Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:3304

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-05-2015
Datum publicatie
27-05-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 411
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:1203, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder was bevoegd handhavend op te treden ten opzichte van het ketelhuis. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat ten tijde van het bestreden besluit geen sprake was van concreet zich op legalisatie. Voorts is niet gebleken dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van dergelijk optreden behoort te worden afgezien. Inzake de gestelde begunstigingstermijn is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat deze termijn onredelijk kort is. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het vastgestelde bedrag niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de herhaalde dwangsomoplegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/411

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. drs. W.J.W. van Eijk),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdriel te Kerkdriel, verweerder.

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

[derde-partijen]

(gemachtigde: mr. M.J.M.G. van Gerwen).

Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2013 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder eiser gelast om binnen één maand na de verzenddatum van het besluit het zonder vergunning opgerichte ketelhuis aan de [perceel](hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden, op verbeurte van een dwangsom van € 50.000 ineens.

Bij besluit van 20 september 2013 heeft verweerder de begunstigingstermijn verlengd tot één maand na de beslissing op bezwaar.

Verweerder heeft bij besluit van 10 december 2013, verzonden op 16 december 2013, (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Op 10 januari 2014 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 15 januari 2014, verzonden op 16 januari 2014, heeft verweerder de begunstigingstermijn verlengd tot na de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Bij uitspraak van 10 april 2014 (AWB 14/412) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen en bepaald dat de begunstigingstermijn van de opgelegde last wordt verlengd tot een maand na de verzenddatum van de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2015, gevoegd met de zaken met de nummers AWB 13/6122, AWB 13/6910, AWB 13/7249 en AWB 13/7309. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.W.G. van den Oetelaar, mr. M.C. van Werkhoven-Risiglione en mr. M.G.W. van der Hoff. Derde-partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst en in de zaken met de nummers AWB 13/6122, AWB 13/6910, AWB 13/7249 en AWB 13/7309 zal afzonderlijk uitspraak worden gedaan.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Op het perceel rust, ingevolge het bestemmingsplan ‘Buitengebied, binnendijks deel’ (hierna: het bestemmingsplan), op de gronden de bestemming ‘Niet-agrarische bedrijven’ en de functieaanduiding ‘Tim’, wat staat voor timmerbedrijf met een maximale omvang van 725 m².

Bij besluit van 16 oktober 2012 is eiser reeds gelast om het zonder vergunning opgerichte ketelhuis op het perceel te verwijderen en verwijderd te houden, op verbeurte van een dwangsom van € 2.000 per week, tot een maximum van € 20.000. Dit besluit is in rechte komen vast te staan.

Verweerder heeft op 1 juli 2013 een controle op het perceel uitgevoerd, waarvan een controlerapport is opgemaakt. Dit controlerapport, waaruit blijkt dat het zonder vergunning opgerichte ketelhuis nog steeds op het perceel aanwezig is, is aan het primaire besluit ten grondslag gelegd.

2. De rechtbank stelt vast dat het ketelhuis op het perceel zonder omgevingsvergunning aanwezig is. De aanvraag van eiser van 28 december 2012 voor het verlenen van een vergunning voor het ketelhuis is afgewezen en het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank tussen partijen van heden (AWB 13/6122 en AWB 13/6910) ongegrond verklaard. Niet is gebleken dat het ketelhuis een vergunningvrij bouwwerk betreft.

Eisers betoog dat er voor het ketelhuis via de bouwaanvraag van 26 januari 2010 sprake is van een vergunning van rechtswege, wordt niet gevolgd. Verwezen wordt naar de uitspraken, tussen partijen gewezen, van deze rechtbank van 27 augustus 2013 (AWB 13/1968) en 3 oktober 2013 (AWB 13/1968). In die uitspraken is ten aanzien van deze bouwaanvraag geoordeeld dat geen sprake is van een van rechtswege verleende vergunning. De rechtbank ziet in hetgeen eiser thans heeft aangevoerd geen aanleiding om van dit oordeel af te wijken en maakt de overwegingen van de rechtbank in die uitspraken ten aanzien van het niet ontstaan van een omgevingsvergunning van rechtswege tot de hare.

Aldus is sprake van een zonder vergunning gebouwd ketelhuis en aldus een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zodat verweerder bevoegd was om handhavend op te treden.

3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

4. Eiser heeft betoogd dat er sprake is van concreet zicht op legalisatie, omdat het ketelhuis in het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan zal worden gelegaliseerd. Voorts betoogt hij dat handhaving onevenredig is, omdat er voor het ketelhuis een milieuvergunning is afgegeven. Daaruit volgt volgens eiser dat er milieutechnisch gezien geen sprake kan zijn van onevenredige overlast. Verder voert hij aan dat de sloop van het ketelhuis voor hem een enorme kapitaalvernietiging betekent en dat derde-partijen niet of nauwelijks zicht hebben op het gebouw, zodat zij maar beperkt belang bij handhaving hebben.

5. Bij brief van 12 maart 2015 heeft eiser aanvullende stukken overgelegd, waaruit volgt dat op 20 november 2014 een ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd. Dit bestemmingsplan maakt het betrokken ketelhuis mogelijk.

6. De rechtbank overweegt dat concreet zicht op legalisatie in de regel bestaat indien ten tijde van het nemen van het handhavingsbesluit een aanvraag voor een vergunning die strekt tot legalisatie van de bestaande, niet vergunde, situatie bij het bevoegd gezag is ingediend en het bevoegd gezag voornemens is daarop positief te beslissen, dan wel een ontwerp van een bestemmingsplan ter inzage is gelegd dat die situatie legaliseert.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat ten tijde van het bestreden besluit geen sprake was van concreet zich op legalisatie. Immers, de aanvraag tot legalisering van het ketelhuis was destijds afgewezen en van een ter inzage gelegd ontwerpbestemmingsplan ter legalisering van het ketelhuis was destijds geen sprake. Dat thans een dergelijk ontwerp ter inzage is gelegd, heeft voor deze procedure geen gevolgen omdat de rechtbank de feiten wat betreft de toetsing van het bestreden besluit beoordeeld naar het moment van het nemen van de betrokken besluiten en niet ten tijde van het doen van uitspraak.

Voorts is niet gebleken dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van dergelijk optreden behoort te worden afgezien. Dat vanuit milieu-hygiënisch opzicht geen bezwaren bestaan tegen het ketelhuis, wat daar ook van zij, betekent nog niet dat verweerder niet tegen het zonder vergunning bouwen van dat ketelhuis op zou mogen treden. Dat, naar eiser betoogt, nakoming van de last mogelijk ernstige financiële gevolgen voor hem heeft en, althans zo stelt eiser, kapitaalvernietiging is, biedt in de regel geen grond voor het oordeel dat dit optreden zo onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het bestuursorgaan daarvan om die reden behoort af te zien (zie de bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG8259). Van bijzondere omstandigheden waarom de financiële gevolgen verweerder in dit geval wel had moeten nopen van handhaving af te zien, is niet gebleken.

Ten slotte heeft verweerder in het gestelde beperkte belang van derde-partijen bij handhaving geen aanleiding hoeven zien van handhaving af te zien. Nog daargelaten dat derde-partijen dit belang niet beperkt achten, dient verweerder er vanuit het algemeen belang op toe te zien dat wettelijke voorschriften worden nageleefd. Ook in zoverre heeft verweerder niet van handhaving hoeven af te zien.

De conclusie is dan ook dat in hetgeen eiser aanvoert geen grond is gelegen voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot handhavend optreden heeft kunnen besluiten.

7. Inzake de gestelde begunstigingstermijn, zoals deze volgt uit het procedureverloop, is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat deze termijn onredelijk kort is. De rechtbank overweegt dat de begunstigingstermijn zo kort mogelijk moet zijn, maar wel lang genoeg om de last te kunnen uitvoeren. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt waarom in dit geval de gestelde begunstigingstermijn niet lang genoeg zou zijn.

8. Tot slot heeft eiser betoogd dat de dwangsom te hoog is en meer een punitief karakter heeft dan een prikkel om een einde aan de illegale situatie te maken.

Verweerder acht de hoogte van de dwangsom, gelet op de omstandigheden, redelijk. De voorgaande dwangsom, opgelegd bij besluit van 16 oktober 2012, is maximaal (€ 20.000) verbeurd en heeft eiser kennelijk onvoldoende druk gegeven om de overtreding te beëindigen. Het alsdan opleggen van een dwangsom van € 50.000 ineens is conform de gemeentelijke werkwijze bij het opleggen van een herhaald sanctiebesluit, aldus verweerder.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het vastgestelde bedrag niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de herhaalde dwangsomoplegging. Ook deze beroepsgrond faalt.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzitter, mr. R.J. Jue en mr. M.J.M Verhoeven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T. de Munnik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.