Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:3018

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-05-2015
Datum publicatie
20-05-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 511
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:153, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Planschade. Passieve risicoaanvaarding met betrekking tot het vervallen van de bouwmogelijkheid voor een tweede woning op het perceel, omdat in een voorafgaand voorbereidingsbesluit is opgenomen dat deze bouwmogelijkheid gaat vervallen. Voor de uitleg van het begrip “perceel” in het voorbereidingsbesluit is niet de kadastrale situatie doorslaggevend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/511

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

de erven van [naam], laatstelijk wonend te [woonplaats], eisers

(gemachtigde: [naam gemachtigde]),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2015 (het besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers om een tegemoetkoming in de planschade ten gevolge van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Bennekom-Oost” afgewezen.

Bij brief van 27 januari 2015 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen het besluit en het college verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de rechtbank als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb).

Het college heeft met dat verzoek ingestemd en het bezwaarschrift met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Awb doorgezonden naar de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2015, waar de erven, [woonplaats], zijn verschenen, vertegenwoordigd door hun gemachtigde en bijgestaan door mr. E. Meijer en mr. H. Vogel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door T.M. Driever.

Overwegingen

1. Gemachtigde en zijn echtgenote, [erfgenaam], zijn sinds 2002 eigenaar van het perceel [perceel]. [naam] was sinds 2003 eigenaresse van het perceel grond, [aanduiding]. Het kadastrale perceel [aanduiding] is thans in gebruik als tuin bij de woning op het perceel [perceel]. De twee percelen vormden oorspronkelijk één kadastraal perceel en zijn kadastraal gesplitst in 2002.

Op 18 januari 2013 heeft [naam] verweerder verzocht om een tegemoetkoming in planschade als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Bennekom-Oost” op 27 september 2012. Dit bestemmingsplan is onherroepelijk geworden door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (de Afdeling) op 28 augustus 2013. Het voorheen geldende bestemmingsplan heette eveneens “Bennekom Oost”.

Op 22 september 2014 is [naam] overleden. Eisers zijn de erfgenamen.

Verweerder heeft voor het op aanvraag te nemen besluit advies gevraagd aan Anteagroup. In een advies van 17 september 2014 heeft Anteagroup een vergelijking gemaakt tussen de planologische mogelijkheden van het oude en het nieuwe planologische regime. Uit deze vergelijking heeft Anteagroup de conclusie getrokken dat eisers als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan in een nadeliger positie zijn komen te verkeren doordat op het kadastraal perceel [aanduiding] geen woning meer gebouwd kan worden. Onder de werking van het voorheen geldende bestemmingsplan “Bennekom Oost” was geen beperking opgenomen voor het aantal woningen op een perceel. Volgens Anteagroup dient de schade echter op grond van passieve risicoaanvaarding voor rekening van eisers te blijven omdat het op grond van het voorbereidingsbesluit van 21 december 2006 kenbaar was dat de bouwmogelijkheid voor een tweede woning op dat perceel zou komen te vervallen. Daarnaast wordt in het planschadeadvies aangegeven dat [naam] na het aflopen van het voorbereidingsbesluit de gelegenheid heeft gehad om de bouwmogelijkheid te benutten maar daarvan geen gebruik heeft gemaakt.

Verweerder heeft dit advies aan het besluit ten grondslag gelegd.

2. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef onder a, is een bepaling van een bestemmingsplan een oorzaak, als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 6.3, onder a, van de Wro geldt dat met betrekking tot de voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade burgemeester en wethouders bij hun beslissing op de aanvraag in ieder geval de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak betrekken.

3. Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.

4. Tussen partijen is niet in geschil dat eisers door de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan in een planologisch nadeliger situatie zijn komen te verkeren en dientengevolge schade lijden. In geschil is uitsluitend de vraag of de schade ten laste van eisers moet blijven op de grond dat zij, door de onder het oude bestemmingsplan voor het perceel bestaande bouwmogelijkheden niet volledig te benutten, het risico dat deze zouden kunnen vervallen passief hebben aanvaard.

5. Eisers betogen dat uit het voorbereidingsbesluit niet concreet en helder afgeleid kan worden dat er in de toekomst geen woningbouw op het perceel [aanduiding] meer mogelijk was. Hiertoe voeren eisers aan dat uit het voorbereidingsbesluit weliswaar voortvloeit dat de mogelijkheid tot het bouwen van een tweede woning op een groot perceel wordt geblokkeerd, maar dat hieruit niet duidelijk blijkt dat dit ook geldt voor percelen die vóór de vaststelling van het voorbereidingsbesluit reeds kadastraal waren gesplitst. Zij wijzen erop dat het perceel [aanduiding] breder is dan 14 m. Voorts betogen eisers dat het perceel [aanduiding] in het kader van de WOZ is getaxeerd als bouwgrond, ook na inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

6. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 16 maart 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP7753) geldt bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van aanvaarding door eisers van het risico dat de bouwmogelijkheden op zijn perceel zouden komen te vervallen, dat van belang is of de voortekenen van de nadelige planwijziging reeds enige tijd zichtbaar waren. Om risicoaanvaarding te mogen aannemen is het voldoende dat er, bezien vanuit de positie van een redelijk denkende en handelende eigenaar, aanleiding bestond rekening te houden met de kans dat de planologische situatie in negatieve zin zou veranderen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Een eigenaar die verzoekt om een vergoeding wegens het vervallen van bouw- of gebruiksmogelijkheden op zijn perceel, komt dan slechts voor vergoeding in aanmerking indien hij in de periode waarin al voortekenen bestonden van de kans dat het planologische regime in voor hem nadelige zin zou veranderen en de bouw- of gebruiksmogelijkheden nog bestonden, concrete pogingen in het werk heeft gesteld om de mogelijkheden te benutten.

7. Niet in geschil is dat het voorbereidingsbesluit door de gemeenteraad op 21 december 2006 is vastgesteld en is vervallen op 23 december 2007. Voorts is niet in geschil dat het voorbereidingsbesluit voor eisers kenbaar was.

De rechtbank stelt vast dat een voorbereidingsbesluit is aan te merken als een concreet beleidsvoornemen.

In het voorbereidingsbesluit staat het volgende:

“Voor de dorpskernen Bennekom, Lunteren en Ederveen gelden bestemmingsplannen, die geen bescherming bieden om binnen grotere percelen meer dan één woning te bouwen. Het gaat hierbij om percelen die breder of dieper zijn dan 14 meter. Binnen de woonbestemming “wonen, vrijstaand” ontbreken bepalingen om, in geval zo’n groot of diep perceel wordt opgesplitst, het te bouwen aantal woningen te beperken tot één. In de praktijk gaat het in het merendeel van de gevallen om extra woningbouwmogelijkheden op daarvoor in aanmerking komende brede percelen. (…). Ruimtelijk gezien is het in een aantal gevallen geen gewenste situatie om meer dan één vrijstaande woning op een bestaand perceel te bouwen. Het gaat daarbij om woonfuncties aan de dorpsranden en langs hoofdroutes, alsmede om gebieden met een villa-karakter (om aldaar de ruime pakking te bewaren).”

Daarnaast is in de publicatie van het voorbereidingsbesluit opgenomen dat “de ontwikkeling van de betreffende bestemmingsplannen is gericht op het voorkomen van ruimtelijk ongewenste woningbouw op erven, die daarvoor na splitsing in twee of meerdere percelen in aanmerking zouden kunnen komen.”

8. Naar het oordeel van de rechtbank vloeit, anders dan eisers betogen, uit het voorbereidingsbesluit voldoende duidelijk voort dat voor eisers aanleiding bestond rekening te houden met de kans dat de planologische situatie in negatieve zin zou veranderen. In het voorbereidingsbesluit staat immers expliciet vermeld dat het ziet op het voorkomen van ruimtelijk ongewenste woningbouw op brede en diepe percelen, als dat van eisers. Aan het feit dat dit perceel kadastraal is gesplitst, kan voor de uitleg van het begrip ‘perceel’ in het voorbereidingsbesluit alleen betekenis worden toegekend als dit begrip moet worden uitgelegd als ‘kadastraal perceel’. De rechtbank zoekt voor de uitleg van het begrip ‘perceel’ evenwel aansluiting bij de uitleg die hieraan doorgaans in bestemmingsplannen wordt gegeven, namelijk “een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten”. De kadastrale splitsing speelt daarbij geen rol. De rechtbank wijst ter onderbouwing op de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BC2123). Daarin heeft de Afdeling overwogen dat bij de vaststelling van de omvang van een bouwperceel de actuele situatie bepalend is. Daarbij wordt in beginsel uitgegaan van kadastrale percelen, maar de enkele kadastrale splitsing van het oorspronkelijke perceel op zichzelf is niet bepalend voor de vaststelling dat de omvang van het bouwperceel is gewijzigd. Voor het perceel Zassenkamp 6 geldt dat het kadastraal is gesplitst, maar uitgaande van de actuele situatie dienen de kadastrale percelen nr. 11368 en [aanduiding] in samenhang met elkaar gezien te worden. De gronden op het kadastrale perceel [aanduiding] zijn immers in gebruik als tuin bij de woning op het kadastrale perceel [perceel]. Gelet hierop is het perceel [perceel] naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als één bouwperceel. Dit sluit ook aan bij het voorheen geldende bestemmingsplan “Bennekom Oost”, waarin de twee percelen waren aangemerkt als één bouwperceel.

De rechtbank overweegt voorts dat het feit dat het kadastrale perceel [aanduiding] door de gemeente in het kader van de WOZ is getaxeerd als bouwgrond in het voorgaande geen rol speelt, aangezien de WOZ-taxatie voortvloeit uit een ander wettelijk kader.

De beroepsgrond faalt.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. van Breda, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. E. Mengerink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.