Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:3713

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-06-2015
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
208814
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2018:7753, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

kartelschade / schatting prijsopslag / vergoeding met wettelijke rente vanaf de betaling van de opslag / tardief beroep op verjaring van de rente / doorberekeningsverweer – redelijkheidstoets.

De zaak betreft het wereldwijde GIS-kartel van ABB en Alstom e.a. van omstreeks 1994. Vervolg op het tussenvonnis van de rechtbank van 24 september 2014 in deze zaak (ECLI:NL:RBGEL:2014:6118) en het arrest van het gerechtshof van 2 september 2014 in de zaak tegen ABB (ECLI:NL:GHARL:2014:6766).

Aansprakelijkheid voor kartelschade na onherroepelijke beschikking Europese Commissie (zgn. follow on-actie); kartelleden aansprakelijk wegens handelen in groepsverband; in concernverband toerekening van wetenschap moeder aan dochter; verjaring; schadebegrip en de berekening van de schade; doorberekeningsverweer.

Alstom wordt veroordeeld om de destijds aan Sep in rekening gebrachte prijsopslag (overcharge) te vergoeden. Informatie over de prijsberekening van Alstom ontbreekt. Daarom wordt haar prijsopslag geschat door vergelijking van de prijzen bij een kartelgenoot (ABB) tijdens en ná het kartel.

De prijsopslag wordt geschat op € 14.100.000,00 vermeerderd met de samengestelde wettelijke rente over dit bedrag vanaf de betaling van de prijsopslag omstreeks 1994, waarvan wordt aangenomen dat deze is doorberekend in de transporttarieven. Bij de beoordeling van het desbetreffende doorberekeningsverweer (passing-on defence) zoekt de rechtbank aanknoping in het Nederlandse schadevergoedingsrecht en wel bij artikel 6:100 BW (voordeelverrekening). Dit artikel vergt een redelijkheidstoets en deze toets valt uit in het nadeel van Alstom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2015/45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/208814 / HA ZA 10-2412 / 172-634-115

Vonnis van 10 juni 2015

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TENNET TSO B.V.,

gevestigd te Arnhem,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SARANNE B.V.,

gevestigd te Arnhem,

eiseressen in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

advocaten mrs. J.K. de Pree en D.J. Beenders te Amsterdam,

tegen

1. de rechtspersoon naar vreemd recht

ALSTOM,

gevestigd te Levallois-Perret Cedex, Frankrijk,

2. de rechtspersoon naar vreemd recht

ALSTOM GRID S.A.S.,

gevestigd te Paris-La Défense Cedex, Frankrijk,

3. de rechtspersoon naar vreemd recht

COGELEX,

gevestigd te Paris-La Défense Cedex, Frankrijk,

4. de rechtspersoon naar vreemd recht

ALSTOM HOLDINGS,

gevestigd te Levallois-Perret Cedex, Frankrijk,

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

procesadvocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

behandelend advocaten mrs. K.A.J. Bisschop en S.H. Bouwers te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Tennet c.s. en Alstom c.s. genoemd worden. Afzonderlijk worden TenneT c.s. aangeduid met TenneT en Saranne en worden Alstom c.s. aangeduid met Alstom, Alstom Grid, Cogelex en Alstom Holdings.

1 De procedure

In de hoofdzaak heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen en uitgesproken op 24 september 2014. Bij dat vonnis heeft de rechtbank partijen de gelegenheid gegeven om zich bij akte uit te laten omtrent enkele vraagpunten en vervolgens bij antwoordakte te reageren op elkaars akten. Dat is gebeurd op de rolzittingen van 5 november 2014 en 4 maart 2015. Op die eerste rol hebben beide partijen hun eerste akte genomen en op de tweede rol hebben beide partijen op elkaars akten gereageerd. Intussen zijn nog incidenten aanhangig gemaakt waarop de rechtbank heeft beslist bij vonnissen van 4 februari 2015 en 15 april 2015. Bij het laatste vonnis is de hoofdzaak naar de rol verwezen voor partijberaad. Partijen hebben te kennen gegeven dat zij vonnis willen in de hoofdzaak.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank verwijst naar voormeld tussenvonnis in de hoofdzaak van 24 september 2014. De rechtbank blijft bij dat vonnis. Bij dat vonnis heeft de rechtbank beslist op alle geschilpunten behoudens de omvang van de verhaalbare schade. Te dien aanzien heeft de rechtbank partijen uitgenodigd om zich uit te laten over (i) de ingangsdata van de gevorderde wettelijke rente, (ii) de congruentie tussen de door ABB in 1999 geoffreerde uitbreiding en de door haar in 2005 geleverde uitbreiding van een 380 kV GIS tak, (iii) de daling van de productiekosten tussen 1999 en 2005 bij Alstom c.s. van haar, volgens haar vergelijkbare, 420kV / 63 kA bay en (iv) het doorberekeningsverweer. Alle andere geschilpunten beschouwt de rechtbank als afgedaan.

2.2.

Terzijde merkt de rechtbank op dat zij wel heeft gezien dat Alstom c.s. keer op keer kritiek heeft geuit op de beslissing van de rechtbank inzake haar bevoegdheid in het eerste vonnis in incident d.d. 26 oktober 2011, waar de rechtbank haar bevoegdheid ten dele heeft ontleend aan artikel 6 lid 1 van de EEX-Verordening, terwijl zij die bevoegdheid beter had kunnen baseren op de inmiddels in de hoofdzaak vastgestelde grond dat alle gedaagden een onrechtmatige daad kan worden aangerekend. De rechtbank moet echter aan die kritiek van Alstom c.s. voorbij gaan omdat die beslissing in dat vonnis in incident kwalificeert als een bindende eindbeslissing, die is vastgelegd in een dictum. Daarop kan niet worden teruggekomen in dezelfde instantie.

De rente

2.3.

Inzake haar rentevordering heeft Tennet c.s. herhaald dat zij aanspraak maakt op vergoeding van de samengestelde wettelijke rente vanaf de betaaldata van de te hoge prijs voor het GIS. Dat zijn zeven verschillende momenten omdat zij Cogelex en Cegelec in zeven termijnen heeft betaald, zoals geregeld in het Bestek. Tennet c.s. stelt dat de bankafschriften nu, na ongeveer 20 jaar, niet meer voorhanden zijn en ook niet kunnen worden opgevraagd bij de bank, maar Tennet c.s. beschikt nog wel over de facturen en Tennet c.s. betoogt dat zij, op enkele uitzonderingen na, geacht kan worden steeds betaald te hebben op de eerste donderdag of vrijdag op of na de vervaltermijn van 30 dagen na factuurdatum. De prijsopslag (overcharge) verdeelt Tennet c.s. naar evenredigheid over de deelbetalingen. Het een en ander heeft Tennet c.s. uitgewerkt in een tabel.

2.4.

Alstom c.s. betoogt dat Tennet c.s. met deze reconstructie niet het benodigde bewijs heeft geleverd inzake de betaaldata, terwijl uit het betoog van Tennet c.s. wel lijkt te volgen dat zij steevast te laat betaalde. Daarom moet de rentevordering volgens Alstom c.s. worden afgewezen. Voorts stelt Alstom c.s. dat een groot deel van de rentevordering is verjaard. Alstom c.s. stelt dat Tennet c.s. slechts rente kan vorderen over de vijf jaren voorafgaande aan de eerste stuitingshandeling.

2.5.

Het beroep op verjaring wordt door de rechtbank afgewezen. Dit is een nieuw verweer dat door Alstom c.s. voor het eerst is opgeworpen in haar laatste processtuk, de antwoordakte van 4 maart 2015. Op deze antwoordakte in de hoofdzaak heeft Tennet c.s. niet meer kunnen reageren. Dit beroep op verjaring in het allerlaatste processtuk na een uitvoerig schriftelijk debat is in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde en dat van de concentratie van verweer in de conclusie van antwoord. In die conclusie van antwoord d.d. 18 juli 2012 verzocht Alstom c.s. slechts de door Tennet c.s. gevorderde wettelijke rente te matigen. In haar lijvige conclusie van dupliek d.d. 3 april 2013 volstond Alstom c.s. met een herhaling van dit verzoek. In haar antwoordakte op akte uitlating dupliek d.d. 24 juli 2013 en haar antwoordakte op akte overlegging productie d.d. 18 juni 2014 heeft Alstom c.s. met geen woord gerept over de rentevordering. Hetzelfde geldt voor haar eerste akte na het tussenvonnis, de nadere akte na tussenvonnis d.d. 5 november 2014.

2.6.

De rechtbank laat bij deze beslissing meewegen dat het gaat om een groot belang, te weten rente over een aanzienlijk bedrag over een tiental jaren, dat aandacht verdient van beide partijen en dat Alstom c.s., gezien haar verzoek om matiging, ook helemaal niet is ontgaan. Tennet c.s. behoort in een zo laat stadium van het geding niet overvallen te worden met een zo verstrekkend principaal verweer als een beroep op verjaring. Voorts hoort TenneT c.s. zeker de gelegenheid te krijgen om te reageren op het beroep op verjaring dat is gebaseerd op artikel 3:308 BW. De uitleg, die Alstom c.s. geeft aan dit wetsartikel, is immers niet onomstreden en staat bijvoorbeeld op gespannen voet met de Richtlijn 2014/104/EU waarop Alstom c.s. zich beroept in ander verband (zie preambule 12, waar Parlement en Raad overwegen dat de uitbetaling van rente een essentieel onderdeel vormt van de vergoeding met het oog op herstel van de schade die is geleden wegens tijdsverloop en dat de rente verschuldigd dient te zijn vanaf het tijdstip waarop de schade is ontstaan tot het tijdstip van uitbetaling van de vergoeding). Ten slotte laat de rechtbank meewegen dat deze procedure zich nu al vele jaren voortsleept en dat hieraan een einde behoort te komen.

2.7.

Wat betreft de ingangsdata van de wettelijke rente heeft Alstom c.s. echter wel een punt waar zij zich erop beroept dat Tennet c.s. bewijs dient te leveren van de betaaldata. Tennet c.s. geeft aan dat zij geen sluitend bewijs kan leveren en Alstom c.s. stelt overigens zelf ook niet meer over de verschillende betalingsgegevens te beschikken. De consequentie van de bewijsnood van Tennet c.s. is echter niet, zoals Alstom c.s. ingang wil doen vinden, dat de rentevordering geheel moet worden afgewezen. Niet betwist is immers dat Tennet c.s. feitelijk alle genoemde facturen van Cogelex en Cegelec heeft betaald. Verder zijn de door Tennet c.s. genoemde vervaldata van die facturen niet betwist en is niet gesteld of gebleken dat die betalingstermijnen aanzienlijk werden overschreden. Uit het debat tussen partijen valt af te leiden dat de betalingstermijnen hooguit enkele dagen tot maximaal twee weken werden overschreden.

2.8.

De verdeling van de prijsopslag over de verschillende facturen is verder niet bestreden door Alstom c.s.

2.9.

Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank de samengestelde wettelijke rente toewijzen overeenkomstig de tabel van Tennet c.s., zij het telkens vanaf 14 dagen na de door haar genoemde vervaldata. Het verzoek om matiging van de wettelijke vertragingsrente is onvoldoende onderbouwd. Alstom c.s. heeft niet aangegeven waarom in de omstandigheden van dit geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de draagkracht van partijen, toekenning van de standaard wettelijke rente tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden.

De vergelijkbaarheid van de ABB offerte van 1999 met de overeenkomst van 2005

2.10.

Naar aanleiding van de desbetreffende uitnodiging van de rechtbank heeft Tennet c.s. een aantal documenten in het geding gebracht en voorzien van een toelichting. Het betreft de offerte-aanvraag van 1998, het Bestek, de offerte van 1999, de latere aanvullingen op het Bestek, de Technical Comments (2 stuks) en de overeenkomst van 2005. Voorts heeft Tennet c.s. schriftelijke verklaringen overgelegd van de desbetreffende projectleider en van de projectbeheerder. Deze personen verklaren dat de aanbieding in 1999 en de overeenkomst in 2005 dezelfde uitbreiding betreffen en dat de scope gelijk is. Zij verklaren dat de aanbieding en de overeenkomst bestaan uit dezelfde componenten en zijn gebaseerd op hetzelfde Bestek en dat de aanpassingen op het Bestek geen betrekking hebben op wijzigingen in die scope.

2.11.

Alstom c.s. handhaaft haar betwisting. Alstom c.s. stelt dat zij met de overgelegde documenten nog steeds niet kan beoordelen of het inderdaad om een vergelijkbaar product gaat en Alstom c.s. betwist de inhoud van voormelde schriftelijke verklaringen. Alstom c.s. stelt dat zij voor de onderbouwing van haar betwisting afhankelijk is van informatie van ABB c.s., waarover zij niet beschikt, en dat volgens haar de rechtbank een deskundige zou moeten benoemen om te onderzoeken of het inderdaad om een vergelijkbaar product gaat.

2.12.

De rechtbank gaat hier niet in mee en doet de betwisting van Alstom c.s. af als onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd. Hierbij stelt de rechtbank nogmaals voorop dat niet Alstom c.s. maar Tennet c.s. een kennisachterstand heeft ten aanzien van de omvang van de prijsopslag die aan Sep in rekening is gebracht. De rechtbank heeft in het tussenvonnis vooreerst overwogen, in rechtsoverweging 4.31, dat het doeltreffendheidsbeginsel meebrengt dat van Alstom c.s. kan worden gevergd dat zij inzicht geeft in haar eigen prijsberekening en dat heeft Alstom c.s. niet gedaan, niet vóór en niet ná het tussenvonnis. Enkel omdat Alstom c.s. verzuimt om inzicht te geven in haar eigen prijsberekening, wordt bij wijze van noodgreep teruggevallen op de prijzen van haar concurrent met wie zij deelgenoot was in het kartel. Tennet c.s. paste deze noodgreep reeds toe in haar dagvaarding van 29 september 2010. Alstom c.s. kan geacht worden intussen ruim voldoende tijd en gelegenheid gehad te hebben om de vergelijking van Tennet c.s. te verifiëren bij haar concurrent, waarmee zij in het kader van hun kartel afspraken had over informatie-uitwisseling, en/of te vergelijken met haar eigen administratie en de aanknopingspunten daarin voor de berekening van de opslag.

2.13.

De rechtbank gaat er daarom van uit dat de aanbieding en de overeenkomst van ABB c.s. een vergelijkbaar product betreffen en dat de omvang van de prijsopslag, die de kartelleden aan hun afnemers in rekening brachten, kan worden afgeleid uit het prijsverschil tussen beide, zulks tenzij Alstom c.s. kan aantonen dat dit prijsverschil in relevante mate het gevolg was van een daling van de productiekosten, waarover hieronder meer.

De daling van de productiekosten

2.14.

De rechtbank heeft Alstom c.s. opgedragen om een nadere onderbouwing te geven van haar tegenwerping dat het prijsverschil in belangrijke mate kan worden verklaard door een daling van de productiekosten, die bij haarzelf tussen 1999 en 2005 aanzienlijk is geweest. De rechtbank heeft Alstom c.s. opgedragen om deze tegenwerping cijfermatig te onderbouwen en met bewijsstukken te staven.

2.15.

Alstom c.s. heeft ter zake in haar akte na tussenvonnis nauwelijks bewijsstukken overgelegd, maar in feite volstaan met een verwijzing naar het eerder overgelegde rapport van Alvarez & Marsal en een nadere toelichting daarop. Wel heeft Alstom c.s. nog overgelegd een schematische afbeelding van haar T155-1 en T155-2 met een korte aanduiding van de kernwaarden daarvan. Voorts heeft Alstom c.s. een schriftelijke verklaring overgelegd van een van haar vertegenwoordigers, de heer P-Y Quillet, met als bijlage een summier cijfermatig overzicht van de ontwikkeling van interne prijzen. Deze verklaring is, zo begrijpt de rechtbank, destijds de basis geweest van de aanmerkingen en de grafiek in het rapport van Alvarez & Marsal.

2.16.

Tennet c.s. heeft het een en ander gemotiveerd bestreden en heeft erop gewezen dat volgens haar informatie de algemene prijsontwikkeling in de machine-industrie in Europa tussen 1999 en 2005 juist duidt op een stijging. Verder wijst Tennet c.s. - op zichzelf met recht - erop dat een kostprijsdaling bij Alstom c.s. geen verklaring oplevert voor een prijsdaling bij een andere producent (ABB) van een niet-identiek product. Maar dit is nu eenmaal inherent aan de gebrekkige vergelijkingsmethode, waartoe de rechtbank haar toevlucht moet nemen omdat Alstom c.s. geen inzicht geeft in haar eigen prijsberekening.

2.17.

Wel fundamenteel is de tegenwerping van Tennet c.s. dat de door Alstom c.s. aangevoerde kostprijsdaling - anders dan de grafiek ‘Total Manufacturing Costs’ in het rapport van Alvarez & Marsal suggereert - slechts een deel van de kosten van de GIS-tak betreft. Dit volgt uit het thans overgelegde cijfermatig overzicht van Quillet. Daarop staan bij de 420kV 63kA, waarom het zou moeten gaan, bedragen van 700 in september 1999 en 545 in augustus 2005. Dit zijn, volgens Alstom c.s., de peilmomenten en het zou gaan om respectievelijk € 700.000,00 en € 545.000,00.

2.18.

Weliswaar is juist dat dit, zoals Alvarez & Marsal rapporteert, een verschil oplevert van ongeveer 22% (700.000 – 545.000 = 155.000; 155.000/700.000 x 100% = 22,14 %), maar het ging bij de 380kV tak waarvoor ABB een offerte gaf en later een overeenkomst kreeg om € 6.130.000,00 in de offerte van 1999 versus € 2.812.000,00 in de overeenkomst van 2005 (de GIS-tak was slechts een onderdeel van de gehele installatie; in totaal ging het om € 12.940.000,00 versus € 7.695.000,00). Op het, tijdens het kartel, geoffreerde bedrag voor de GIS-tak van € 6.130.000,00 verklaart een kostprijsdaling van € 155.000,00, slechts een prijsverschil van 155.000/6.130.000 x 100% = 2,52%. Dit beschouwt de rechtbank als niet-significant.

2.19.

Hiermee is de tegenwerping, dat het aanzienlijke prijsverschil tussen de offerte tijdens het kartel en de overeenkomst na het uiteenvallen van kartel in relevante mate moet worden toegeschreven aan een daling van de kostprijs, voldoende weerlegd. Alstom c.s. heeft haar verweer tegen de aanname dat het prijsverschil nagenoeg volledig causaal kan worden toegeschreven aan de mededinging-beperkende afspraken binnen het kartel, onvoldoende onderbouwd. In aansluiting op rechtsoverweging 4.33 van het tussenvonnis kan daarom ervan worden uitgegaan dat sprake was van een prijsopslag van 54% tot 63%. Daarmee kan de prijsopslag bij Meeden geschat worden op het door Tennet c.s. aangehouden bedrag van € 14.100.000,00.

Het doorberekeningsverweer

2.20.

Zolang de Hoge Raad (en/of het Hof van Justitie van de EU) niet anders heeft beslist, zal de rechtbank zich voegen naar de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 september 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:6766, in de gelijkaardige, zaak tussen Tennet c.s. en ABB c.s. Het betreft met name de overwegingen dat een inbreukmaker, dus ook Alstom c.s., het zogenaamde doorberekeningsverweer (passing-on defence) kan voeren. Op uitnodiging van de rechtbank zijn partijen in hun aktes na tussenvonnis nader ingegaan op dit verweer.

2.21.

De inmiddels gepubliceerde Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 bepaalt in artikel 22 uitdrukkelijk dat geen terugwerkende kracht mag worden gegeven aan de nationale maatregelen die moeten worden vastgesteld ter naleving van de materiële bepalingen van de richtlijn. In deze zaak zal dus voor de aanvaarding van het doorberekeningsverweer een deugdelijke grondslag moeten worden gevonden in het Nederlandse schadevergoedingsrecht zoals dat gold toen de onrechtmatige daad werd gepleegd. Het Gerechtshof heeft in het midden gelaten bij welke Nederlandse wetsbepaling kan worden aangehaakt bij de beoordeling van het doorberekeningsverweer. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

2.22.

De rechtbank stelt voorop dat het Nederlandse schadevergoedingsrecht in elk geval niet inhoudt, zoals Alstom c.s. lijkt te betogen, dat de afnemer van de inbreukmaker geacht wordt bij de inkoop van het product en de betaling van een prijsopslag in het geheel geen schade te hebben geleden indien en voor zover hij die prijsopslag later heeft kunnen doorberekenen aan zijn eigen afnemers. De door de afnemer betaalde prijsopslag is een voor vergoeding in aanmerking komende schadepost, waarover de afnemer ingevolge artikel 6:119 lid 1 juncto 6:83 aanhef en sub b BW aanspraak heeft op vergoeding van de wettelijke rente vanaf de betaling van de opslag. Indien en voor zover de afnemer later geheel of gedeeltelijk wordt gecompenseerd, hetzij door vergoeding van zijn schade door de inbreukmaker hetzij doordat hij de opslag weet door te berekenen aan een volgende afnemer in de keten, dan doet dat niet af aan het feit dat hij tot dan toe schade heeft geleden voor het volle bedrag. Wel zal dan in het kader van de resterende vergoedingsplicht het bedrag van die compensatie moeten worden afgetrokken van het saldo van de nominale schade en de tot dan toe verstreken rente daarover. Vanaf dat moment loopt de rente over het resterende saldo.

2.23.

In deze zaak is een complicerende factor dat Sep en later TenneT de door Sep betaalde prijsopslag niet in één keer heeft doorberekend aan een of meer afnemers, maar gedurende vele jaren heeft verdisconteerd in haar transporttarieven. Dit heeft tot gevolg dat het ingewikkeld zal worden om exact vast te stellen welke schade overblijft na bijtelling van de wettelijke rente en aftrek van de doorberekening. Het moge duidelijk zijn dat, gesteld dat in de loop van de afgelopen twintig jaren de prijsopslag voor in totaal 50% zou zijn doorberekend, de voor vergoeding in aanmerking komende schade aanzienlijk meer is dan 50% van de prijsopslag ad € 14.100.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente over deze 50% vanaf omstreeks 1995.

2.24.

Voorts overweegt de rechtbank dat onjuist is - voor zover Alstom c.s. dit heeft willen betogen, hetgeen de rechtbank niet helemaal duidelijk is - dat de afnemer van de inbreukmaker jegens de inbreukmaker op grond van artikel 6:101 BW verplicht zou zijn om de prijsopslag door te berekenen aan haar eigen afnemer. Dit heeft het Gerechtshof in rechtsoverweging 3.32 ook al opgemerkt.

2.25.

De kapstok in het Nederlandse schadevergoedingsrecht, die het meest in aanmerking komt voor de beoordeling van het doorberekeningsverweer, is artikel 6:100 BW, de voordeelverrekening.

Dit artikel luidt:

Heeft een zelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel opgeleverd, dan moet, voor zover dit redelijk is, dit voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening worden gebracht.

2.26.

De rechtbank merkt op dat, om het doorberekeningsverweer hieronder te kunnen scharen, wel nodig is dat een ongekend ruime toepassing wordt gegeven aan het begrip ‘eenzelfde gebeurtenis’ en dat voorbij moet worden gegaan aan het vereiste causaal verband. Dit is echter wat de rechtbank zal moeten doen om gevolg te geven aan de strekking van het arrest van het Gerechtshof.

2.27.

Wat overeind blijft, en wat de rechtbank onverkort van toepassing acht, is dat het voordeel, dit wil zeggen het doorberekende deel van de prijsopslag, alleen van de door de inbreukmaker te betalen vergoeding moet worden afgetrokken ‘voor zover dit redelijk is’.

2.28.

Zowel op grond van de bestaande rechtspraak over de voordeelverrekening als op grond van Richtlijn inzake het doorberekeningsverweer (artikel 13) rust de bewijslast dat voor aftrek in aanmerking komend voordeel is behaald c.q. meerkosten zijn doorberekend op degene die zich daarop beroept, dus op Alstom c.s. Aan een bewijsopdracht komt de rechtbank echter alleen toe indien eerst is voldaan aan de stelplicht en dat is niet het geval. Alstom c.s. heeft namelijk niets gesteld omtrent de feiten en omstandigheden op grond waarvan redelijk zou moeten worden bevonden om het door Sep en TenneT doorberekende deel van de prijsopslag af te trekken. TenneT c.s. hebben hier wel iets over gesteld (repliek 86), te weten (i) dat de kans dat de eindconsument Alstom c.s. kan aanspreken vrijwel nihil is en (ii) dat de aan TenneT c.s. uit te keren vergoeding gedeeltelijk weer ten gunste zal komen aan de eindconsument via een vermindering van toekomstige energieprijzen of belasting; de Nederlandse Staat is immers enig aandeelhouder van TenneT. Alstom c.s. hebben deze stellingen van TenneT c.s. niet weersproken.

2.29.

De rechtbank overweegt dat de aanvaarding van het doorberekeningsverweer van de inbreukmaker niet los kan worden gezien van het hoofddoel van de Richtlijn en de Europese rechtspraak en dat is dat bevorderd moet worden dat processuele en bewijsrechtelijke barrières worden geslecht om ervoor te zorgen dat alle afnemers in de keten, en uiteindelijk ook de consument, hun recht op schadevergoeding jegens de inbreukmaker geldend kunnen maken. De inbreukmaker behoort dezelfde schade echter niet te vergoeden aan de verschillende partijen die elkaar opvolgen in de keten van afnemers, omdat hij dan dubbel betaalt. Maar dit doet zich niet voor indien, zoals in dit geval, gevoeglijk kan worden uitgesloten dat de inbreukmaker aan de opvolgers in de keten enige schadevergoeding zal (moeten) betalen. De rechtbank meent dat hoogst onwaarschijnlijk is dat de afnemers van de elektriciteit, waarin de prijsopslag is doorberekend, gezien de diabolische bewijsproblematiek, verjaringsperikelen en andere processuele verwikkelingen (waarvan deze rechtszaak getuigt), afgezet tegen hun relatief geringe strooischade, alsnog een rechtszaak tegen Alstom c.s. zullen aanspannen om verhaal te zoeken voor hun schade, terwijl, als dat toch gebeurt, Alstom c.s. die afnemers dan kan verwijzen naar Tennet c.s. en/of Tennet c.s. ter zake in vrijwaring kan oproepen.

2.30.

Anderzijds is alleszins aannemelijk, en in elk geval door Alstom c.s. ook niet weersproken, dat de thans aan TenneT c.s. toe te kennen schadevergoeding minst genomen in belangrijke mate ten goede zal komen aan diezelfde eindgebruikers, gedeeltelijk door doorberekening in de toekomstige energieprijzen en verder via de Staatskas.

2.31.

Onder deze omstandigheden is het niet onredelijk dat TenneT c.s. in zekere zin wordt overgecompenseerd. Het alternatief is dat Alstom c.s. gefaciliteerd wordt om haar onrechtmatig verkregen winst te behouden en deze verrijking is in elk geval niet redelijk en zelfs ongerechtvaardigd.

De slotsom is dat het doorberekeningsverweer wordt verworpen.

Eindconclusie en proceskosten

2.32.

Hiermee komt de rechtbank tot de eindconclusie dat de vordering van TenneT c.s. kan worden toegewezen zoals hieronder bepaald. Alstom c.s. worden als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Het betreft ook de kosten van het bevoegdheidsincident, waarover in het desbetreffende incidentele vonnis van 26 oktober 2011 de beslissing was aangehouden. De kosten aan de zijde van Tennet c.s. worden begroot op € 73,89 voor het exploot van dagvaarding, € 3.490,00 voor het griffierecht en

€ 33.715,50 voor het advocatensalaris (10,5 punten tegen het tarief van € 3.211,00 per punt). In totaal is dit € 37.279,39.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

Veroordeelt Alstom c.s. hoofdelijk, des dat de een betalende de anderen tot het bedrag van die betaling zullen zijn bevrijd, om aan TenneT c.s. te betalen het bedrag van € 14.100.000,00 (veertienmiljoen eenhonderdduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 705.00,00 vanaf 16 juli 1993, over € 180.480,00 vanaf 13 augustus 1993, over € 2.639.520,00 vanaf 27 augustus 1993, over € 659.880,00 vanaf 28 oktober 1993, over € 45.120,00 vanaf 17 november 1993, over € 4.619.160,00 vanaf 17 oktober 1994, over € 315.840,00 vanaf 21 oktober 1994, over € 705.000,00 vanaf 26 mei 1995, over € 1.319.760,00 vanaf 2 oktober 1995, over € 90.240,00 vanaf 6 oktober 1995, over € 2.639.520,00 vanaf 7 december 1995 en over € 180.480,00 vanaf 8 december 1995, alles tot de dag van volledige betaling;

3.2.

Veroordeelt Alstom c.s. in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Tennet c.s. gesteld op € 37.279,39;

3.3.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen, mr. S.H. Bokx-Boom en mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2015.