Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:2865

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-05-2015
Datum publicatie
01-05-2015
Zaaknummer
05/840762-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 28-jarige man uit Didam veroordeeld tot een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor poging tot zware mishandeling en vernieling. De man had een verkeersconflict met de bestuurder van een taxi. Hij is vervolgens in zijn auto gestapt en is op de bestuurder van de taxi ingereden. De taxichauffeur moest opzij springen om niet door de auto te worden geraakt. De auto van de man kwam tot stilstand tegen de taxi die hierdoor lichte schade opliep. De rechtbank achtte de primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet bewezen.

Verder moet de man de bestuurder van de taxi een schadevergoeding van € 500,- betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/840762-14

Datum uitspraak : 1 mei 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats].

raadsman: mr. M. Peters, advocaat te Zutphen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 april 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 28 augustus 2014 te Didam, althans in de gemeente Montferland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde (personen)auto met hoge snelheid, althans met snel verhogende snelheid en/of hoog en/of verhoogd toerental is toe- en/of ingereden op voornoemde [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 28 augustus 2014 te Didam, althans in de gemeente Montferland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde (personen)auto met hoge snelheid, althans met snel verhogende snelheid en/of hoog en/of verhoogd toerental is toe- en/of ingereden op voornoemde [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Meer Subsidiair

hij op of omstreeks 28 augustus 2014 te Didam, althans in de gemeente Montferland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/is verdachte opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde (personen)auto met hoge snelheid, althans met snel verhogende snelheid en/of hoog en/of verhoogd toerental toe- en/of ingereden op voornoemde [slachtoffer];

2.

hij op of omstreeks 28 augustus 2014 te Didam, althans in de gemeente Montferland, opzettelijk en wederrechtelijk een (personen)auto (merk: Ford), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt (door met een door hem, verdachte, bestuurde (personen)auto op/tegen die (personen)auto (merk: Ford) aan te rijden).

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Aanleiding onderzoek

Op 28 augustus 2014 kreeg de politie de melding van een bedreiging geuit door de bestuurder van een taxi in de richting van de meldster. Dit zou zich afspelen bij benzinestation Tatelaar, gevestigd aan de Tatelaarweg te Didam. Ter plaatse gekomen zagen verbalisanten dat er een conflict was tussen de bestuurder van een taxi en een man en vrouw. Uit de verklaringen van de betrokkenen kwam naar voren dat zij een verkeersconflict hadden gehad, dat zich had voortgezet op het terrein van het benzinestation.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde nu het dossier daarvoor onvoldoende aanknopingspunten biedt. Zij komt tot een bewezenverklaring van de feiten 1 subsidiair en 2. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 primair. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte niet de bedoeling heeft gehad om aangever dan wel diens taxi daadwerkelijk te raken. Van (voorwaardelijke) opzet op de dood van aangever is dan ook geen sprake. Ten aanzien van de feiten 1 subsidiair, 1 meer subsidiair en 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 28 augustus 2014 met zijn taxi is gestopt bij benzinestation De Tatelaar te Didam. De bestuurder van de BMW, die hem even daarvoor met hoge snelheid van achteren naderde, kort achter hem bleef rijden, hem inhaalde en vervolgens in de berm stopte, kwam ook het terrein van het benzinestation op. De bestuurder en een vrouw stapten uit. Aangever heeft de bestuurder aangesproken op zijn rijgedrag. Vervolgens is over en weer geduwd. De bestuurder liep naar zijn auto, stapte in en reed weg. Na 25 à 40 meter draaide hij en reed hij vol gas op aangever af. Aangever kon nog net opzij springen anders was hij vol door de bestuurder met zijn auto geraakt. De bestuurder zette zijn auto tegen de auto van aangever aan. Aangever zag dat hierdoor schade ontstond aan de linkerkant van zijn auto.2

Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij zag dat een man in de rode BMW stapte en weg reed. Hij keerde op het terrein en reed vervolgens met piepende banden en met volle vaart terug in de richting van de geparkeerd staande taxi. De andere man stond voor de taxi en moest wegspringen om niet te worden geraakt door de bestuurder van de rode BMW. De BMW kwam tegen de taxi tot stilstand.3

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben de camerabeelden van het tankstation aan de Tatelaarweg te Didam uitgekeken. Zij zagen dat de bestuurder van de BMW instapte en dat de bestuurder van de taxi naar zijn auto liep. De BMW keerde en reed vervolgens duidelijk zichtbaar met verhoogde snelheid in de richting van de bestuurder van de taxi en de taxi. Hij reed in een rechte lijn, zonder afbuiging naar links of naar rechts. De bestuurder van de taxi sprong op het laatste moment weg om niet te worden geraakt door de BMW. De rode BMW kwam tot stilstand tegen de voorzijde van de taxi.4

Verbalisant [verbalisant 3] heeft eveneens de beelden uitgekeken en daarvan een aantal schermafdrukken gemaakt. Daarop is te zien dat:

  • -

    verdachte, zijn vrouw en de taxichauffeur elkaar duwen (schermafdruk 3);

  • -

    verdachte in zijn BMW stapt (schermafdruk 4);

  • -

    verdachte wegrijdt om te draaien (schermafdruk 5);

  • -

    verdachte zijn auto draait (schermafdrukken 6, 7 en 8);

  • -

    verdachte in de richting van aangever en zijn taxi rijdt (schermafdrukken 9 en 10);

  • -

    verdachte op aangever inrijdt en aangever aan de kant springt (schermafdruk 11));

  • -

    verdachte tegen de taxi aanrijdt en aangever zijn hand(en) op de motorkap heeft (schermafdrukken 12 en 13).5

Verdachte heeft verklaard dat hij achter de taxi het terrein van het benzinestation opreed. Er is over en weer geduwd en getrokken. Verdachte is in de auto gestapt en weggereden. Hij heeft de auto gedraaid. Hij reed op dat moment snel en met piepende banden. Zijn wielen slipten. Hij is vervolgens op aangever afgereden om hem te laten schrikken. Hij is tegen de auto van aangever gebotst. Hij reed op dat moment echter niet hard omdat hij remde. De schade aan de auto was niet groot.6

De rechtbank acht gelet op voormelde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte na een verkeersconflict in zijn auto is gestapt, is gekeerd en op aangever af is gereden. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat aangever opzij heeft moeten springen om niet door de auto te worden geraakt. De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen zou kunnen worden afgeleid dat verdachte met hoge snelheid reed. Gelet op de korte te overbruggen afstand en de beperkte schade aan de taxi gaat de rechtbank daar niet van uit. Wel acht de rechtbank bewezen dat verdachte zijn snelheid snel verhoogde.

De rechtbank dient vervolgens te beoordelen hoe de gedragingen van verdachte moeten worden gekwalificeerd. Met de officier van justitie en de raadsman acht de rechtbank de primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet bewezen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij heeft geremd. Uit het dossier kan niet worden afgeleid met welke snelheid verdachte reed toen hij in botsing kwam met de taxi. De beperkte schade aan de auto is echter een indicatie dat hij op dat moment met een lage(re) snelheid reed. Daarnaast heeft aangever geen letsel opgelopen. Verder is niet gebleken dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van aangever. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde. Wel acht de rechtbank het subsidiair tenlastegelegde bewezen. Door met de auto op aangever in te rijden, heeft verdachte gevaarlijk rijgedrag vertoond en de auto gebruikt als wapen. Dit is minst genomen aan te merken als een poging tot zware mishandeling. Feit van algemene bekendheid is dat door het inrijden met een auto op een persoon zwaar lichamelijk letsel kan ontstaan, zowel direct in de vorm van bijvoorbeeld ernstige botbreuken als indirect doordat die persoon bij een val na een aanrijding ernstig (hoofd) letsel kan oplopen. Verdachte is desondanks opzettelijk op aangever ingereden waarbij hij willens en wetens de aanmerkelijke kans dat hij daarmee aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen aanvaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte dan ook minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Voor zover verdachte heeft verklaard dat hij zijn vrouw wilde beschermen, het conflict tussen haar en aangever wilde beëindigen en de auto tussen haar en aangever wilde zetten dan wel aangever wilde laten schrikken, overweegt de rechtbank dat dit niet aannemelijk is geworden. Het dossier biedt geen aanknopingspunten die verdachtes verklaring ondersteunen.

Feit 2

De rechtbank acht dit feit bewezen. Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- de aangifte van [slachtoffer]7;

- de verklaring van verdachte8.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

Subsidiair

hij op 28 augustus 2014 te Didam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met snel verhogende snelheid is toe- en/of ingereden op voornoemde [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 28 augustus 2014 te Didam, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (merk: Ford), toebehorende aan [slachtoffer] en/of [benadeelde], heeft vernield en/of beschadigd (door met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto tegen die personenauto (merk: Ford) aan te rijden).

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Feit 1 subsidiair:

Poging tot zware mishandeling.

Feit 2:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een andere toebehoort vernielen/beschadigen.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 150 uur te vervangen door 75 hechtenis met aftrek van het voorarrest en een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een (deels) voorwaardelijke werkstraf bepleit. Hij heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals weergegeven in de reclasseringsrapporten en de psychiatrische rapportage van het CBR. Volgens de reclassering is het gedrag van verdachte situationeel bepaald en wordt de kans op recidive als gering ingeschat. De raadsman heeft verder betoogd dat verdachte nog veel last van emoties heeft en meent dat hij gebaat is bij reclasseringstoezicht zoals is geadviseerd in het reclasseringsrapport van 1 december 2014.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister van 10 maart 2015;

- voorlichtingsrapportages van Reclassering Nederland van 1 december 2014 en 13 april 2015.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich na een verkeersconflict bijzonder agressief heeft gedragen. Hij is het slachtoffer gevolgd naar de parkeerplaats van een benzinestation. Daar heeft het verkeersconflict zich voortgezet. Verdachte is vervolgens in zijn auto gestapt, is op het slachtoffer afgereden en is tegen de taxi tot stilstand gekomen. Het slachtoffer moest opzij springen om niet door de auto van verdachte te worden geraakt. Verdachte heeft daarmee gevaarlijk rijgedrag vertoond. Uit de toelichting op de door het slachtoffer ingediende vordering komt naar voren welke impact het incident op hem heeft gehad. Het slachtoffer ervaart onder meer gevoelens van onveiligheid. Naar de ervaring leert, dragen delicten als het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit waarvan verschillende personen getuige zijn geweest bovendien bij aan in de samenleving levende gevoelens van onveiligheid.

De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen de rapporten van de reclassering. Uit het rapport van 1 december 2014 komt naar voren dat er problemen in de leefsituatie van verdachte zijn, waardoor het risico op overbelasting aanwezig is. De kans op een nieuwe agressieve impulsdoorbraak is gelet hierop niet geheel uit te sluiten in situaties waarin boosheid en stress zich opnieuw opstapelen. Volgens het rapport van 13 april 2015 heeft verdachte echter de laatste maanden laten zien zich staande te kunnen houden zonder excessen in zijn gedrag, los van de stress en spanning die er was. De reclassering acht verdachte in staat om zelf de problemen in zijn leefsituatie het hoofd te bieden. De kans op recidive wordt gering geacht. Het opleggen van voorwaarden in de vorm van een reclasseringstoezicht wordt niet van meerwaarde geacht.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf passend is en zal verdachte een werkstraf opleggen zoals door de officier van justitie gevorderd. Ook zal de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen teneinde te voorkomen dat verdachte opnieuw de fout ingaat. De rechtbank ziet geen aanleiding hieraan bijzondere voorwaarden te verbinden in de zin van het opleggen van toezicht door de reclassering. Uit de rapporten komt naar voren dat verdachte zich heeft gehouden aan de schorsingsvoorwaarden. Gedurende de tijd dat zijn voorlopige hechtenis was geschorst heeft hij laten zien zich staande te kunnen houden, ook als hij spanning of stress ervoer. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard geen bezwaar te hebben tegen reclasseringstoezicht. Hij heeft verklaard dat ze hem helpen bij het benaderen van instanties voor het oplossen van met name zijn financiële problematiek. Naar het oordeel van de rechtbank betreft de door verdachte bedoelde hulp, hulp op het gebied van praktische zaken, doch geen hulp ter voorkoming van recidive ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten. Voor die praktische zaken kan verdachte naar het oordeel van de rechtbank ook elders hulp zoeken. Daarvoor is geen reclasseringstoezicht vereist. De proeftijd wordt gesteld op een termijn van twee jaren.

8. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 500,- voor immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering toe te wijzen met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering omdat onvoldoende is onderbouwd dat er sprake is van psychische schade. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat de hoogte van het schadebedrag onjuist is onderbouwd. De uitspraak waarnaar wordt verwezen is niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Het gevorderde bedrag komt de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voor. Zij zal dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente toewijzen. Verdachte is hiervoor naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Naar de algemene ervaring leert kunnen slachtoffers van delicten zoals het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde delict soms lange(re) tijd (psychische) problemen hebben. Dat het slachtoffer psychische problemen heeft gekregen acht de rechtbank daarom niet onaannemelijk.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36f, 45, 57, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

  • -

    bepaalt, dat deze gevangenisstraf, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden algemene voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

  • -

    legt als algemene voorwaarde op dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een werkstraf gedurende 150 (honderdvijftig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 (vijfenzeventig) dagen;

  • -

    beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de werkstraf in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 subsidiair tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 500,- (vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 10 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gegeven door mr. S. Kropman (voorzitter), mr. M.C. van der Mei en mr. J.C. van der Hooft, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 mei 2015.

Mr. Kropman en mr. Van der Hooft zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant van de politie Regio Oost Nederland, district Achterhoek, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0645-2014117216, gesloten op 31 augustus 2014 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p. 3-4

3 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige], p. 9

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 17

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 24-25

6 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 april 2015

7 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p. 3-4

8 Verklaring ter terechtzitting van 17 april 2015