Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:2894

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-05-2015
Datum publicatie
01-05-2015
Zaaknummer
05/860960-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor het, samen met een ander, telen en aanwezig hebben van ongeveer 1185 hennepplanten in een pand aan de Misterstraat te Winterswijk.

Verdachte wordt veroordeeld tot de maximale werkstraf van 240 uur. Daarnaast wordt opgelegd een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Bij het bepalen van de straf heeft enerzijds een rol gespeeld dat verdachte niet eerder voor overtreding van de Opiumwet is veroordeeld maar anderzijds dat het een zeer omvangrijke hennepkwekerij betrof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/860960-14

Datum uitspraak : 1 mei 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum],

wonende te ([adres 1].

raadsman : J. Michels, advocaat te Amersfoort.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 april 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op één of meer verschillende tijdstippen op of omstreeks 20 juni 2014, in

de gemeente Winterswijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, opzettelijk, heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of

verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (perceel aan de

[adres 2] (leegstaande winkel) en/of wooneenheden aan de

[adres 3]) (voorheen genaamd [adres 4]

[adres 4]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1185 (waarvan er reeds 480

waren afgeknipt), althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan,

in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende

hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid

van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid

meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid

van een middel (te weten 1185 hennepplanten, althans meer dan 200

hennepplanten)

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte het ten laste gelegde feit op de bewezenverklaarde wijze heeft begaan en baseert zich hierbij op de redengevende feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan de volgende bewijsmiddelen.

Naar aanleiding van een melding van een manspersoon bij de balie van het politiebureau in Winterswijk inhoudende dat hij een vermoeden heeft dat zich in het gedeelte van de winkel aan de [adres 5] te Winterswijk dat leeg staat, een hennepplantage bevindt2, heeft de politie onderzoek verricht naar het pand op dit adres.

Een bewoner aan de [adres 2] in Winterswijk heeft verklaard dat er niemand woonachtig was in het pand aan de [adres 2] en dat hij omstreeks december 2014/januari 2015 voor dit perceel een aantal malen huurbusjes had gezien, waaruit veel goederen geladen werden. Deze goederen zouden door een aantal personen bij perceel [adres 2] naar binnen zijn gedragen. Verder heeft de betreffende bewoner verklaard dat het perceel [adres 2] in de afgelopen tijd veel werd bezocht door een aantal mannen en dat dit meestal in de avonduren tussen 18.00 uur en 21.00 uur plaatsvond. De mannen zouden dan voor korte tijd in het perceel verblijven. Ook was opgevallen dat het perceel aan de achterzijde geheel was afgeplakt of afgedekt met gordijnen. Op maandag 16 juni 2014 heeft deze bewoner een “hennepgeur” waargenomen afkomstig van het perceel [adres 2] dan wel [adres 3].3

Op 20 juni 2014 zag de politie op de parkeerplaats voor het betreffende pand aan de [adres 2] danwel de [adres 3] te Winterswijk, een witte/beige Mercedes Cabrio met kenteken [kenteken] met daarnaast een erg dikke kleine man van vermoedelijk Turkse afkomst. Het was de verbalisant bekend dat manspersonen vrijwel dagelijks het betreffende pand in de avonduren bezochten en dat een van deze personen een manspersoon zou zijn met de achternaam [medeverdachte 1] (zijnde medeverdachte). Voormelde witte Mercedes stond op naam van [medeverdachte 1].4

Een bewoner van een achtergelegen pand heeft gezien dat een kleine dikke manspersoon, gekleed in een roze shirt, bij het pand [adres 2] naar binnen was gegaan en dat deze man een minuut later het pand weer had verlaten. Hierop zijn verbalisanten naar de achteringang van het perceel [adres 2] gelopen waarop ze een dikke kleine man met roze shirt zagen lopen in gezelschap van een andere onbekende magere man.

Verbalisant heeft de mannen verzocht mee te lopen naar het desbetreffende pand. Bij het pand aangekomen riepen beide mannen de naam “[medeverdachte 1]”. Hierop zagen verbalisanten dat deur op de begane grond werd geopend door een manspersoon die later [medeverdachte 1] (zijnde de medeverdachte) bleek te zijn. De andere personen bleek medeverdachte [medeverdachte 2] en verdachte te zijn.5

Genoemde [medeverdachte 2] gaf vervolgens een sleutelbos, bestaande uit een Mercedes sleutel en een aantal huissleutels, aan verbalisanten met de mededeling dat deze sleutels toebehoren aan verdachte. Verbalisant hoorde vervolgens medeverdachte [medeverdachte 1] zeggen dat dit inderdaad zijn sleutels zijn.

Op 20 juni 2014 omstreeks 17:55 uur hebben de verbalisanten het pand aan de [adres 2] te Winterswijk betreden. Op de bovenverdieping, aan de rechterzijde, bevond zich een deur welke was afgesloten middels een slot. Deze deur zou toegang geven tot de verdere bovenzijde van het perceel. Middels een sleutel die de verbalisant net ervoor had aangetroffen bij medeverdachte [medeverdachte 2] kon de verbalisant naast de toegangsdeur van de winkelruimte, alle inpandige afgesloten deuren openen.

Vervolgens troffen verbalisanten in verschillende ruimten een in werking zijnde hennepkwekerij aan.6 In ruimte A troffen verbalisanten aan 480 zwarte plantenbakken, geknipte planten en een grote hoeveelheid henneptoppen. In ruimte B bevonden zich in totaal 68 transformatoren. In ruimte C werden in totaal 370 hennepplanten aangetroffen. In ruimte D werden 335 hennepplanten aangetroffen. In totaal bleek dat er in de hennepkwekerij 1185 hennepplanten aanwezig waren, waarvan er 480 reeds waren afgeknipt.7

De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft –zakelijk weergegeven– verklaard dat hij begin april 2014 in gesprek kwam met verdachte over zijn geldprobleem. Deze zou [medeverdachte 1] helpen. Diezelfde dag zijn verdachte en [medeverdachte 1] naar het pand [adres 2] in Winterswijk gereden.8 Verdachte wilde dat [medeverdachte 1] daar zou gaan wonen. Ze spraken af dat hij de huur en de elektra zou betalen en dat hij het benodigde geld daarvoor van verdachte zou krijgen. [medeverdachte 1] zou in totaal 8000 euro van verdachte krijgen9, waarvoor [medeverdachte 1] de verantwoordelijkheid van het betalen van de huur en van het elektra kreeg.10 [medeverdachte 1] heeft nooit een huurcontract ondertekend, maar heeft wel in totaal twee of drie keer de huur en de elektra betaald. [medeverdachte 1] heeft wel een keer zijn ID-kaart aan verdachte gegeven, samen met een briefje met zijn rekeningnummer, adres en loonstrook. Toen [medeverdachte 1] deze papieren terugkreeg, zag hij dat verdachte een kopie had gemaakt van zijn ID-kaart.11

[medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat hij op 2 april 2014 samen met verdachte in de auto zat en dat hij toen hoorde dat deze aan het bellen was met een energieleverancier. Hij hoorde dat verdachte de gegevens van [medeverdachte 1] doorgaf aan deze leverancier. [medeverdachte 1] heeft voorts verklaard dat hij wel wist dat er in dat pand in Winterswijk een hennepkwekerij was ingericht, omdat hij deze heeft gezien. Ook is het zo dat verdachte, toen [medeverdachte 1] hem vroeg de rest van het pand te laten zien, samen met hem het pand is doorgelopen. Verdachte opende daarbij een aantal deuren, maar [medeverdachte 1] mocht niet naar binnen van hem. [medeverdachte 1] zag in een kamer fel, helder licht en in een andere kamer zat er donker plastic achter de deur, waardoor hij niets kon zien.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij ook geholpen heeft met het naar boven en naar binnen brengen van dozen met afzuigkappen. Hij heeft die dozen naar de ruimte gebracht waar de hennepkwekerij was aangetroffen. Daar waren toen, naast verdachte, ook een aantal andere jongens bij. Verdachte was toen de bestuurder van de bestelbus. Die bestelbus zat zo goed als vol met goederen voor de hennepkwekerij. Iedere keer als hij samen met verdachte in Winterswijk was, gaf deze hem de sleutels en moest [medeverdachte 1] de deur openmaken; alleen verdachte had de sleutels.12 [medeverdachte 1] wist dat er in een gedeelte van het pand planten stonden.13

[medeverdachte 1] heeft voorts verklaard dat hij in totaal 8 tot 10 keer met verdachte in het pand [adres 2] is geweest. [medeverdachte 1] ging al die keren direct de woonkamer in en verdachte ging altijd naar het donkere gedeelte. Verdachte zei dan telkens dat hij aan het werk ging, dat [medeverdachte 1] hem niet lastig moest vallen en dat hij ook niet mocht komen kijken. [medeverdachte 1] heeft voorts verklaard dat verdachte zijn baas was en dat hij naar hem moest luisteren. Volgens [medeverdachte 1] heeft hij nooit actief meegeholpen aan de hennepkwekerij omdat verdachte hem niet vertrouwde.14

Op grond van voormelde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte (en zijn mededader) zich schuldig hebben gemaakt aan het bewezenverklaarde.

De rechtbank overweegt daarbij dat het vast is komen te staan dat er sprake is geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] gericht op de totstandkoming van het bewezenverklaarde, dat er sprake is van medeplegen. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank een wezenlijke bijdrage geleverd aan de totstandkoming van de hennepkwekerij door op naam van [medeverdachte 1] het pand aan de [adres 2] danwel de [adres 3] te Winterswijk te huren en hem daarvoor steeds geld gegeven zodat deze de huur en de rekening voor het gas en elektra kon betalen. Verdachte had met [medeverdachte 1] afgesproken hiervoor in totaal 8000 euro te betalen. Voorts heeft verdachte [medeverdachte 1] laten meehelpen de spullen voor de hennepkwekerij naar binnen te brengen en heeft hij [medeverdachte 1] de hennepkwekerij (deels) laten zien. Ook is het zo dat verdachte samen met [medeverdachte 1] zeker 10 keer naar de hennepkwekerij is geweest, waarbij verdachte steeds aangaf werk te verrichten in het pand.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 20 juni 2014, in de gemeente Winterswijk, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft geteeld en opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een perceel aan de [adres 2] (leegstaande winkel) en/of wooneenheden aan de [adres 3]) (voorheen genaamd [adres 3]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1185 (waarvan er reeds 480 waren afgeknipt) hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, terwijl dit gepleegde feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 1185 hennepplanten).

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod.

5 De strafbaarheid van de feiten

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van de strafmaat op het standpunt gesteld dat rekening moet worden gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, met het feit dat verdachte een first offender is op dit vlak en dat hij drie nachten in voorarrest heeft gezeten, wat uitzonderlijk is voor een first offender die aangehouden wordt in een hennepkwekerij. Voorts heeft de raadsman opgemerkt dat de hennepkwekerij relatief professioneel was aangelegd en dat er aldus geen sprake was van enige gevaarzetting. De raadsman heeft voorts ten aanzien van de straf nog opgemerkt dat een gevangenisstraf gelet op verdachtes persoonlijke omstandigheden geen optie is, maar dat een werkstraf, ondanks dat verdachte kampt met enige fysieke problemen, in overleg wel haalbaar zou moeten zijn. Concluderend pleit de raadsman voor oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar en oplegging van een werkstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 10 maart 2015.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte uit louter winstbejag een zeer omvangrijke hennepkwekerij heeft opgericht en – korte tijd - in werking heeft gehad. Bij de ontmanteling van de hennepkwekerij zijn in totaal 1185 (waarvan er reeds 480 waren afgeknipt) hennepplanten in beslag genomen.

(Soft)Drugs als de onderhavige leveren, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren op voor de gezondheid van die gebruikers, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of door andere criminaliteit trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting en op het strafblad van verdachte. Voorts is rekening gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

In het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet, als ook gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, ziet de rechtbank aanleiding de eis van de officier van justitie enigszins te matigen. De rechtbank acht het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden op zijn plaats om te voorkomen dat verdachte zich opnieuw inlaat met dit soort praktijken. De proeftijd zal worden gesteld op 2 jaar.

Om tot uitdrukking te brengen dat sprake is van een zeer ernstig feit en uit oogpunt van normhandhaving, zal de rechtbank daarnaast de maximale werkstraf aan verdachte opleggen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 47, 55, 63, 91 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

 bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 legt als algemene voorwaarden op dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het

nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel

1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

 veroordeelt verdachte tot een werkstraf gedurende 240 (tweehonderd en veertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderd en twintig) dagen;

 beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de werkstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gegeven door mr. E.G. de Jong (voorzitter), mr. C.J.M. van Apeldoorn en mr. C.H.M. Pastoors, rechters, in tegenwoordigheid van E.T. Vriezekolk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 mei 2015.

Mr. van Apeldoorn is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], respectievelijk hoofdagent en brigadier van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost Gelderland, Team Achterhoek Oost, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0646-2014076700, gesloten op 15 juli 2014 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 68

3 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 69

4 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 71

5 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 72

6 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 73

7 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 74

8 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1], pag. 173

9 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1], pag. 174

10 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1], pag. 178

11 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1], pag. 179

12 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1], pag. 179

13 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1], pag. 177

14 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1], pag. 178