akte van geldlening opeisbaar en is [gedaagde] in verzuim. [eiseres] betwist dat er op enig moment sprake is geweest van misbruik van omstandigheden. Zij stelt dat de schuldbekentenis en akte van geldlening precies aansluiten bij de feitelijke situatie. Zij heeft met eigen geld het aandeel betaald dat [gedaagde] diende te betalen voor het verkrijgen van de onverdeelde helft in de twee genoemde onroerende zaken, zodat [gedaagde] de in de schuldbekentenis en akte van geldlening genoemde bedragen aan haar verschuldigd is, aldus [eiseres].

4.8.

De rechtbank overweegt als volgt. [gedaagde] betwist niet dat [eiseres] de door haar gestelde bedragen, respectievelijk € 46.000,00 en € 165.325,74, uit eigen middelen heeft ingebracht bij de aankoop van de twee aan partijen gezamenlijk in eigendom toebehorende woningen (respectievelijk de woning in Voorthuizen en het appartement op Curaçao) en dat zij de helft van die bedragen (respectievelijk € 23.000,00 en € 72.662,87 (€ 82.662,87 minus € 10.000,00)) heeft ingebracht ten behoeve van [gedaagde]. Dat betekent dat [eiseres] op die grond, ook bij gebreke van een schuldbekentenis en akte van geldlening, aanspraak kan maken op nominale vergoeding van haar inbreng (vgl. HR 12 juni 1987, NJ 1988, 150). Dat geldt ook voor ongehuwde samenwoners, waarbij met betrekking tot de woning in Voorthuizen en het appartement op Curaçao sprake is van een eenvoudige gemeenschap in de zin van Boek 3 titel 7, afdeling 1 van het Burgerlijk Wetboek. Het voorgaande strookt overigens ook met hetgeen is opgenomen in artikel 7 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst (rov. 2.2.). Ook de nadien opgestelde schuldbekentenis en de akte van geldlening sluiten in zoverre daarop aan. [gedaagde] betwist niet dat zijn handtekening op beide stukken staat.

4.9.

Ten aanzien van het beroep van [gedaagde] op misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 lid 1 jo. lid 4 BW) overweegt de rechtbank als volgt. Ook als tot uitgangspunt wordt genomen dat [gedaagde] ten tijde van het ondertekenen van de schuldbekentenis en de akte van geldlening (in respectievelijk 2004 en 2007) psychische problemen had, dan is daarmee het verband tussen die psychische gesteldheid en het ondertekenen van de schuldbekentenis en de akte van geldlening nog niet gegeven. Dat [eiseres] wist dan wel moest weten dat [gedaagde] door zijn psychische problemen werd bewogen tot ondertekening van de schuldbekentenis en de akte van geldlening, terwijl zij wist dan wel moest begrijpen dat zij hem daarvan had behoren te weerhouden, is niet gebleken, althans hetgeen [gedaagde] daartoe stelt is niet voldoende. Het enkele feit dat [eiseres] de administratie van partijen deed en de financiën regelde, maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] geen feiten en omstandigheden heeft gesteld, waaruit blijkt dat de schuldbekentenis en de akte van geldlening tot stand zijn gekomen door misbruik van omstandigheden in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW.

4.10.

Daar komt nog het volgende bij. Het door [gedaagde] overgelegde verslag (productie 12 bij conclusie van antwoord) en de rapportage van Pro Persona (productie 2 bij conclusie van antwoord) dateren van respectievelijk 31 december 2013 en 24 januari 2014 en zeggen niets over de psychische gesteldheid van [gedaagde] in 2004 en 2007. Datzelfde geldt voor de als productie 9 overgelegde mail van de huisarts, die verwijst naar een aantekening van een gesprek op 14 september 2009 (“wonen-relatie niet naar wens. Wil even praten: SPEL (= psychologen praktijk in Ede”), een als productie 4 overgelegd (onleesbaar) verslag van 11 februari 2014 en het verslag van het St. Elisabeth Hospitaal op Curaçao, dat dateert uit maart 2014. De verzekeringsgeneeskundige rapportages van Gak Nederland en het UWV (producties 10 en 11) dateren uit 1997 respectievelijk 2002 en zijn opgesteld in het kader van de beoordeling van de belastbaarheid en de mate van arbeidsongeschiktheid van [gedaagde] als gevolg van zijn ongeval in 1995. Voor zover [gedaagde] met zijn verweer een beroep heeft willen doen op artikel 3:34 BW, dan heeft hij ook op dat punt niet voldoende (onderbouwd) gesteld.

4.11.

Gelet op het voorgaande bestaat er geen grond voor vernietiging van de schuldbekentenis en de akte van geldlening.

4.12.

[gedaagde] heeft verder aangevoerd dat het bedrag van de schuldbekentenis is verrekend bij de verkoop van de woning in Voorthuizen in 2012. De rechtbank verwerpt dat verweer. [eiseres] heeft bij conclusie van antwoord in reconventie uiteengezet hoe destijds de financiële afwikkeling van de verkoop van die woning heeft plaatsgevonden. Die uitleg is door [gedaagde] niet betwist. In het licht van die uitleg valt niet in te zien dat het enkele feit dat aan [gedaagde] na verkoop van de woning een bepaald bedrag is uitbetaald zou betekenen dat er geen schuld meer zou bestaan uit hoofde van de schuldbekentenis en/of dat [eiseres] daarmee heeft afgezien van haar aanspraak tot terugbetaling van het door haar ten behoeve van [gedaagde] ingebrachte bedrag in die woning.

4.13.

De slotsom van het voorgaande is dat [gedaagde] de in de schuldbekentenis en akte van geldlening vastgelegde bedragen aan [eiseres] verschuldigd is.

Rente

4.14.

[eiseres] baseert haar aanspraak op rente op punt c. van de schuldbekentenis

(rov. 2.3.) respectievelijk punt b. van de akte van geldlening (rov. 2.4.). [gedaagde] stelt zich daarentegen op het standpunt dat artikel 7 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst van toepassing is, waarin staat dat geen rente verschuldigd is. Hij betwist verder dat is gesproken over rente en dat een rentepercentage van 6% is overeengekomen.

4.15.

Vaststaat dat zowel de schuldbekentenis als de akte van geldlening van een latere datum zijn dan de samenlevingsovereenkomst en dat die beide stukken zijn opgesteld op het moment dat de woning in Voorthuizen respectievelijk het appartement op Curaçao door partijen is aangekocht. De rechtbank is van oordeel dat die beide stukken, die zien op die twee aankopen en die uitgaan van concrete bedragen ten aanzien van de inbreng van [eiseres] in de aankoop van die beide onroerende zaken, nadere overeenkomsten zijn en in die zin een aanvulling vormen op de (algemene) bepaling van artikel 7 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst. In artikel c. van de schuldbekentenis en artikel b. van de akte van geldlening is bepaald dat, zolang partijen een gemeenschappelijke huishouding voeren, geen rente is verschuldigd. Bij gebreke van een in onderling overleg vastgesteld rentepercentage geldt een rentepercentage van 6% vanaf het moment van de beëindiging van de gemeenschappelijke huishouding van partijen. Aan het slot van artikel b. van de akte van geldlening is daaraan toegevoegd “ingaande heden en te voldoen op de laatste dag van elk jaar”, maar zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien hoe zich dit verhoudt tot de eerste zin en het begin van de tweede zin van artikel b. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook ten aanzien van de geldlening rente verschuldigd is vanaf het moment dat de gemeenschappelijke huishouding van partijen is geëindigd (24 december 2013), zoals [eiseres] in de dagvaarding kennelijk ook doet (punt 2.), en niet, zoals in de brief van de gemachtigde van [eiseres] van 4 maart 2014 tot uitgangspunt wordt genomen, vanaf de datum van het sluiten van de akte van geldlening (rov. 2.6.).

Opeisbaarheid van de hoofdsom en de rente

4.16.

[eiseres] baseert zich terzake op punt d. van de schuldbekentenis en punt c. van de akte van geldlening. [gedaagde] verwijst ook in dit verband naar artikel 7 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst en hij verzoekt de rechtbank te bepalen dat de vordering van [eiseres] pas opeisbaar is bij vervreemding van het appartement op Curaçao.

4.17.

Ten aanzien van de schuldbekentenis geldt het volgende. De gemeenschappelijke huishouding van partijen is 24 december 2013 geëindigd. Dat betekent dat [gedaagde] op grond van artikel c. van de schuldbekentenis vanaf die datum rente verschuldigd is, te voldoen in maandelijkse termijnen. Nu [gedaagde] niet aan die verplichting heeft voldaan, is de hoofdsom en rente opeisbaar op de voet van artikel d. van de schuldbekentenis.

4.18.

De akte van geldlening is bij brief van 4 maart 2014 met inachtneming van een opzegtermijn van een maand opgezegd per 4 april 2014 en vanaf die datum opeisbaar (artikel c.), inclusief de inmiddels op grond van artikel b. verschuldigde rente (vanaf 24 december 2013).

4.19.

De rechtbank overweegt dat tussen partijen met betrekking tot de woning in Voorthuizen en het appartement op Curaçao sprake was respectievelijk is van een eenvoudige gemeenschap. De rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten in een gemeenschap worden beheerst door de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Daarnaast dient de aard van de rechtsverhouding tussen de deelgenoten te worden meegewogen (vgl. HR 13 februari 2004, NJ 2004, 653). In casu is sprake geweest van een affectieve relatie tussen partijen, gedurende welke relatie de beide onroerende zaken door partijen gezamenlijk zijn aangekocht, één daarvan als tweede woning. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij niet over de financiële middelen beschikt om het gevorderde bedrag te voldoen, omdat hij alleen een maandelijkse arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt en geen vermogen heeft, met uitzondering van zijn aandeel in de eigendom van het appartement op Curaçao. [eiseres] heeft een en ander niet weersproken. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel de uit hoofde van de schuldbekentenis en de akte van geldlening gevorderde bedragen inclusief rente in beginsel opeisbaar zijn, gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval de redelijkheid en billijkheid aanleiding geven te bepalen dat het aldus door [gedaagde] aan [eiseres] te betalen bedrag pas opeisbaar zal zijn op het moment dat het appartement van partijen op Curaçao zal zijn verkocht en geleverd.

De verbouwingen

4.20.

[gedaagde] stelt dat de woning in Voorthuizen drastisch is verbouwd en een tuin is aangelegd. Hij stelt dat hij met behulp van een klusjesman, [naam] (hierna: [naam]), de verbouwingen grotendeels heeft verricht, ook in de woning in Lunteren, die [eiseres] had geërfd en waarin partijen in 2003/2004 zijn gaan wonen. [gedaagde] stelt dat hij niet alleen in de vorm van arbeid maar ook financieel heeft bijgedragen aan die verbouwingen. Datzelfde geldt voor de verbouwing van het appartement op Curaçao. In totaal gaat het om een periode van tien jaar. [gedaagde] stelt dat zijn schade-uitkering na zijn ongeval in 1995 daardoor is verdampt. Hij stelt dat bij hem sprake was van een abnormale geestestoestand, afhankelijkheid en angst, en dat [eiseres] daar ernstig misbruik van heeft gemaakt. Zij heeft onrechtmatig jegens hem gehandeld door hem werkzaamheden te laten verrichten en financieel uit te buiten. [gedaagde] stelt geen idee te hebben hoeveel geld hij heeft aangewend voor de verbouwing van de woning in Voorthuizen. Hij schat het bedrag voor de verbouwingen van de woningen in Lunteren en op Curaçao op € 142.000,00 (€ 75.000 aan materiaal, arbeidsinspanning en betalingen aan [naam] voor de woning in Lunteren, € 44.000,00 aan materiaal voor het appartement op Curaçao en € 23.000,00 als vergoeding voor zijn arbeidsinspanning (gebaseerd op een uurloon van € 15,00) voor Lunteren en Curaçao. Dit is een globale schatting aan de hand van bankafschriften over de periode 2007 tot eind 2013. Omdat [eiseres] weigert die bankafschriften aan hem te verstrekken, waarmee hij zijn uitgaven kan aantonen, verzoekt [gedaagde] de rechtbank daarmee rekening te houden. [gedaagde] verwijst verder naar de door hem overgelegde verklaringen van hemzelf, zijn zoon, de eigenaar van een aannemingsbedrijf op Curaçao, een aannemer, de werkster en haar moeder, waaruit volgens hem blijkt hoe hard hij werkte en hoe intensief zijn betrokkenheid was bij de verbouwingen.

4.21.

[eiseres] betwist de juistheid van de hiervoor genoemde verklaringen, de omvang van de door [gedaagde] gestelde verbouwingswerkzaamheden alsmede de terzake door hem gestelde betalingen. [eiseres] betwist dat zij [gedaagde] stelselmatig lichamelijk en psychisch zou hebben afgebroken dan wel dat zij misbruik van hem zou hebben gemaakt door druk op hem uit te oefenen om verbouwingswerkzaamheden uit te voeren. Zij voert aan dat zij kostwinner was en voltijds werkte en dat het vanzelfsprekend was dat [gedaagde] weleens huishoudelijke werkzaamheden verrichtte, in de tuin werkte en hielp bij verbouwingen, maar dat deze werkzaamheden niet buitensporig van aard waren en dat [gedaagde] zelden tot nooit verbouwingskosten op relevante schaal voor haar heeft betaald. Zij stelt dat het merendeel van de verbouwingskosten door haar zijn betaald. [gedaagde] heeft ook contante gelden opgenomen van de gezamenlijke rekening van partijen, kennelijk om de aannemer te betalen, maar die rekening werd gevoed vanuit haar eigen bankrekening, aldus [eiseres]. Zij stelt dat ook zij de aannemer op Curaçao voor werkzaamheden heeft betaald. [eiseres] betwist ten slotte dat zij in het bezit is van de bankafschriften van [gedaagde].

4.22.

[gedaagde] heeft ter gelegenheid van de comparitie verklaard dat partijen nooit over een vergoeding en/of een uurloon hebben gesproken. Niet valt dan ook in te zien op welke grond [gedaagde] een bedrag van € 23.000,00 aan arbeidsloon vordert. [gedaagde] heeft verder niet betwist dat [eiseres] de (vaste) lasten van de woningen betaalde, dat zij ook voor verbouwingswerkzaamheden heeft betaald en dat een deel van de betalingen aan de aannemer vanaf de gezamenlijke bankrekening van partijen is gedaan. Uit de door [gedaagde] overgelegde verklaringen volgt verder niets anders dan dat [gedaagde] gedurende een aantal jaren regelmatig werkzaamheden heeft verricht en behulpzaam is geweest bij verbouwingswerkzaamheden in het appartement op Curaçao (de verklaringen van de heer [naam], de heer [naam], mevrouw S. [naam] en mevrouw P. [naam]) en dat hij veel kluste aan de gezamenlijke huizen van partijen en spaargeld investeerde in het interieur (de verklaring van de zoon van [gedaagde]). Wat er ook zij van die verklaringen, daarmee heeft [gedaagde] geen enkele onderbouwing gegeven van zijn stelling dat hij voor de verbouwingskosten van de woning in Lunteren en het appartement op Curaçao een bedrag van € 75.000,00 respectievelijk € 44.000,00 uit eigen middelen heeft aangewend. Bij deze stand van zaken, en gelet op het gemotiveerde en met stukken onderbouwde verweer van [eiseres], is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] ten aanzien van zijn reconventionele vordering onder (ii) niet heeft voldaan aan zijn stelplicht. Dat hij niet beschikt over bankafschriften dient voor zijn rekening en risico te komen. Bewijslevering is in dat geval niet aan de orde. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het aanbod van [gedaagde] om [naam] als getuige te horen. De vordering in reconventie onder (ii) zal worden afgewezen. Het voorgaande betekent dat er ook geen grond bestaat voor de in reconventie onder (i) gevorderde verklaring voor recht.

Verkoop appartement Curaçao

4.23.

Partijen vorderen over en weer veroordeling van de ander tot medewerking aan de verkoop van het appartement op Curaçao. [gedaagde] heeft ter gelegenheid van de comparitie weliswaar aangegeven dat hij in het appartement op Curaçao wil blijven wonen, maar hij heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, zijn vordering in reconventie op dit punt niet gewijzigd. Partijen stellen over en weer dat de andere partij geen medewerking verleent aan het geven van een verkoopopdracht. Nu partijen kennelijk wel de verkoop van het appartement beogen, zal de rechtbank beide partijen veroordelen tot het verlenen van medewerking aan het verstrekken van een verkoopopdracht aan een makelaar en al datgene te verrichten respectievelijk na te laten wat op instructie van de makelaar nodig is om tot verkoop van het appartement te komen. [gedaagde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de door [eiseres] voorgestelde makelaar, [adres].

4.24.

[eiseres] vordert een veroordeling op straffe van een dwangsom en [gedaagde] indeplaatstreding van het vonnis (reële executie). De rechtbank is van oordeel dat er, gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval, geen aanleiding bestaat voor het opleggen van een dwangsom van € 1.000,00 per dag. De voormelde opdracht aan de makelaar betreft een rechtshandeling. Ingeval een partij daaraan niet de benodigde medewerking verleent, voorziet artikel 3:300 BW in de mogelijkheid van reële executie tot het verrichten van rechtshandelingen. De rechtbank zal op grond van het eerste lid van genoemd artikel bepalen dat dit vonnis, bij gebreke van de medewerking van een partij aan de verstrekking van een verkoopopdracht aan [adres], dezelfde kracht heeft als de vereiste medewerking van die partij.

Gebruiksvergoeding

4.25.

[eiseres] vordert betaling door [gedaagde] van een gebruiksvergoeding van € 500,00 per maand, omdat hij, met uitzondering van acht weken dat het appartement verhuurd is geweest, sinds januari 2014 het exclusieve gebruik heeft van het appartement op Curaçao.

4.26.

De rechtbank overweegt dat de door de rechter te bepalen vergoeding voor het uitsluitend gebruik van de woning door de ene echtgenoot is te beschouwen als een compensatie voor het genot en gebruik van de woning dat de andere echtgenoot (in dit geval de vrouw) als (mede)rechthebbende mist, een en ander op de voet van artikel 3:169 BW. De hoogte van de vergoeding is echter afhankelijk van de waardering van de omstandigheden, waarbij de redelijkheid beslissend is.

4.27.

In dit geval betreft het een appartement op Curaçao dat in 2007 is aangekocht als tweede woning. [eiseres] stelt de gebruiksvergoeding voor het appartement op € 1.000,00 per maand. Enige toelichting en/of onderbouwing van dat bedrag is niet gegeven. Verder is het appartement kennelijk ook verhuurd geweest aan KLM personeel. [eiseres] heeft de stelling van [gedaagde] dat zij de verhuuropbrengsten daarvan heeft ontvangen, niet weersproken. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande dan ook geen aanleiding te bepalen dat [gedaagde] een gebruiksvergoeding van € 500,00 per maand verschuldigd is voor zijn verblijf in het appartement. De vordering in conventie onder 3) zal daarom worden afgewezen.

Slotsom

4.28.

De vordering van [eiseres] in conventie onder 1) zal worden toegewezen, met inbegrip van de rente. In het gevorderde bedrag is reeds een bedrag aan rente berekend (tot en met 31 mei 2014), zodat de rente over de hoofdsom toewijsbaar is met ingang van 1 juni 2014. De vordering in conventie onder 2) zal worden toegewezen zoals hierna in het dictum te vermelden, evenals de vordering van [gedaagde] in reconventie onder (iii). De overige vorderingen zullen worden afgewezen.

4.29.

Aangezien het onderhavige geschil voortvloeit uit de relatie die partijen hebben gehad, zullen zoals gebruikelijk de kosten van de procedure tussen partijen worden gecompenseerd. Er zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld of gebleken, die de rechtbank aanleiding geven om daar in het onderhavige geval van af te wijken.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 98.163,21, te vermeerderen met 6% rente over een bedrag van € 95.662,87 met ingang van 1 juni 2014 tot aan de dag van volledige betaling, met bepaling dat de hoofdsom ad € 95.662,87 inclusief de daarover verschuldigde rente pas opeisbaar zal zijn op het moment dat het appartement van partijen op Curaçao zal zijn verkocht en geleverd,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na heden mee te werken aan het verlenen van een verkoopopdracht met betrekking tot het appartement op Curaçao aan makelaarskantoor [adres] te Curaçao en al datgene te verrichten respectievelijk na te laten wat op instructie van de makelaar nodig is om tot verkoop van het appartement te komen,

5.3.

bepaalt dat dit vonnis, bij gebreke van de medewerking van [gedaagde] aan de hiervoor onder 5.2. bedoelde verkoopopdracht dezelfde kracht heeft als de vereiste medewerking van [gedaagde],

in reconventie

5.4.

veroordeelt [eiseres] om binnen veertien dagen na heden mee te werken aan het verlenen van een verkoopopdracht met betrekking tot het appartement op Curaçao aan makelaarskantoor [adres] te Curaçao en al datgene te verrichten respectievelijk na te laten wat op instructie van de makelaar nodig is om tot verkoop van het appartement te komen,

5.5.

bepaalt dat dit vonnis, bij gebreke van de medewerking van [eiseres] aan de hiervoor onder 5.4. bedoelde de verkoopopdracht dezelfde kracht heeft als de vereiste medewerking van [eiseres],

in conventie en in reconventie

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

compenseert de proceskosten, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2015.