Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:3282

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-05-2015
Datum publicatie
28-05-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 5690
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

(Navorderings)aanslagen IB/PVV 2001 tot en met 2005 exploitant coffeeshop. Nieuw feit voor de belastingjaren 2001 tot en met 2003. Geen nieuw feit voor het jaar 2004. Geen kwade trouw. Schending van de administratie- en bewaarplicht ex artikel 52 AWR. Omkering bewijslast. Correcties verweerder berusten op een redelijke schatting. Zorgvuldigheidsbeginsel en fair-playbeginsel niet geschonden. Boetes verminderd. Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1154
V-N 2015/39.2.1
FutD 2015-1331
NTFR 2015/1731
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 14/5690 tot en met AWB 14/5694

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 28 mei 2015

in de zaken tussen

[X] , te [Z] (Duitsland), eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Enschede, verweerder.

1 Procesverloop

1.1.

Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 2001, 2002, 2003 en 2004 navorderingsaanslagen (aanslagnummers [000].H17, H27, H37 en H47) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar belastbare inkomens uit werk en woning van respectievelijk € 299.216 (2001), € 386.966 (2002), € 379.484 (2003), en € 405.731 (2004), alsmede bij beschikkingen boetes van € 55.749 (2001), € 87.700 (2002), € 82.577 (2003) en € 87.656 (2004). Tevens is bij beschikkingen € 20.238 (2001), € 26.049 (2002), € 20.047 (2003) en € 15.145 (2004) aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Voorts heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2005 een aanslag (aanslagnummer [000].H56) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 401.018, alsmede bij beschikking een boete van € 99.440. Tevens is bij beschikking € 7.237 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.3.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 2 juli 2014 de (navorderings)aanslagen voor de jaren 2001 tot en met 2005 verminderd tot (navorderings)aanslagen berekend naar belastbare inkomens uit werk en woning van respectievelijk € 205.251 (2001), € 214.339 (2002), € 206.179 (2003), € 216.492 (2004) en € 212.072 (2005), de boetebeschikkingen verminderd tot respectievelijk € 15.659 (2001), € 16.449 (2002), € 18.759 (2003), € 19.227 (2004) en € 25.157 (2005) en de beschikkingen heffingsrente verminderd tot respectievelijk € 11.369 (2001), € 12.717 (2002), € 9.108 (2003), € 6.643 (2004) en € 3.661 (2005).

1.4.

Eiser heeft daartegen bij brieven van 12 augustus 2014, ontvangen door de rechtbank op 13 augustus 2014, beroep ingesteld.

1.5.

Verweerder heeft vóór de zitting de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een reactie op de beroepschriften ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiser.

1.6.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2015. Aldaar zijn verschenen en gehoord namens eiser zijn advocaat mr. [gemachtigde], vergezeld van [A] en [B], en namens verweerder [gemachtigde] en mr. [C]. De procedures met de nummers AWB 14/5690 tot en met AWB 14/5694 zijn gelijktijdig behandeld.

Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan en nadere stukken overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Verweerder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen het overleggen van de pleitnota, de daarbij behorende bijlage en de stukken.

1.8.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd. Voor het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting dat gelijktijdig met deze uitspraak aan partijen wordt toegezonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Eiser woont sinds 1998 samen met mevrouw [Y] (hierna: de partner). Eiser exploiteert coffeeshop “[D]” aan de [A-straat 1] te [Q]. De partner verzorgt de administratie van de coffeeshop. In de aangiften IB/PVV voor de jaren 2001 tot en met 2005 heeft eiser de volgende belastbare inkomens uit werk en woning aangegeven:

Belastingjaar

2001

2002

2003

2004

2005

Belastbare winst

€ 91.860

€ 54.798

€ 71.818

€ 71.818

€ 86.870

-/- € 120.255

Af: negatieve opbrengst eigen woning

-/- € 4.870

-/- € 2.947

-/-€ 7.776

-/- € 18.279

-/- € 17.928

Af: Premie WAZ

-/- € 2.196

-/- € 2.196

Belastbaar inkomen box 1

€ 84.794

€ 49.655

€ 135.860

€ 68.591

-/- € 142.251

2.2.

Met dagtekeningen van respectievelijk 7 november 2002, 19 september 2003 en 30 augustus 2006 heeft verweerder de definitieve aanslagen IB/PVV 2001, 2002 en 2004 conform de ingediende aangiften aan eiser opgelegd. Met dagtekening 30 augustus 2005 heeft verweerder de definitieve aanslag IB/PVV 2003 aan eiser opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 61.878. Verweerder heeft de aangegeven winst € 73.982 lager vastgesteld dan aangegeven omdat eiser de winst dubbel heeft aangegeven en daardoor de zelfstandigenaftrek op een te laag bedrag heeft berekend.

2.3.

Op 23 februari 2006 hebben controlerend ambtenaren van de belastingdienst aan de partner een staatje overhandigd waarmee de omzet softdrugs kan worden bijgehouden. De partner is dit staatje pas enkele maanden later gaan gebruiken.

2.4.

Op 6 april 2006 constateren de controleambtenaren dat de omzet softdrugs over de periode 23 februari 2006 tot en met 5 april 2006 meer dan 23% hoger was dan over de periode van 1 januari 2006 tot en met 22 februari 2006.

2.5.

Op 18 april 2006 heeft verweerder een boekenonderzoek ingesteld bij eiser. Tijdens dit boekenonderzoek is onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2001 tot en met 2005 onderzocht.

2.6.

In de controlejaren:

- werden de softdrugs door (personeel van) eiser verpakt;

- werden joints door (personeel van) eiser gedraaid;

- zijn van de inkopen softdrugs geen vastleggingen bewaard;

- zijn de ontvangsten voor wiet en hasj op niet bewaarde kladbriefjes berekend;

- heeft eiser geen rekening gehouden met de voorraden;

- zijn de aanwezige hoeveelheden softdrugs niet geadministreerd;

- is de kassa enkel als geldla gebruikt, zodat controle via een kassarol niet mogelijk is;

- is ook volgens de reconstructie van de nettokas die op zijn beurt is gebaseerd op de kladkas, op meerdere momenten sprake van een negatieve kas.

2.7.

Op 12 juli 2006 is een concept-rapport aan eiser en zijn toenmalige gemachtigde [E] (hierna: [E]) verzonden. Hierop is namens eiser gereageerd bij brief van 23 augustus 2006.

2.8.

Het definitieve controlerapport is op 24 november 2006 opgesteld. Verweerder heeft zich hierin op het standpunt gesteld dat voor de onderzochte jaren de administratie moet worden verworpen omdat de volgende gebreken zijn vastgesteld:

- de (eerste) aantekeningen voor de omzetberekeningen zijn niet bewaard;

- in alle jaren komen negatieve kassen voor;

- er is geen enkele vorm van kascontrole;

- omzetten (en inkopen) worden niet (volledig) verantwoord;

- er is een onverklaarbare schommeling in de brutowinstpercentages voor de omzet softdrugs, koffie, frisdrank, etc.;

- er bestaan onverklaarbare verschillen tussen de aangegeven omzetten en de theoretisch berekende omzetten.

Voorts stelt verweerder zich in het controlerapport op het standpunt dat hieruit volgt dat eiser niet volledig aan zijn verplichtingen ingevolge artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) heeft voldaan en dat eiser niet de vereiste aangiften heeft gedaan, omdat hij aanzienlijk lagere winsten heeft verantwoord dan er gerealiseerd zijn.

2.9.

Verweerder heeft de belastbare winst uit onderneming voor de jaren 2001 tot en met 2005 als volgt gecorrigeerd:

Belastingjaar

2001

2002

2003

2004

2005

Winst volgens jaarrekening

€ 96.244

€ 57.960

€ 77.102

€ 90.064

€ 94.726

Bij: hogere omzet softdrugs

€ 400.327

€ 511.022

€ 515.903

€ 533.221

€ 533.489

Af: hogere inkoop softdrugs

- € 203.217

- € 186.618

- € 205.269

- € 208.131

- € 208.601

Bij: hogere omzet koffie etc.

€ 17.312

€ 12.907

€ 7.003

€ 11.897

€ 3.400

Bij: minder inkoop koffie

€ 153

Gecorrigeerde winst

€ 310.666

€ 395.271

€ 394.739

€ 427.204

€ 423.014

2.10.

Met dagtekening 11 december 2006 heeft verweerder voor de jaren 2001 tot en met 2005 de onderhavige (navorderings)aanslagen met boetes opgelegd.

2.11.

Het in de navorderingsaanslagen opgenomen belastbare inkomen uit werk en woning is als volgt berekend:

Belastingjaar

2001

2002

2003

2004

Belastbaar inkomen aanslag

€ 84.794

€ 49.655

€ 61.878

€ 68.591

Bij: correctie winst

€ 214.422

€ 337.311

€ 315.442

€ 337.140

Bij: minder zelfstandigenaftrek

€ 2.164

Belastbaar inkomen navorderingsaanslag

€ 299.216

€ 386.966

€ 379.484

€ 405.731

Het belastbaar inkomen uit werk en woning in de aanslag IB/PVV 2005 is als volgt vastgesteld:

Belastingjaar

2005

Belastbaar inkomen volgens aangifte

-/- € 142.251

Bij: correcties winst

€ 543.269

Belastbaar inkomen aanslag

€ 401.018

2.12.

In het controlerapport is voorts vermeld dat verweerder vergrijpboetes van 50% zal opleggen wegens (voorwaardelijk) opzet. Hiertoe is aangevoerd dat eiser door de aangiften te baseren op een onvolledige administratie willens en wetens de kans heeft aanvaard dat de aanslagen tot te lage bedragen zijn vastgesteld danwel dat hij onjuiste of onvolledig aangifte doet.

2.13.

[E] heeft op 22 december 2006 namens eiser bezwaar gemaakt tegen de (navorderings)aanslagen. Bij brief van 22 maart 2007 heeft hij dit bezwaar gemotiveerd.

2.14.

Op 25 februari 2008 heeft ten kantore van de belastingdienst te [Q] een gesprek plaatsgevonden tussen de heren [F] (de toenmalige bezwaarbehandelaar) en [G] namens verweerder enerzijds en [E] en de partner namens eiser anderzijds. In aansluiting op dit gesprek, waarvan geen verslag is opgemaakt, heeft [E] enige door verweerder opgevraagde informatie, waaronder de jaarrekeningen 2006 en 2007 van de coffeeshop, naar verweerder toegezonden.

2.15.

Bij brief van 14 november 2008 heeft [E] een tweede aanvulling op het bezwaar ingediend. Daarin gaat hij nader in op de negatieve kassen en op de benadering van de controlerende ambtenaren die volgens [E] alleen maar gericht is op de klad-kasadministratie van eiser, onderwerpen die tijdens het gesprek in februari 2008 ook aan de orde waren geweest. De heer [F] was inmiddels ziek geworden en ook de ambtenaar van de belastingdienst die de werkzaamheden had overgenomen, werd ziek.

2.16.

Halverwege het jaar 2011 heeft [gemachtigde] namens verweerder de behandeling van het bezwaarschrift overgenomen. Inmiddels was [E] gepensioneerd en had hij zijn werkzaamheden als gemachtigde van eiser beëindigd.

2.17.

Bij brief van 17 november 2011, gericht aan de nieuwe gemachtigde van eiser, [H], heeft verweerder te kennen gegeven dat hij geen redenen ziet de aanslagen te verminderen.

2.18.

Op verzoek van eiser heeft op 1 december 2011 op zijn bedrijfsadres een gesprek plaatsgevonden, waarbij naast eiser ook de partner en [E] aanwezig zijn. [E] heeft toen voorgesteld de correcties per jaar terug te brengen tot 20%.

2.19.

Bij brief van 27 maart 2012 heeft verweerder gereageerd op het compromisvoorstel van eiser. Verweerder heeft zich wederom op het standpunt gesteld dat de administratie moet worden verworpen, dat sprake is van omkering van bewijslast en dat de schatting van verweerder redelijk is. Voorts heeft verweerder aangegeven dat hij, gezien de door ziekte van de verschillende bezwaarbehandelaars verstreken periode, bereid is gedeeltelijk aan de bezwaarschriften tegemoet te komen door de belastbare winst en het belastbare inkomen uit werk en woning voor de diverse jaren als volgt vast te stellen en de boete te verminderen tot 25%:

Belastingjaar

2001

2002

2003

2004

2005

Winst

€ 299.807

€ 322.169

€ 321.871

€ 372.324

€ 337.799

Belastbaar inkomen box 1

€ 288.357

€ 313.864

€ 306.526

€ 350.851

€ 315.803

2.20.

Bij brief van 16 mei 2012 heeft mr. [gemachtigde] van [I] (hierna: de advocaat van eiser) meegedeeld de fiscale belangen van eiser te zullen behartigen en verzocht hem de gelegenheid te bieden uiterlijk in de week van 4 juni 2012 met een reactie te komen. Bij e-mailbericht van 29 november 2012 heeft hij acht bijlagen ingediend betreffende rapportages van [H], waaruit volgens de advocaat blijkt dat in de betreffende vijf jaren slechts een paar keer sprake is geweest van een echte negatieve kas.

2.21.

Op 22 januari 2013 heeft een gesprek plaatsgehad tussen verweerder enerzijds en de advocaat en de heer [J] van [H] anderzijds. Tijdens dit gesprek is namens eiser het voorstel herhaald de correcties per jaar terug te brengen tot 20%.

2.22.

Bij brief van 14 maart 2013 heeft verweerder nogmaals zijn visie gegeven en het volgende compromisvoorstel gedaan:

Belastingjaar

2001

2002

2003

2004

2005

Winst

€ 255.041

€ 290.063

€ 248.355

€ 304.979

€ 269.861

Belastbaar inkomen box 1

€ 243.591

€ 281.756

€ 233.100

€ 283.506

€ 247.865

Boete

25%

25%

25%

25%

25%

Daarna heeft verweerder diverse malen telefonisch en via de e-mail contact gehad met de advocaat.

2.23.

Bij brief van 3 juli 2013 heeft de advocaat zijn visie gegeven. Hij stelt zich op het standpunt dat de (navorderings)aanslagen met inbegrip van de boetes niet in stand kunnen blijven. Na contact per telefoon en e-mail met de advocaat van eiser heeft verweerder bij brief van 16 januari 2014 nogmaals een voorstel gedaan:

Belastingjaar

2001

2002

2003

2004

2005

Winst

€ 216.722

€ 222.644

€ 221.434

€ 246.785

€ 242.168

Belastbaar inkomen box 1

€ 205.251

€ 214.339

€ 206.179

€ 225.312

€ 220.172

Boete

25%

25%

25%

25%

25%

2.24.

Op 5 maart 2014 heeft een hoorgesprek plaatsgehad. Voor wat betreft een eventueel compromis heeft de advocaat toen in eerste instantie voorgesteld een te betalen bedrag van € 50.000 voor alle aanslagen. Daarna is de woning van eiser en de partner in [R], waarop een hypotheek rust en de ontvanger beslag heeft gelegd, ter finale kwijting van alle aanslagen, in het compromis betrokken.

2.25.

Bij brief van 4 juni 2014 heeft verweerder aangegeven dat hij het aanbod niet acceptabel vindt omdat dan, zelfs uitgaande van de medewerking van de partner, voor de Belastingdienst een bedrag zou resteren van minder dan € 200.000. In de brief is voorts aangekondigd dat hij de (navorderings)aanslagen zal verminderen overeenkomstig zijn brief van 16 januari 2014 (zie 2.23).

2.26.

Met dagtekening 2 juli 2014 zijn de onderhavige uitspraken op bezwaar dienovereenkomstig gedaan.

2.27.

Eiser heeft in zijn jaarrekeningen over de jaren 2001 tot en met 2009 de volgende bedragen aan omzet en winst verantwoord, waarbij zij opgemerkt dat de vermelde winsten bij de jaren 2006 tot en met 2009 de op duizendtallen afgeronde, bedragen betreffen, zoals onbestreden door verweerder ter zitting genoemd:

Belastingjaar

Omzet

Winst

2001

€ 230.869

€ 96.244

2002

€ 294.707

€ 57.960

2003

€ 297.522

€ 77.102

2004

€ 307.509

€ 90.064

2005

€ 307.664

€ 94.726

2006

€ 480.387

137.000

2007*

€ 382.079

57.000

2008

€ 527.096

104.000

2009

€ 488.835

71.000

* De coffeeshop was in 2007 drie maanden op last van de gemeente gesloten.

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de vragen:

1. beschikt verweerder ten aanzien van de opgelegde navorderingsaanslagen over een navorderingsgrond?

2. heeft verweerder de administratie van eiser terecht verworpen?

3. zijn de (navorderings)aanslagen opgelegd naar een redelijke schatting?

4. heeft verweerder in de bezwaarfase gehandeld in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur?

Eiser beantwoordt vraag 4 bevestigend en de vragen 1, 2 en 3 ontkennend. Verweerder beantwoordt de vragen in tegengestelde zin.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.3.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de (navorderings)aanslagen en de daarmee verband houdende boete- en heffingsrentebeschikkingen. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

Met betrekking tot de eerste in geschil zijnde vraag

4.1.

De eerste in geschil zijnde vraag is of sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, dan wel of sprake is van kwade trouw.

Nieuw feit

4.2.

Artikel 16, eerste lid, van de AWR bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting kan navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. De bewijslast met betrekking tot de aanwezigheid van een nieuw feit rust op verweerder.

4.3.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij beschikt over het voor navordering vereiste nieuw feit. Eiser is de tegengestelde mening toegedaan en heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder een ambtelijk verzuim heeft begaan.

4.4.

Verweerder mag bij het vaststellen van een aanslag IB/PVV uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen (vergelijk HR 7 december 2007, nr. 43 489, ECLI:NL:HR:2007:BB3465). Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn (vergelijk HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

4.5.

Naar het oordeel van de rechtbank hoefde verweerder in redelijkheid niet te twijfelen aan de juistheid van de door eiser in zijn aangiften voor de jaren 2001 tot en met 2004 vermelde winst, op de dubbeltelling van de winst in de aangifte voor het jaar 2003 na, welke ook door verweerder is onderkend en hersteld bij het vaststellen van de definitieve aanslag over dat jaar. Tot een nader onderzoek was verweerder derhalve niet gehouden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met betrekking tot de jaren 2001 tot en met 2003 ten tijde van het opleggen van de definitieve aanslagen nog niet bekend was of kon zijn met (de uitkomsten van) het boekenonderzoek. Het boekenonderzoek is immers pas aangevangen nadat de definitieve aanslagen over die jaren zijn opgelegd en levert grond op voor het vermoeden dat de aanslagen over die jaren tot te lage bedragen zijn vastgesteld. Verweerder beschikt voor deze jaren derhalve over het voor navordering vereiste nieuwe feit.

4.6.

Eiser heeft nog gesteld dat hij herhaaldelijk door de Belastingdienst is bezocht waarbij bij hem het vertrouwen is gewekt dat zijn wijze van administreren juist was. Tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, heeft eiser – op wie te dezen de bewijslast rust – niet aannemelijk gemaakt dat door verweerder een dergelijke toezegging is gedaan.

4.7.

Voor het jaar 2004 beschikt verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet over een voor navordering vereist nieuw feit, omdat hij ten tijde van het opleggen van de definitieve aanslag bekend was of kon zijn met de voorlopige uitkomsten van het boekenonderzoek. De definitieve aanslag is immers gedagtekend 30 augustus 2006, terwijl het conceptrapport van het boekenonderzoek reeds op 12 juli 2006 gereed was. Verweerder had dus, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, in redelijkheid moeten twijfelen aan de juistheid van de daarin vermelde winst.

Kwade trouw

4.8.

Verweerder heeft zich ter zitting subsidiair op het standpunt gesteld dat sprake is van kwade trouw. Eiser heeft betwist dat sprake is van kwade trouw. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 11 juni 1997, nr. 32 299, ECLI:NL:HR:1997:AA2160, bepaald dat kwade trouw wil zeggen dat de belastingplichtige ten aanzien van dat feit verweerder opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt. De bewijslast dat sprake is van kwade trouw rust op verweerder. Gelet op het vorenstaande hoeft slechts beoordeeld te worden of sprake is van kwade trouw ten aanzien van de verantwoorde winst in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2004.

4.9.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van kwade trouw met betrekking tot de door eiser verantwoorde winst. Zijn verwijzing naar de resultaten van het boekenonderzoek is daarvoor onvoldoende. Uit het controlerapport blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiser opzettelijk geen deugdelijke administratie heeft gevoerd of opzettelijk administratieve bescheiden niet heeft bewaard en evenmin dat hij verweerder opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt. Het beroep over het jaar 2004 zal daarom gegrond worden verklaard. De navorderingsaanslag IB/PVV en de boete- en heffingsrentebeschikkingen moeten worden vernietigd.

De omkering van de bewijslast

4.10.

Verweerder stelt dat eiser de vereiste aangifte niet heeft gedaan, niet heeft voldaan aan de administratie- en bewaarplicht van artikel 52 van de AWR en dat eiser daarom op grond van artikel 27e van de AWR moet doen blijken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de administratie zoveel gebreken vertoont, dat zij niet meer als betrouwbare grondslag voor het berekenen van de fiscale winst kan dienen. Hij verwijst daarbij naar het controlerapport. Voor wat betreft de vereiste aangifte verwijst verweerder naar het grote verschil tussen de aangegeven winst en de theoretisch berekende winst.

4.11.

Eiser heeft gesteld dat een administratie slechts kan worden verworpen als minimaal aan twee van de volgende drie criteria wordt voldaan: regelmatig negatieve kassen, te lage brutowinstmarges en een te laag netto privé. Aan geen van deze criteria is volgens eiser voldaan, althans niet zodanig dat dit omkering van de bewijslast rechtvaardigt.

4.12.

De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 52 van de AWR is bepaald dat administratieplichtigen zoals eiser verplicht zijn van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf naar de eisen van dat bedrijf op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken. Bij beantwoording van de vraag of eiser heeft voldaan aan de administratieplicht moet naar het oordeel van de rechtbank rekening worden gehouden met de aard en omvang van de onderneming.

4.13.

De verkopen zijn contant afgerekend en veel zakelijke betalingen (met name voor de inkoop van de softdrugs) zijn eveneens contant verricht. Inkoopfacturen van de softdrugs en gegevens over de identiteit van de leverancier(s) ontbreken. Verkoopfacturen en gegevens over de identiteit van de afnemers ontbreken eveneens. Gelet hierop mag van eiser worden verwacht dat hij op andere, en voldoende controleerbare, wijze inzicht biedt in de door hem gerealiseerde winst. De kas- en voorraadadministratie en de omzetstaten spelen daarbij een cruciale rol. Op dit punt vertoont de administratie van eiser echter ernstige gebreken. Zo ontbreken de kladstukken aan de hand waarvan de ontvangsten voor softdrugs zijn berekend, ontbreken de omzet dagstaten, zijn van de inkopen softdrugs geen vastleggingen bewaard en is er geen kascontrole.

4.14.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze gebreken zodanig dat sprake is van een schending van de administratie- en bewaarplicht zoals genoemd in artikel 52 van de AWR. De rechtbank acht deze schending van een dermate groot gewicht dat deze de omkering van de bewijslast rechtvaardigt. Met betrekking tot de tweede in geschil zijnde vraag is het gelijk aan verweerder. Ter voorlichting van eiser merkt de rechtbank nog op dat het feit dat eiser door het voeren van een administratie het risico loopt strafrechtelijk te worden vervolgd, de op hem rustende fiscale verplichtingen niet opzij kan zetten (vergelijk HR 27 juni 2001, nr. 35889, ECLI:NL:HR:2001:AB2314).

4.15.

Nu de bewijslast moet worden omgekeerd, rust op eiser de last overtuigend aan te tonen dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Met de stelling, zonder nadere controleerbare onderbouwing, dat de navorderingsaanslagen tot te hoge bedragen zijn opgelegd, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet het bewijs geleverd dat en in hoeverre de aanslagen (na de uitspraken op bezwaar) tot te hoge bedragen zijn opgelegd en dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. De ter zitting door eiser gemaakte vergelijking met de omzetcijfers in latere jaren en de omzetcijfers van branchegenoten in de omgeving maakt dit niet anders, omdat die vergelijking niet kan dienen als betrouwbare fiscale winstberekening. Dat, zoals eiser heeft aangevoerd, de redelijke termijn in de onderhavige procedure in zeer ruime mate is overschreden, kan niet tot een ander oordeel leiden. De gebreken in de administratie- en bewaarplicht zijn reeds in het jaar 2006 geconstateerd. Het nadien opgetreden tijdsverloop kan die gebreken niet hebben beïnvloed. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat eiser door het tijdsverloop is bemoeilijkt in de bewijslevering dat en in hoeverre de aanslagen tot te hoge bedragen zijn opgelegd.

Redelijke schatting

4.16.

De omkering van de bewijslast ontslaat verweerder niet van zijn verplichting de door hem aangebrachte correcties niet naar willekeur vast te stellen. De belastingaanslagen dienen te berusten op een redelijke schatting (zie onder meer Hoge Raad 29 september 1993, nr. 28 202, ECLI:NL:HR:1993:ZC5466).

4.17.

Verweerder acht de hoogte van het inkomen na de uitspraken op bezwaar in redelijkheid bepaald. Eiser stelt dat verweerder bij de theoretische berekening van de omzetten ten onrechte is uitgegaan van de aantallen gripzakjes en dat de op basis van die aantallen berekende – enorme – omzetten derhalve niet juist zijn. Eiser bepleit een uitvalpercentage van 50 in plaats van het door de inspecteur gehanteerde percentage van 20.

4.18.

Wegens het ontbreken van een deugdelijke administratie is verweerder – en ook de rechtbank – aangewezen op de gegevens die wel voorhanden zijn. Dat verweerder afgaat op de uit de administratie blijkende ingekochte gripzakjes en niet (mede) op de ingekochte hulzen acht de rechtbank de meest logische keuze. Anders dan bij de gripzakjes is immers bij de hulzen geen sprake van een regelmatige inkoop. Bovendien behaalt eiser meer omzet met softdrugs dan met joints, zodat het logischer is om aan de hand van de omzet softdrugs, de met joints behaalde omzet te extrapoleren dan omgekeerd. Verweerder heeft rekening gehouden met mogelijke uitval van gripzakjes (het stuk gaan, het weggooien, de weggeef, de nonchalance en de alternatieve aanwending). Hij is uitgegaan van 20% uitval. Eiser bepleit 50 tot 60% uitval. De rechtbank acht de door eiser genoemde percentages onwaarschijnlijk hoog en de daartoe aangevoerde argumenten niet overtuigend. De schatting van de uitval gripzakjes op 20% acht de rechtbank redelijk. Daarnaast mag verweerder naar het oordeel van de rechtbank afgaan op hetgeen de partner heeft verklaard ten aanzien van de verschillende soorten softdrugs die worden verkocht, de in- en verkoopprijzen van deze softdrugs en de inhoud per verpakking. Voorts heeft verweerder het brutowinstpercentage gebaseerd op de branche- en ervaringscijfers waarop eiser zich beroept. Naast de correcties ter zake van de softdrugs, is de drankomzet gecorrigeerd. Tegen laatstgenoemde correctie heeft eiser geen verweer gevoerd. De rechtbank is van oordeel dat alle correcties na bezwaar berusten op een redelijke schatting. Met betrekking tot de derde in geschil zijnde vraag is het gelijk aan verweerder.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

4.19.

Eiser heeft een beroep gedaan op het zorgvuldigheidsbeginsel en het fair play-beginsel. Verweerder acht deze beginselen niet geschonden.

4.20.

Voor wat betreft het zorgvuldigheidsbeginsel heeft eiser aangevoerd dat verweerder onvoldoende aandacht heeft besteed aan de namens eiser ingebrachte argumenten. De rechtbank verwerpt het standpunt van eiser. Uit het dossier blijkt dat verweerder zijn standpunten telkens opnieuw heeft heroverwogen op basis van hetgeen door of namens eiser is ingebracht. Verweerder heeft eiser ook uitgebreid, en voldoende, geïnformeerd over zijn (herijkte) zienswijze. Tegen deze achtergrond kan bezwaarlijk worden gezegd dat verweerder onzorgvuldig is omgegaan met de namens eiser aangedragen argumenten.

4.21.

Voor wat betreft het fair play-beginsel wijst eiser op de lange behandelduur van het bezwaar. Doordat de toenmalige gemachtigde intussen is gepensioneerd, is volgens eiser veel feitenkennis verloren gegaan en heeft eiser hoge kosten moeten maken. Het beroep op voormeld beginsel faalt. De rechtbank ziet niet in dat door de lange behandelduur bewijsmiddelen verloren zijn gegaan en verwijst daartoe naar hetgeen in 4.15 is overwogen. Voorts merkt de rechtbank nog op dat eiser vanaf 22 december 2007 en daarmee ruim voor de pensionering van [E], de tijd heeft gehad beroep in te stellen tegen het uitblijven van een beslissing op de bezwaren waarmee hij de door hem ondervonden nadelen (grotendeels) had kunnen voorkomen.

Boetes

4.22.

De boetebeschikking die samenhangt met de aan eiser opgelegde navorderingsaanslag IB/PVV 2004 dient gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor in 4.9 heeft overwogen te worden vernietigd. De rechtbank hoeft dan alleen nog de juistheid van de boetebeschikkingen behorende bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2001 tot en met 2003 en 2005 te beoordelen. Verweerder stelt dat het aan (voorwaardelijk) opzet van eiser is te wijten dat in de onderhavige jaren de aanslagen tot te lage bedragen zijn vastgesteld dan wel aangiften onjuist dan wel onvolledig zijn gedaan. Wegens de omstandigheid dat de boetegrondslag via omkering is bepaald en wegens de lange behandelduur, heeft hij de vergrijpboetes van 50% tot 25% gematigd.

4.23.

De rechtbank is van oordeel dat eisers administratie in de onderhavige jaren zodanig ondeugdelijk is dat deze omstandigheid, in combinatie met de significante omzetstijging in latere jaren ten opzichte van de onderhavige jaren (zie 2.27), aannemelijk maakt dat eiser willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de door hem behaalde omzetten te laag zijn aangegeven. De rechtbank is daarom van oordeel dat het aan eisers voorwaardelijke opzet is te wijten dat de aanslagen IB/PVV 2001 tot en met 2003 tot te lage bedragen zijn vastgesteld en de aangifte IB/PVV 2005 tot een te laag bedrag is gedaan.

4.24.

Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 18 januari 2008, nr. 41 832, ECLI:NL:HR:2008:BC1962, dient bij de beoordeling van een vergrijpboete ervan te worden uitgegaan dat de feitelijk geheven belasting de verschuldigde belasting is, ook als de hoogte daarvan is komen vast te staan met toepassing van de zogenoemde omkering van de bewijslast. Bij de vraag of een opgelegde vergrijpboete, gelet op de omstandigheden van het geval, een passende en geboden sanctie is, zal de rechter volgens de Hoge Raad in zijn overwegingen moeten betrekken dat de hoogte van de belasting is komen vast te staan met toepassing van de zogenoemde omkering van de bewijslast.

4.25.

In dit geval heeft verweerder zich moeten baseren op een theoretische omzet- en winstberekening, omdat eiser niet heeft voldaan aan zijn administratieplicht. Hoewel de rechtbank de uitgangspunten en aannames waarop verweerder zich heeft gebaseerd bij de theoretische omzetberekening redelijk acht, ziet de rechtbank toch aanleiding om tot matiging van de opgelegde vergrijpboetes over te gaan vanwege de omstandigheid dat de grondslag ervan met toepassing van de omkering en verzwaring van de bewijslast is vastgesteld. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de door verweerder becijferde winstcorrecties niet in een logische verhouding staan tot de in 2.27 vermelde winsten in latere jaren, waarbij de rechtbank zich realiseert dat de betreffende winstcijfers niet door verweerder zijn gecontroleerd. Een matiging met 20% acht de rechtbank passend en geboden.

4.26.

De rechtbank dient voorts op grond van het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37 984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006 nog ambtshalve te onderzoeken of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Nu reeds in juni 2006 het concept controlerapport aan eiser is verstrekt, is dat naar het oordeel van de rechtbank het moment waarop een handeling is verricht waaraan eiser in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem boetes zullen worden opgelegd. Tussen dit tijdstip en het tijdstip waarop de rechtbank uitspraak doet is een periode van (afgerond) negen jaren verstreken. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee de redelijke termijn overschreden met (afgerond) zeven jaren. De rechtbank ziet hierin reden de boetes verder te matigen met 20%.

4.27.

Hetgeen in 4.25 en 4.26 is overwogen, resulteert in de volgende boetes:

Belastingjaar

2001

2002

2003

2005

Boete volgens (navorderings)aanslag

€ 55.749

€ 87.700

€ 82.577

€ 99.440

Af: 20% wegens toepassing omkering

€ 11.150

€ 17.540

€ 16.516

€ 19.888

Resteert

€ 44.599

€ 70.160

€ 66.061

€ 79.552

Af: 20% wegens termijnoverschrijding

€ 8.920

€ 14.032

€ 13.212

€ 15.911

Boete wordt

€ 35.679

€ 56.128

€ 52.848

€ 63.641

Nu de boetes na bezwaar op hogere bedragen zijn vastgesteld, zijn de beroepen tegen de boetebeschikkingen gegrond.

Heffingsrente

4.28.

Eiser heeft geen afzonderlijke grieven aangevoerd tegen de beschikkingen heffingsrente. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding die te verminderen.

Immateriële schadevergoeding

4.29.

De toekenning van een schadevergoeding betreft geen ambtshalve bevoegdheid. Alleen als de indiener van het beroep daartoe een verzoek heeft gedaan, kan de rechter een schadevergoeding toekennen. Eiser heeft de rechtbank niet verzocht hem een schadevergoeding toe te kennen. De rechtbank maakt uit de processtukken echter op dat eiser wel verweerder in de bezwaarfase om een zodanige vergoeding heeft verzocht. Uit de omstandigheid dat eiser in beroep nog steeds bepleit dat de redelijke termijn is overschreden maakt de rechtbank op dat eiser dat verzoek niet heeft ingetrokken. Verweerder heeft in de uitspraken op bezwaar aangegeven dat hij de beslissing omtrent de toekenning en hoogte van de immateriële schadevergoeding overlaat aan de rechter. De rechtbank begrijpt hieruit dat haar wordt verzocht te beslissen op een door eiser gedaan verzoek tot het toekennen van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.30.

Nu de (navorderings)aanslagen in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp en sprake is geweest van gezamenlijke behandeling wordt voor de onderhavige zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per halfjaar gehanteerd en voor het overige volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

4.31.

De ontvangstdatum van de bezwaarschriften is 22 december 2006 (zie 2.13). De termijn is geëindigd met deze uitspraak. Tussen 22 december 2006 en heden zijn (naar boven) afgerond acht jaren en zes maanden verstreken. Omstandigheden die aanleiding geven om de redelijke termijn voor de onderhavige procedure op een langere termijn dan twee jaren te stellen, zijn niet gesteld. De rechtbank ziet daarom geen reden om de termijn in dit geval te verlengen. De overschrijding van de redelijke termijn is dan zes jaren en zes maanden of 78 maanden. Eiser heeft dus recht op een vergoeding van 78/6 = 13 x € 500 of € 6.500. Voor wat betreft de verdeling daarvan tussen verweerder (bezwaarfase) en de Minister van Justitie (beroepsfase) geldt dat de termijnoverschrijding volledig is toe te rekenen aan verweerder, zodat voormeld bedrag volledig voor rekening komt van verweerder.

5 Proceskosten

5.1.

De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten van de bezwaarfase nu gesteld noch aannemelijk is geworden dat eiser om vergoeding van deze kosten heeft verzocht voordat, zoals is vereist op grond van artikel 7:15, derde lid, van de Awb, uitspraak op bezwaar is gedaan.

5.2.

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank beschouwt daarbij de zaken met de procedurenummers AWB 14/5690 tot en met AWB 14/5694 als samenhangende zaken. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.470 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490, factor 1,5 wegens het aantal samenhangende zaken en een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslag IB/PVV 2004 en de met deze navorderingsaanslag verband houdende boetebeschikking en beschikking heffingsrente;

- handhaaft de navorderingsaanslagen IB/PVV 2001 tot en met IB/PVV 2003 alsmede de aanslag IB/PVV 2005 en de daarmee verband houdende beschikkingen heffingsrente zoals deze (navorderings)aanslagen en beschikkingen bij de uitspraken op bezwaar zijn verminderd;

- vermindert de boetes tot respectievelijk € 35.679 (2001), € 56.128 (2002), € 52.848 (2003) en € 63.641 (2005);

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade die eiser heeft geleden, vastgesteld op een bedrag van € 6.500;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.470;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 45 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.P. van Roij, voorzitter, mr. R.A. Boon en
mr. J.M.W. van den Sande, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.A. Mak, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 28 mei 2015

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.