Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:3232

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-05-2015
Datum publicatie
26-05-2015
Zaaknummer
05/800242-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarige. Geweld tijdens voetbalwedstrijd. Ernstig letsel. Vrijspraak van poging doodslag en zware mishandeling. Veroordeling voor eenvoudige mishandeling.

De rechtbank constateert dat aangever, getuigen en verdachte op essentiële punten wisselend verklaren. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen overtuigende lijn te destilleren met betrekking tot de aanleiding waardoor aangever op zeer ongelukkige wijze op de grond terecht is gekomen en de feitelijke bijdrage die verdachte hieraan heeft gehad. Nu aldus geen enkele lezing van de feiten boven aanzienlijke twijfel is verheven, acht de rechtbank de tenlastegelegde geweldshandelingen dat verdachte aangever over zich heen heeft geworpen dan wel ten val heeft gebracht en/of een trap en/of knietje(s) heeft gegeven, niet bewezen. Wel acht de rechtbank de meer subsidiair tenlastegelegde eenvoudige mishandeling (een stomp op het gezicht) wettig en overtuigend bewezen.

Bij het bepalen van de duur van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op rechterlijke uitspraken met betrekking tot feiten die grosso modo vergelijkbaar zijn. Een grote rol heeft gespeeld dat het feit is gepleegd tijdens een voetbalwedstrijd, een sportief evenement, en dat verdachte een weerloos op de grond liggend slachtoffer een stomp tegen het hoofd heeft gegeven. Aan de andere kant heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat de maatschappelijke onrust door het voetbalincident groot is geweest en de media veel aandacht hebben besteed aan het incident, hetgeen voor verdachte belastend is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team jeugdrecht

Zittingsplaats: Arnhem

Meervoudige Kamer voor kinderstrafzaken

Promis II

Parketnummer : 05/800242-14

Datum zitting : 12 mei 2015

Datum uitspraak: 26 mei 2015

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats]

adres :[adres]

plaats :[woonplaats]

raadsman mr. D. Moszkowicz, advocaat te Maastricht.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks [datum] in de gemeente [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer]:

  • -

    (met geschoeide voet) in/op/tegen het hoofd/lichaam heeft getrapt en/of geschopt, en/of

  • -

    (met gebalde vuist) in/op/tegen het hoofd/lichaam heeft gestompt en/of geslagen, en/of

  • -

    een of meer knietje(s) in/op/tegen het hoofd/lichaam heeft gegeven, en/of

  • -

    over zich heen heeft geworpen/ten val heeft gebracht, waardoor voornoemde [slachtoffer] met zijn hoofd op de grond terecht kwam,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks [datum] in de gemeente [plaats] aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten:

  • -

    een breuk van het doornuitsteeksel van nekwervel C4, en/of

  • -

    een breuk van de sluitplaat van nekwervel C3, en/of

  • -

    forse zwelling van de weke delen aan de voor- en achterkant van de wervelkolom, en/of

  • -

    aandoening van het ruggemerg (myelopathie),

heeft toegebracht door voornoemde [slachtoffer]:

  • -

    (met geschoeide voet) in/op/tegen het hoofd/lichaam te trappen en/of te schoppen, en/of

  • -

    (met gebalde vuist) in/op/tegen het hoofd/lichaam te stompen en/of te slaan, en/of

  • -

    een of meer knietje(s) in/op/tegen het hoofd/lichaam te geven, en/of

  • -

    over zich heen te werpen/ten val te brengen, waardoor voornoemde [slachtoffer] met zijn hoofd op de grond terecht kwam;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks [datum] in de gemeente [plaats] een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk heeft mishandeld, door:

  • -

    (met geschoeide voet) in/op/tegen het hoofd/lichaam van die [slachtoffer] te trappen en/of te schoppen, en/of

  • -

    (met gebalde vuist) in/op/tegen het hoofd/lichaam van die [slachtoffer] te stompen en/of te slaan, en/of

  • -

    een of meer knietje(s) in/op/tegen het hoofd/lichaam van die [slachtoffer] te geven, en/of

  • -

    die [slachtoffer] over zich heen te werpen/ten val te brengen, waardoor voornoemde [slachtoffer] met zijn hoofd op de grond terecht kwam,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten:

  • -

    een breuk van het doornuitsteeksel van nekwervel C4, en/of

  • -

    een breuk van de sluitplaat van nekwervel C3, en/of

  • -

    forse zwelling van de weke delen aan de voor- en achterkant van de wervelkolom, en/of

  • -

    aandoening van het ruggemerg (myelopathie),

ten gevolge heeft gehad.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 12 mei 2015 ter terechtzitting met gesloten deuren onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. D. Moszkowicz, advocaat te Maastricht.

Namens de benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd en is ter terechtzitting verschenen zijn gemachtigde mr. B.B. Blankenstein. Tevens is namens de benadeelde partij [slachtoffer] ter zitting verschenen mevrouw J. Oosten, medewerkster Slachtofferhulp Nederland.

De officier van justitie, mr. H.G. Kuipers, heeft ter terechtzitting van 12 mei 2015 zijn eis geformuleerd.

De raadsman en verdachte hebben ter terechtzitting van 12 mei 2015 het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op [datum] vindt in de gemeente [plaats] een voetbalwedstrijd van [team 1] (verder te noemen [team 1]) tegen [team 2] (verder te noemen [team 2]) plaats.2 Verdachte speelt bij [team 2] en speelt op [datum] met rugnummer 11.3 Aangever [slachtoffer] (nader te noemen: [slachtoffer]) speelt bij [team 1] en speelt op [datum] met rugnummer 15.4 Gedurende de voetbalwedstrijd vindt er een worsteling plaats tussen verdachte en [slachtoffer].5 [slachtoffer] komt ten val op zijn hoofd. Hij loopt ernstig letsel op, waaronder een breuk van het doornuitsteeksel van nekwervel C4 en een breuk van de sluitplaat van C3 in combinatie met een forse zwelling van de weke delen aan de voor- en achterkant van de wervelkolom. Daarnaast is er sprake van een myelopathie (aandoening van het ruggenmerg).6 Verdachte heeft [slachtoffer], toen [slachtoffer] op de grond lag, met een vuist in zijn gezicht geslagen.7

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft, aan de hand van zijn op schrift gestelde requisitoir, aangevoerd dat het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht, nu alleen scheidsrechter [scheidsrechter] heeft verklaard dat hij verdachte tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft zien trappen. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. De officier van justitie is voorts van mening dat, gelet op de verklaring van verdachte bij de politie, de verklaring van [slachtoffer] en de verklaring van getuige [getuige 1], wel wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte [slachtoffer] ten val heeft gebracht en dat hij [slachtoffer] daarna tweemaal met kracht in het gezicht heeft geslagen. Onder verwijzing naar de letselrapportage van drs. H.A.J.M. van den Heuvel en de verklaringen van [slachtoffer], verdachte en [getuige 1], heeft de officier van justitie gesteld dat de val de meest waarschijnlijke bijdrage heeft geleverd aan het ontstaan van het ernstige letsel bij [slachtoffer]. De officier van justitie is van mening dat verdachte door zijn handelswijze, het ten val brengen alsmede de vuistslagen, welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn handelen dergelijk zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan. De officier van justitie heeft dan ook gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

Volgens de verdediging kan alleen het meer subsidiair tenlastegelegde feit (de eenvoudige mishandeling) wettig en overtuigend bewezen worden verklaard en dient verdachte te worden vrijgesproken van het overige. Indien de rechtbank inderdaad tot een bewezenverklaring komt van het primair dan wel subsidiair tenlastegelegde dan beroept de verdediging zich op noodweer. Volgens de verdediging was verdachte genoodzaakt zich te verdedigen tegen [slachtoffer] nu verdachte werd belaagd door die [slachtoffer]. Uit de verklaring van verdachte bij de politie volgt immers dat [slachtoffer] verdachte driemaal op zijn gezicht heeft gestompt. Als de rechtbank oordeelt dat verdachte te ver is gegaan in zijn verdediging, dan is sprake van noodweerexces. De verdediging concludeert primair tot vrijspraak en subsidiair tot ontslag van alle rechtsvervolging.

De beoordeling van de rechtbank

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van hetgeen hem primair is tenlastegelegd, nu voor de rechtbank niet is komen vast te staan dat verdachte [slachtoffer] tegen het hoofd/lichaam heeft getrapt.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit

De rechtbank overweegt dat de aanleiding voor het geweldsincident tijdens de voetbalwedstrijd op [datum] niet helder is, gelet op de wisselende verklaringen die daarover door de aangever, de getuigen en verdachte zijn afgelegd. De rechtbank stelt vervolgens op grond van de verklaringen zoals afgelegd door de aangever, de getuigen en verdachte vast dat er verschillende lezingen zijn over het verloop van het geweldsincident en het aandeel van verdachte hierin.

Uit de verklaring van [slachtoffer] volgt dat hij en verdachte elkaar vasthouden. Verdachte probeert hem twee knietjes te geven. Opeens gaat hij over verdachte heen en landt op zijn hoofd. [slachtoffer] weet niet hoe dit gebeurd is.

Uit de verklaring van verdachte volgt dat [slachtoffer] hem bij zijn nek vasthoudt en dat hij [slachtoffer] bij zijn schouders vast heeft. Verdachte maakt zich klein door zijn linkerknie op te tillen waarna hij ver naar achteren leunt omdat [slachtoffer] een stap naar voren doet. Omdat ze elkaar vast houden, valt [slachtoffer] mee. Ze maken een draaiende en vallende beweging. Verdachte verklaart dat hij ziet dat [slachtoffer] op zijn hoofd en nek valt.

Getuige (en scheidsrechter) [scheidsrechter] heeft verklaard dat [slachtoffer] door een klap in zijn gezicht achterover valt en op de grond terecht komt.

Getuige (en grensrechter) [grensrechter 1] heeft verklaard dat verdachte [slachtoffer] bij zijn nek pakt en [slachtoffer] op de grond smijt.

Getuige (en grensrechter) [grensrechter 2] heeft verklaard dat er tussen verdachte en [slachtoffer] sprake is van een worsteling, waarbij over en weer wordt geslagen. Tijdens de worsteling vallen ze op de grond.

Getuigen [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] (coach/trainer en spelers bij [team 2]) hebben verklaard dat verdachte en [slachtoffer] met elkaar aan het worstelen zijn en dat ze waarschijnlijk door het worstelen in onbalans raken, waardoor ze vallen.

Getuigen [getuige 6], [getuige 1] (spelers bij [team 1]) hebben verklaard dat verdachte en [slachtoffer] elkaar vasthouden en dat verdachte [slachtoffer] naar de grond trekt, waarna [slachtoffer] op zijn hoofd valt.

De bovenstaande verklaringen en waarnemingen van de aangever, de getuigen en verdachte verschillen op essentiële punten. Er is hier naar het oordeel van de rechtbank geen overtuigende lijn uit te destilleren met betrekking tot de aanleiding waardoor [slachtoffer] op zeer ongelukkige wijze op de grond is terechtkomen en de feitelijke bijdrage die verdachte hieraan heeft gehad. Nu aldus geen enkele lezing van de feiten boven aanzienlijke twijfel is verheven, acht de rechtbank de tenlastegelegde geweldshandeling dat verdachte [slachtoffer] over zich heen heeft geworpen dan wel ten val heeft gebracht, niet bewezen.

Evenmin kunnen het tenlastegelegde trappen en geven van (een) knietje(s) door verdachte wettig en overtuigend worden bewezen nu alleen [scheidsrechter] heeft verklaard dat [slachtoffer] door verdachte is getrapt en niemand van de getuigen heeft gezien dat er door verdachte (een) knietje(s) is/zijn gegeven die [slachtoffer] daadwerkelijk heeft/hebben geraakt, terwijl ook [slachtoffer] en verdachte hier niets over verklaren.

De rechtbank overweegt dat, gelet op de aangifte en de verklaring van verdachte bij de politie, wel is komen vast te staan dat verdachte [slachtoffer], nadat [slachtoffer] ten val is gekomen, met kracht in zijn gezicht heeft gestompt. De rechtbank acht evenwel niet bewezen dat ten gevolge van deze stomp het omschreven letsel bij [slachtoffer] is opgetreden. In voornoemde letselrapportage van drs H.A.J.M. van den Heuvel d.d. 25 maart 2015 is immers in antwoord op vraag 6. het volgende te lezen:

“Het bij het slachtoffer aangetroffen letsel, een breuk van het doornuitsteeksel van nekwervel C4 en een breuk van de sluitplaat van C3 in combinatie met de forse zwelling van de weke delen aan de voor- en achterkant van de wervelkolom en de geconstateerde myelopathie past beter bij de gevolgen van een val/worp en past minder bij een trap geven / schop geven / knietje geven / vuistslag geven / klap geven. Voor een breuk van zowel het doornuitsteeksel als de sluitplaat van een wervel is een grote inwerkende kracht nodig. Daarnaast zou een dergelijk grote kracht indien veroorzaakt door een trap geven / schop geven / knietje geven / vuistslag geven / klap geven, ook uiterlijk waarneembare verschijnselen veroorzaken.

Zoals het slachtoffer in zijn relaas aangeeft dat hij ‘boven op zijn hoofd gevallen is in een

voorwaartse beweging en dat hij voelde dat zijn hoofd een knik maakte’ past bij een grote, op de halswervels inwerkende kracht.”

Uit de verklaring van [slachtoffer] volgt dat hij direct daarna de gevolgen heeft gemerkt. Toen hij op zijn hoofd landde, kon hij op dat moment niet meer bewegen en hij voelde verstijfd aan.8

Het standpunt van de officier van justitie dat de vuistslagen van verdachte een deel van het letsel zouden hebben kunnen veroorzaakt of verergerd volgt de rechtbank niet, nu deze conclusie niet past bij de inhoud van de letselrapportage of andere bewijsmiddelen.

Nu niet is bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht zal de rechtbank verdachte van het subsidiair tenlastegelegde feit vrijspreken.

Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde feit

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] (p. 43);

  • -

    het proces-verbaal van verhoor van verdachte (p. 35).

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op of omstreeks [datum] in de gemeente [plaats] een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk heeft mishandeld, door:

  • -

    (met geschoeide voet) in/op/tegen het hoofd/lichaam van die [slachtoffer] te trappen en/of te schoppen, en/of

  • -

    (met gebalde vuist) in/op/tegen het hoofd/lichaam van die [slachtoffer] te stompen en/of te slaan, en/of

  • -

    een of meer knietje(s) in/op/tegen het hoofd/lichaam van die [slachtoffer] te geven, en/of

  • -

    die [slachtoffer] over zich heen te werpen/ten val te brengen, waardoor voornoemde [slachtoffer] met zijn hoofd op de grond terecht kwam,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten:

  • -

    een breuk van het doornuitsteeksel van nekwervel C4, en/of

  • -

    een breuk van de sluitplaat van nekwervel C3, en/of

  • -

    forse zwelling van de weke delen aan de voor- en achterkant van de wervelkolom, en/of

  • -

    aandoening van het ruggemerg (myelopathie),

ten gevolge heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Meer subsidiair

Mishandeling

Het feit is strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Beoordeeld dient te worden de vraag of verdachte een gerechtvaardigd beroep toekomt op noodweer(exces).

Ter beantwoording van de vraag of verdachte een beroep toekomt op noodweer(exces), dient beoordeeld te worden of sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging noodzakelijk was. De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat hiervan sprake was omdat [slachtoffer] hem driemaal in zijn gezicht had gestompt. Ook voor de feitelijke onderbouwing van dit verweer geldt dat er vele lezingen van het gebeurde zijn, waardoor de door verdachte gestelde versie niet bewezen wordt geacht. Maar afgezien daarvan is er in een officiële wedstrijdsituatie, waarin de regie wordt gevoerd door de scheidsrechter, niet snel sprake van een noodzaak tot verdediging van eigen lijf. Evenmin kunnen de emoties, opgeroepen door de worsteling, een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging opleveren. De rechtbank concludeert derhalve dat geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich moest verdedigen zodat verdachte geen beroep toekomt op noodweer en daarmee niet op noodweerexces. Het door de verdediging gevoerde verweer wordt dan ook verworpen.

Ook verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een werkstraf voor de duur van 180 uur, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht. De officier van justitie is tot deze eis gekomen aan de ene kant vanwege de ernst van het feit en de impact welke het feit op het slachtoffer en zijn familie heeft (gehad) en aan de andere kant gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen dan kan de raadsman van verdachte zich vinden in het advies van de Raad voor de Kinderbescherming om aan verdachte een werkstraf op te leggen.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig feit, te weten aan een mishandeling. Verdachte heeft tijdens een sportief evenement, een voetbalwedstrijd een tegenstander, die reeds met zwaar letsel op de grond lag, in het gezicht gestompt nadat reeds gefloten was voor een overtreding. De rechtbank is van oordeel dat verdachte hiermee onbezonnen, onsportief en onnodig gewelddadig heeft gehandeld. Een dergelijk geweldsdelict tijdens de uitoefening van een sport waarbij toeschouwers aanwezig zijn, veroorzaakt grote onrust in de samenleving, zoals naar voren komt in de vele nieuwsberichten die recentelijk over geweld op de voetbalvelden naar buiten zijn gekomen en de overweldigende aandacht van de pers voor dit specifieke incident.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met de persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

  • -

    het Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte, gedateerd 25 maart 2015;

  • -

    een rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming van 1 mei 2015;

De rechtbank heeft acht geslagen op een op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 25 maart 2015, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, gedateerd 1 mei 2015, volgt onder meer het volgende. Zowel het Algemeen Recidive Risico als het Dynamisch Risico Profiel zijn laag en op alle domeinen komen vrijwel alleen beschermende factoren naar voren voor de kans op herhaling. De Raad is van mening dat begeleiding van de Jeugdreclassering of een leerstraf hierdoor geen meerwaarde heeft. Ook de Jeugdreclassering geeft aan dat verdachte geen begeleiding nodig heeft. Van belang is dat er een gesprek in het kader van slachtoffer in beeld wordt georganiseerd, mits het slachtoffer eraan toe is. Een geldboete acht de Raad voor de Kinderbescherming niet gepast vanwege de aard van het delict en jeugddetentie is niet in het belang van de ontwikkeling van verdachte, omdat het haaks staat op de positieve ontwikkeling die verdachte laat zien. Een taakstraf in de vorm van een werkstraf zou gepast zijn, mocht verdachte ’s aandeel groter zijn dan beweerd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak een werkstraf voor de duur van 40 uur, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht, passend en geboden is.

Bij het bepalen van de duur van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op rechterlijke uitspraken met betrekking tot feiten die met het onderhavige grosso modo vergelijkbaar zijn. Een grote rol heeft gespeeld het gegeven dat het feit is gepleegd tijdens een voetbalwedstrijd, een sportief evenement, en dat de verdachte een op dat moment weerloos op de grond liggend slachtoffer een stomp heeft gegeven tegen zijn hoofd. Aan de andere kant heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat de maatschappelijke onrust door het voetbalincident groot is geweest en de media er veel aandacht aan hebben besteed, hetgeen voor verdachte belastend is geweest.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade, zijnde € 3555,10 aan materiële schade en € 5000,- aan immateriële schade.

De officier van justitie heeft verzocht de materiële vordering toe te wijzen tot een bedrag van

€ 1539,10 en de immateriële vordering in zijn geheel toe te wijzen bij wijze van voorschot, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf [datum] en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering omdat deze niet van eenvoudige aard is.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij afwijzen, nu onvoldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het meer subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte (kort gezegd: mishandeling strafbaar gesteld in artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht) de opgegeven schade heeft geleden. Er is immers niet bewezen verklaard dat de benadeelde partij het nekletsel door de mishandeling heeft opgelopen.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van de onder primair en subsidiair tenlastegelegde feiten.

Verklaart bewezen dat verdachte het overige tenlastegelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

het verrichten van een werkstraf gedurende 40 (veertig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen een half jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende jeugddetentie vast op 20 (twintig) dagen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (1 dag = 2 uren) geheel in mindering wordt gebracht, te weten 8 (acht) uren.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst af de vordering van de benadeelde partij.

Aldus gewezen door:

mr. J.Th. van Belzen, kinderrechter, als voorzitter,

mr. G.W. Brands-Bottema, kinderrechter,

mr. S. Djebali, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.E. Huberts, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 mei 2015.

1 De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in het in wettelijke vorm door de verbalisant J.M.E.J. Renkens van de regiopolitie Oost Nederland, districtsrecherche Nijmegen, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2014192752, gesloten op 27 februari 2015 met de onderliggende in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en andere schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier.

2 Het proces-verbaal van aangifte, p. 43 en het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 35.

3 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 35 en het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], p. 97.

4 Het proces-verbaal van verhoor aangever, p. 50.

5 Het proces-verbaal van verhoor aangever, p. 52 en 53 en het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 35.

6 Letselrapportage van drs. H.A.J.M. van den Heuvel, forensisch arts FMG d.d. 25 maart 2015.

7 Het proces-verbaal van aangifte, p. 43 en het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 39.

8 Het proces-verbaal van verhoor aangever, p. 53