Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:2900

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-05-2015
Datum publicatie
06-05-2015
Zaaknummer
05/780069-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2018:8655, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Echtpaar veroordeeld tot gevangenisstraffen van 24 maanden en 18 maanden, waarvan bij beiden 6 maanden voorwaardelijk, voor het langdurig telen van hennep in de garage onder hun woning en het op grote schaal witwassen van de inkomsten uit de hennepteelt. De zoon is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en een werkstraf van 180 uur voor zijn betrokkenheid bij de hennepkwekerij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/780069-13

Datum uitspraak : 6 mei 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [adres], [woonplaats]

raadsman : R.B.J.G. Baggen, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 en 22 april 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2008 tot en met 12 maart 2013 te Lobith, gemeente Rijnwaarden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan [adres]) een hoeveelheid van (telkens) ongeveer 196, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,

terwijl bovengenoemd feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid (zijnde meerdere oogsten van ongeveer 180 tot 200 planten) van bovengenoemd middel, zijnde meer dan de hoeveelheid van het middel van een in een Algemene Maatregel van Bestuur genoemde grens van grote hoeveelheid (zijnde 200 planten);

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 12 maart 2013 is in (een garage onder) een pand gelegen aan [adres] te Lobith een gemetselde ruimte aangetroffen die was ingericht voor het kweken van hennep. In een afgetimmerde bak stonden 196 bloempotten gevuld met potgrond. In een aparte ruimte was een droogruimte gemaakt waarin twee sealbags stonden met daarin gedroogde henneptoppen. Het totale gewicht van deze henneptoppen bedroeg 6512 gram.2 De bewoners van het pand zijn verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Laatstgenoemden zijn de ouders van verdachte.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde op grond van de bewijsmiddelen in het dossier.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wist dat er een hennepkwekerij in het pand zat, maar dat hij de kwekerij nooit heeft gezien en hier zelf ook geen betrokkenheid bij heeft gehad. Hetgeen hij bij de politie heeft verklaard is niet juist. Hij was geestelijk ziek en wist niet wat hij deed.

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit, omdat 1) de hennepkwekerij niet binnen de machtssfeer van verdachte viel en 2) er geen sprake is van medeplegen. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de hennepkwekerij al sinds 2008 in werking was, nu verdachte hierover wisselend heeft verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft op 13 maart 2013 bij de politie als volgt verklaard:

“U vraagt mij of ik wist dat er een hennepkwekerij in de woning zat. Ik kan u zeggen dat ik dat wel wist. (…) Nu ik er zo met u over spreek, dan denk ik dat de kwekerij er al een paar jaar zit. Al vanaf dat ik terugkwam uit het leger. Ik heb de kwekerij toen zien zitten. De kwekerij zat toen al in de garage. In de loop van de jaren is er wel het een en ander veranderd. In het begin, en dan spreek ik over 2008, was het allemaal veel primitiever. Er moest water gegeven worden met de hand. Nu is het allemaal veel geautomatiseerder. Ik kan u vertellen dat mijn vader altijd de planten verzorgde. (…) Ik kan u zeggen dat ik wel eens meehielp in de kwekerij. Ik gaf wel eens de planten water. En deed verder eigenlijk wel alles in de kwekerij (“bedrijfje”). Ik deed dit samen met mijn vader en moeder. We gingen dan samen zitten knippen. (…) U vraagt mij wat er met de geknipte toppen ging gebeuren. Deze toppen legden we op droogrekken. De toppen moesten dan een kleine week drogen voordat het klaar was. de toppen die klaar waren werden weggebracht. De toppen gingen in speciale zakken. (…) Een aantal jaren geleden is er een extra muur in de garage geplaatst, zodat we de garage normaal konden gebruiken (…). Zo hoefde niemand de garage in. Want dan zou je direct de planten al zien staan. U vraagt mij hoeveel planten er altijd in de kweekruimte stonden. Ik denk dat er rond de 300 planten in stonden (…). 4

U vraagt mij hoe lang een kweekperiode voor planten is. Dat is 9 weken. U vraagt mij wat voor type hennepplant wij hadden staan. (…) Ik weet dat wij de Santa Maria hebben gehad en de K2. U vraagt mij of er continue gekweekt werd. Nee dat is niet het geval, het heeft ook wel stilgelegen bepaalde periodes. In verband met de warmte konden we de planten niet goed houden. De temperatuur werd te hoog. We kregen last van insecten in de planten, en de toppen van de planten gingen rotten. De zomerperiode was daarom vaak wat rustiger. (…) U vraagt mij of de muur al was geplaatst toen ik weer bij mijn ouders ging wonen na mijn diensttijd. Nee, in ieder geval geen stenen muur, die muur is pas sinds een paar jaar geplaatst. Hiervoor was er een houten wand geplaatst. Nadat de stenen muur werd geplaatst konden wij de garage weer normaal gebruiken. (…) U vraagt mij hoe vaak er geoogst is van onze hennepkwekerij. (…) In ieder geval vanaf 2008 wel. als we hard werkten dan konden we vier keer per jaar redden. (…)5

U vraagt mij of mijn vader alles wat we in huis hebben aangetroffen betaald heeft met het bijklussen. Ik kan u zeggen dat dit betaald is door het geld dat verdiend is door het kweken van wiet en door het bijklussen wat hij deed. (…) Bij ons thuis was er een continue proces van planten, verzorgen, oogsten, knippen en drogen. Dat ging continue door. Er kwamen mensen helpen om te knippen. Mijn ouders hielpen ook gewoon mee.6

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of zij deze door verdachte bij de politie afgelegde verklaring bruikbaar acht voor het bewijs. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Verdachte is in zijn verklaring uiterst gedetailleerd, hetgeen de rechtbank moeilijk te verenigen vindt met de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat ‘hij maar wat deed’. De rechtbank onderkent dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis in de vorm van schizofrenie, paranoïde type, maar het over verdachte opgemaakte psychologische rapport biedt geen aanknopingspunten om verdachtes verklaring om deze reden terzijde te schuiven. Temeer nu deze verklaring ook verankering vindt in andere bewijsmiddelen in het dossier, te weten:

- Door verbalisanten is er ter plaatse onder andere geconstateerd dat op de lampenkappen en de aan- en afvoerbuizen in de kwekerij een dikke laag stof lag, dat in de droogruimte een sterk vervuild koolstoffilter lag en meerdere sterk vervuilde knipschaartjes met THC-resten. Verder was het looppad in de droogruimte sterk vervuild door het inwerken van THC en hennepoliën en waren de armleuningen van plastic stoelen en wasmanden die in de droogruimte stonden ook sterk vervuild door de THC en hennepoliën.7

- De Financiële Recherche heeft een (eenvoudige) kasopstelling gemaakt over de periode 1 januari 2007 van 12 maart 2013, waarbij is gekeken naar de contante uitgaven en ontvangsten van de ouders van verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Volgens deze berekening is er sprake van een negatief eindsaldo contant geld van € 193.657,-.8 Dit betekent - kort gezegd - dat in deze periode in het gezin c.q. huishouden van verdachte veel meer contant geld is uitgegeven dan uit legale bron verklaard kan worden.

Nu de rechtbank de verklaring van verdachte gebruikt voor het bewijs, verwerpt zij de verweren van de raadsman. Verdachte heeft immers zelf verklaard dat de kwekerij er al in 2008 zat, dat hij ‘alles’ deed in de kwekerij (de planten water geven, het knippen van de planten en het te drogen leggen) en dat hij dit deed samen met zijn ouders. Bovendien heeft verdachte verklaard dat er ten behoeve van de kwekerij “een aantal jaren geleden” een muur in de garage was gemetseld, en heeft de politie geconstateerd dat de kweekruimte een gemetselde ruimte in de garage betrof.

Gelet op vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met zijn ouders in de periode van 1 januari 2008 tot en met 12 maart 2013 in het pand aan [adres] in Lobith grote hoeveelheden hennep heeft geteeld, bereid, bewerkt en verwerkt.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij in de periode van 01 januari 2008 tot en met 12 maart 2013 te Lobith, gemeente Rijnwaarden, tezamen en in vereniging met anderen telkens opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt, (in een pand aan [adres]) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, terwijl bovengenoemd feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid (zijnde meerdere oogsten van ongeveer 180 tot 200 planten) van bovengenoemd middel, zijnde meer dan de hoeveelheid van het middel van een in een Algemene Maatregel van Bestuur genoemde grens van grote hoeveelheid (zijnde 200 planten);

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met in een artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht, en voorts tot het verrichten van 240 uren werkstraf, te vervangen door 120 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel, dan wel om aan verdachte een geheel voorwaardelijke werkstraf op te leggen, gelet op de persoon van verdachte en de omstandigheden waaronder hij het feit heeft begaan.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 13 maart 2015;

- een psychologisch rapport van drs. [psycholoog], gezondheidszorgpsycholoog, gedateerd 22 augustus 2014.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting het volgende in het bijzonder in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een periode van ruim 5 jaar samen met zijn ouders aanzienlijke hoeveelheden hennep geteeld, waarbij vele malen is geoogst. Hennep betreft een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De verspreiding en handel in hennep gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit.

Bij de bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen. In geval van een hennepkwekerij met tussen de 100 en 500 planten zou een gevangenisstraf voor de duur van één maand geheel voorwaardelijk, alsmede een werkstraf voor de duur van 120 uren, passend kunnen zijn. Dit betreft echter het aantal planten van één oogst. Nu het in dit geval om vele oogsten over een periode van ruim 5 jaar gaat, acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

De rechtbank houdt echter ook rekening met de persoon van verdachte en de omstandigheden waaronder hij het feit heeft gepleegd. Uit het over verdachte opgemaakte psychologische rapport, alsmede het verhandelde ter terechtzitting, komt naar voren dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis in de vorm van schizofrenie, paranoïde type. Verdachte is als militair werkzaam geweest, maar is hier na een aantal jaren mee gestopt. Hij is toen weer bij zijn ouders gaan wonen. Dit is de periode waarin de psychische klachten zijn begonnen. Verdachte heeft verklaard dat zijn vader ‘robuust en nogal autoritair’ is en dat hij niet altijd in staat is om tegen hem in te gaan. Onder deze omstandigheden werd verdachte geconfronteerd met een hennepkwekerij in de woning van zijn ouders, waar zijn ouders hem willens en wetens - zich terdege bewust van zijn kwetsbaarheid op dat moment – bij hebben betrokken.

Alles afwegende acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, alsmede een werkstraf voor de duur van 180 uren passend en geboden. De voorwaardelijke straf dient als stok achter de deur om verdachte er van te weerhouden in de toekomst wederom soortgelijke feiten te plegen. Deze straf is lager dan de straf die door de officier van justitie is geëist, nu de rechtbank in (nog) grotere mate rekening heeft gehouden met de persoon van verdachte en de omstandigheden waaronder hij het feit heeft gepleegd. Enkel volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel of met een geheel voorwaardelijke werkstraf, zoals verzocht door de verdediging, doet naar het oordeel van de rechtbank echter geen recht aan de ernst van de feiten.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 3, 11 en 13 van de Opiumwet.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

 bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald:

- dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 een werkstraf gedurende 180 (honderdtachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;

 beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de werkstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;

Dit vonnis is gegeven door mr. L.C.P. Goossens (voorzitter), mr. H.G. Eskes en mr. D.R. Sonneveldt rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.B. Wichman, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 mei 2015.

1 Het bewijs is terug te vinden in: 1) het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, Bureau Financiële Recherche, opgemaakte proces-verbaal (hierna te noemen: financieel pv), dossiernummer 2013053386, gesloten op 1 juni 2013 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld; 2) het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal (hierna te noemen: hennep pv), dossiernummer PL0796 2012098974, gesloten op 27 mei 2013 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 19 hennep pv.

3 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 158 hennep pv.

4 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 166-167 hennep pv.

5 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 170 hennep pv.

6 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 175-176 hennep pv.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 22 hennep pv.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 27 financieel pv; kasopstelling, p. 720-728.