Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:3611

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
11-06-2015
Zaaknummer
3526614
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer is niet met wederzijds goedvinden geëindigd doordat werknemer een overeenkomst heeft gesloten met een ander bedrijf (hierna: X), waarmee werkgever een samenwerkingsovereenkomst is aangegaan om haar bedrijfsvoering te vereenvoudigen. Werkgever heeft werknemer niet, althans onvoldoende gewezen op de door haar beoogde vergaande consequenties van het sluiten van de overeenkomst met X, te weten het einde van de arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer. Gedurende de periode dat de overeenkomst tussen werknemer en X van kracht was, was de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en werkgever een dode letter. Na het eindigen van de contractuele relatie tussen werknemer en X herleefden de werkgeversverplichtingen van werkgever echter weer.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 610
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 690
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1072
RAR 2015/139
JAR 2015/156
AR-Updates.nl 2015-0543
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 3526614 \ CV EXPL 14-18797 \ 406 \ 529

uitspraak van 3 juni 2015

vonnis

in de zaak van

[eisende partij]

wonende te [woonplaats]

eisende partij

gemachtigde mr. D. van den Bergh-Beck (SRK Rechtsbijstand)

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde partij]

gevestigd te [vestigingsplaats]

gedaagde partij

gemachtigde mr. A.C. Mahabiersing

Partijen worden hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 november 2014 en de daarin genoemde processtukken;

- de door de gemachtigde van [gedaagde partij] bij brief van 26 februari 2015 overgelegde productie 13;

- de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen van 5 maart 2015, mede inhoudende de pleitaantekeningen van de beide gemachtigden.

2 De feiten

2.1.

[eisende partij] treedt op 1 november 1999 in dienst bij [gedaagde partij] in de functie van assistent hoofd kassière. Laatstelijk werkte [eisende partij] 32 uur per week tegen een loon van € 1.548,80 bruto per vier weken.

2.2.

In januari 2005 besluit [gedaagde partij] om haar bedrijfsvoering te vereenvoudigen en in dat kader sluit zij een samenwerkingsovereenkomst met Repay Payroll (hierna: Repay).

2.3.

Op 23 mei 2005 sluit [eisende partij] een als arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd betitelde overeenkomst met Repay. Nadien blijft [eisende partij] feitelijk werkzaam bij [gedaagde partij].

2.4.

[gedaagde partij] bericht Repay in de e-mail van 2 juni 2014 dat [eisende partij] met ingang van

2 juni 2014 is ontslagen.

2.5.

[gedaagde partij] bericht [eisende partij] in de brief van 4 juni 2014 dat haar de toegang tot de winkel wordt ontzegd voor de duur van een jaar.

2.6.

Repay bericht [gedaagde partij] in de brief van 4 juni 2014 onder meer.

Met deze brief bevestigen wij het telefoongesprek van 3 juni 2014, waarin mevrouw [persoon A] namens uw werkgever Repay Payroll N.V., heeft medegedeeld dat uw dienstverband met onmiddellijke ingang is opgezegd (ontslag op staande voet).

2.7.

Op 27 juni 2014 trekt Repay het ontslag op staande voet in.

2.8.

[gedaagde partij] wenst na de intrekking van het ontslag op staande voet geen gebruik meer te maken van de diensten van [eisende partij]. Repay tracht vervolgens tevergeefs om [eisende partij] elders volledig te herplaatsen.

2.9.

Op 23 oktober 2014 verleent het UWV Repay toestemming om de arbeidsovereenkomst met [eisende partij] op te zeggen.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eisende partij] vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

a. een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] nog altijd in stand is;

b. de veroordeling van [gedaagde partij] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting over te gaan tot een deugdelijk gespecificeerde betaling van het loon vanaf 4 juni 2014 ad € 1.548,80 bruto per 4 weken, tot de datum waarop de dienstbetrekking op rechtsgeldige wijze zal zijn geëindigd;

c. de veroordeling van [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te voldoen de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW wegens vertraging over het onder b. gevorderde;

d. de veroordeling van [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te voldoen de wettelijke rente over het onder a. en b. gevorderde vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot de dag der algehele voldoening;

e. de veroordeling van [gedaagde partij] om [eisende partij] met onmiddellijke ingang, althans met ingang van een door de kantonrechter te bepalen datum, in de gelegenheid te stellen haar werkzaamheden als assistent hoofd kassière bij [gedaagde partij] te hervatten met alle bevoegdheden en faciliteiten, die [eisende partij] krachtens haar arbeidsovereenkomst placht te genieten, onder doorbetaling van het salaris van [eisende partij] ten bedrage van € 1.548,80 bruto per 4 weken vermeerderd met 8% vakantietoeslag en overige emolumenten tot de datum waarop de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

f. een en ander op straffe van een dwangsom, voor zover de wet zulks toelaat, van € 200,00 per dag voor iedere dag dat aan het bovenstaande geen gevolg wordt gegeven;

g. de veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van de gemaakte buitengerechtelijke incassokosten ad € 250,00;

h. de veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten.

3.2.

Ter onderbouwing van haar vordering stelt [eisende partij] – kort gezegd – dat zij sinds

1 november 1999 een arbeidsovereenkomst heeft met [gedaagde partij]. Dat zij op 23 mei 2005 een overeenkomst heeft gesloten met Repay doet daaraan niet af. Nu de arbeidsovereenkomst tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] nimmer rechtsgeldig is beëindigd, is [gedaagde partij] gehouden om [eisende partij] in haar eigen functie te werk te stellen en het loon door te betalen.

3.3.

[gedaagde partij] voert gemotiveerd verweer. Zij stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat [eisende partij] sinds 23 mei 2005 een uitzendovereenkomst heeft met Repay. Aangezien na

23 mei 2005 geen arbeidsovereenkomst tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] tot stand is gekomen, ontbreekt de rechtsgrond aan de vorderingen en dienen deze te worden afgewezen.

3.4.

Op de overige stellingen van partijen, zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of [eisende partij] ook na

23 mei 2005 bij [gedaagde partij] in dienst is gebleven, of dat aan deze arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 23 mei 2005 een einde is gekomen doordat [eisende partij] per die datum een overeenkomst heeft gesloten met Repay.

4.2.

Tussen partijen is in geschil hoe de overeenkomst tussen [eisende partij] en Repay moet worden geduid. Of deze overeenkomst dient te worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst, een uitzendovereenkomst, dan wel een payrollovereenkomst kan bij de beoordeling van onderhavige vorderingen echter in het midden blijven. Ook indien er vanuit gegaan zou moeten worden dat [eisende partij] per 23 mei 2005 in dienst is getreden van Repay, geldt het volgende.

4.3.

[gedaagde partij] stelt zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] is geëindigd doordat [eisende partij] per 23 mei 2005 bij Repay in dienst is getreden. [eisende partij] heeft daarentegen betwist dat de arbeidsovereenkomst met [gedaagde partij] op enig moment is geëindigd.

Gelet op de verstrekkende gevolgen die het beëindigen van een dienstverband voor de werknemer kan hebben, is het vaste rechtspraak dat een werknemer slechts dan aan zijn ontslagneming kan worden gehouden wanneer sprake is van een ondubbelzinnige, op beëindiging gerichte wilsverklaring. Dat impliceert dat ook als de werknemer de overeenkomst heeft getekend, welke ten doel heeft de bestaande arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen, de werkgever zich met een redelijke mate van zorgvuldigheid ervan dient te vergewissen of de werknemer de diverse consequenties van de ondertekening heeft ingezien. (zie onder meer de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden d.d. 25 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2340 en het toenmalig Hof Leeuwarden d.d. 12 december 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BY9401).

4.4.

Het voorgaande geldt ook in de situatie, waarin een werknemer een overeenkomst tekent die inhoudt dat zij de voorheen rechtstreeks in dienst van de werkgever verrichte werkzaamheden voortaan zal gaan verrichten in dienst van een payrollbedrijf. Dit klemt te meer nu [eisende partij] door de ondertekening van de nieuwe overeenkomst met Repay essentiële rechten, welke voortvloeiden uit haar arbeidsovereenkomst met [gedaagde partij], zou prijsgeven. Na de ondertekening van de overeenkomst met Repay liep [eisende partij] het (in middels gerealiseerd hebbende) risico dat [gedaagde partij] de terbeschikkingstelling zou eindigen, waardoor [eisende partij] mogelijk andere dan de gebruikelijke werkzaamheden bij [gedaagde partij] zou moeten gaan verrichten en waarbij zij tevens het (eveneens gerealiseerd hebbende) risico liep dat geen succesvolle volledige herplaatsing tot stand zou komen, waarna Repay kon overgaan tot het aanvragen van een ontslagvergunning.

4.5.

[gedaagde partij] heeft gesteld dat zij in januari 2005 heeft besloten om geen eigen personeel meer in dienst te nemen, maar deze bij Repay in dienst te laten treden. Tevens heeft zij destijds besloten om ook alle bestaande medewerkers van [gedaagde partij] bij Repay in dienst te laten treden. [gedaagde partij] heeft gesteld dat alle medewerkers van [gedaagde partij] (waaronder [eisende partij]) tijdens informatieavonden uitvoerig zijn ingelicht over het nieuwe beleid en de daarmee gepaard gaande gevolgen en dat zij daarna de gelegenheid hebben gekregen om zich voor te laten lichten over de juridische implicaties van de overgang naar Repay.

[eisende partij] heeft gesteld dat tijdens de informatieavonden duidelijk te kennen is gegeven dat de werknemers de overeenkomst met Repay dienden te tekenen en dat het geen optie was om de overeenkomst niet te tekenen. Dat een vijftal collega’s de overeenkomst met Repay niet hebben getekend, heeft [eisende partij] voor het eerst ter zitting vernomen. [eisende partij] heeft voorts gesteld dat het nimmer haar bedoeling is geweest om bij Repay in dienst te treden en haar arbeidsovereenkomst bij [gedaagde partij] te beëindigen.

4.6.

Voor zover [gedaagde partij] heeft beoogd om de arbeidsovereenkomst met [eisende partij] te laten eindigen op het moment dat [eisende partij] de overeenkomst met Repay sloot, is de kantonrechter van oordeel dat zij [eisende partij] hierover onvoldoende heeft geïnformeerd. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde partij] [eisende partij] tijdens de informatieavonden, dan wel op enig ander moment, heeft gewezen op deze (door [gedaagde partij] beoogde) vergaande consequentie. Daarbij acht de kantonrechter van belang dat [eisende partij] nimmer schriftelijk heeft ingestemd met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [gedaagde partij]. Weliswaar heeft [gedaagde partij] gesteld dat haar medewerkers geen nadeel zouden ondervinden van de gestelde overname van de arbeidsovereenkomsten door Repay, maar de omstandigheid dat [gedaagde partij] in haar visie na 23 mei 2005 op elk gewenst moment de terbeschikkingstelling van [eisende partij] kon eindigen, hield terdege een verslechtering van de arbeidsvoorwaarden in. Het enkele feit dat [eisende partij] in de gelegenheid is gesteld om juridisch advies in te winnen is in dat kader onvoldoende om te concluderen dat [gedaagde partij] haar onderzoeks- en informatieplicht jegens [eisende partij] is nagekomen. Het had op de weg van [gedaagde partij] gelegen om te onderzoeken of [eisende partij] zich bewust was van haar keuze en de (door [gedaagde partij] beoogde) gevolgen begreep en overzag. Bovendien had van [gedaagde partij] mogen worden verwacht dat zij [eisende partij] had gewezen op de consequenties van haar handelen. In dit kader acht de kantonrechter van belang dat uit de verklaringen van partijen ter zitting kan worden afgeleid dat tijdens deze informatieavonden niet openlijk is gesproken over de mogelijkheid om niet met Repay te contracteren.

4.7.

De kantonrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat de arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde partij] en [eisende partij] per 23 mei 2005 niet is geëindigd met wederzijds goedvinden. Hoewel de arbeidsovereenkomst tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] in de periode vanaf

23 mei 2005 tot de datum waarop de overeenkomst tussen [eisende partij] en Repay rechtsgeldig is geëindigd, in principe een dode letter was (omdat Repay werkgeversverplichtingen van [gedaagde partij] had overgenomen), is de kantonrechter van oordeel dat de werkgeversverplichtingen van [gedaagde partij] nadien zijn gaan herleven. Nu de arbeidsovereenkomst tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] nimmer rechtsgeldig is geëindigd, is [gedaagde partij] (na de beëindiging van de contractuele relatie tussen [eisende partij] en Repay) weer gehouden om zelf uitvoering te geven aan alle werkgeversverplichtingen.

4.8.

Gelet op het voorgaande is de gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar.

De loonvordering inclusief vakantiegeld en overige emolumenten, zoals (dubbel) vermeld in het petitum onder b en e, laatste zin, is toewijsbaar vanaf 4 juni 2014 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is beëindigd, met dien verstande dat daarop in mindering dient te worden gebracht het loon dat reeds door Repay is betaald. Hierbij wordt opgemerkt dat de gemachtigde van [gedaagde partij] ter zitting onweersproken heeft gesteld dat Repay het loon heeft doorbetaald tot het moment dat zij de ontslagvergunning van het UWV heeft ontvangen.

De gevorderde wettelijke rente en wettelijke verhoging zijn toewijsbaar, met dien verstande dat de kantonrechter begrijpt dat [eisende partij] in het petitum onder d per abuis wettelijke rente heeft gevorderd over a en b, en dat [eisende partij] heeft bedoeld wettelijke rente te vorderen over b en c, gelet op het feit dat de vordering onder a een verklaring voor recht betreft.

De kantonrechter zal daarom de wettelijke rente toewijzen als na te melden.

4.9.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de door [eisende partij] gevorderde wedertewerkstelling in de functie van assistent hoofd kassière zal worden toegewezen als na te melden. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, met dien verstande dat deze op € 200,00 per dag wordt gesteld voor elke dag dat [gedaagde partij] in gebreke blijft om aan de veroordeling tot weder te werkstelling van [eisende partij] te voldoen, met een maximum van

€ 25.000,00. Als uitgangspunt geldt dat een dwangsom niet kan worden opgelegd in geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom (artikel 611a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Voor zover [eisende partij] heeft bedoeld om tevens een dwangsom te laten verbinden aan de veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van loon, wettelijke verhoging en wettelijke rente, heeft zij onvoldoende gesteld waarom in dit geval van dit uitgangspunt zou moeten worden afgeweken, zodat dit deel van de gevorderde dwangsom zal worden afgewezen.

4.10.

[eisende partij] maakt tevens aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft zij deze vordering onvoldoende concreet onderbouwd, zodat deze zal worden afgewezen.

4.11.

Hetgeen partijen overigens over en weer hebben aangevoerd, onder meer omtrent het ontslag op staande voet, is voor de onderhavige beoordeling niet relevant en behoeft daarom geen bespreking.

4.12.

[gedaagde partij] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

verklaart voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] nog altijd in stand is;

5.2.

veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] (deugdelijk gespecificeerd) te betalen het loon vanaf 4 juni 2014 ad € 1.548,80 bruto per 4 weken, vermeerderd met 8% vakantietoeslag en overige emolumenten, totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de verschillende dagen van opeisbaarheid tot de dag der algehele voldoening, waarop in mindering strekt de reeds door Repay verrichte loonbetalingen;

5.3.

veroordeelt [gedaagde partij] om [eisende partij] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis in de gelegenheid te stellen naar werkzaamheden als assistent hoofd kassière bij [gedaagde partij] te hervatten met alle bevoegdheden en faciliteiten, die [eisende partij] krachtens haar arbeidsovereenkomst placht te genieten;

5.4.

veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van een dwangsom van € 200,00 per dag, tot een maximum van € 25.000,00 voor iedere dag dat zij in strijd handelt met het onder 5.3 bepaalde;

5.5.

veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [eisende partij] begroot op € 98,54 aan dagvaardingskosten, € 77,00 aan griffierecht en € 500,00 aan salaris voor de gemachtigde;

5.6.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.P.C.J. van Bavel en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2015.