Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:2863

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-04-2015
Datum publicatie
30-04-2015
Zaaknummer
05/986076-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belastingfraude en witwassen. Gevangenisstraf van 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-1226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/986076-14

Datum uitspraak : 30 april 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [adres], [woonplaats].

raadsman : J.C.F. Kooijmans, advocaat te Zwolle.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 april 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 april 2011

tot en met 03 april 2013 in de gemeente Nunspeet en/of (elders) in Nederland,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n)

voor de omzetbelasting over één of meer aangiftetijdvakken, te weten het

tweede kwartaal 2011 en/of het derde kwartaal 2011 en/of het vierde kwartaal

2011 en/of het eerste kwartaal 2012 en/of het tweede kwartaal 2012 en/of het

derde kwartaal 2012 en/of het vierde kwartaal 2012 en/of het eerste kwartaal

2013 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte (telkens)

opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te

Apeldoorn en/of Heerlen en/of (elders) in Nederland ingediende aangifte(n)

omzetbelasting over genoemd(e) tijdvak(ken)/kwarta(a)l(en) (telkens) een te

hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven, althans een te laag belastbaar bedrag

aan belasting opgegeven, terwijl dat/die feit(en) (telkens) er toe strekte dat

te weinig belasting werd geheven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 april 2011

tot en met 03 apr 2013, in ieder geval in 2011 en/of 2012 en/of 2013 en/of

2014 in de gemeente Nunspeet, althans in Nederland en/of in Indonesië, van het

plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte

(telkens):

- van één of meer voorwerpen, te weten één of meer geldbedragen (tot een

totaal van EUR 107.410 vanuit aan hem uitgekeerde voorbelasting), de

werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft hij verborgen en/of

verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten één of meer

geldbedragen (tot een totaal van EUR 107.410), was of wie bovenomschreven

voorwerp, te weten één of meer geldbedragen (tot een totaal van EUR 107.410),

voorhanden had, terwijl hij wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk

- afkomstig was uit het misdrijf,

- één of meer voorwerpen, te weten één of meer geldbedragen (tot een totaal

van EUR 107.410), verworven, overgedragen en/of omgezet, althans van een

voorwerp, te weten één of meer geldbedragen (tot een totaal van EUR 107.410),

gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk

of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

door (telkens) (gedeelten van) dat/die geldbedrag(en) welke hij, verdachte ten

gevolge van het indienen van die aangiften omzetbelasting vanuit de

Belastingdienst op zijn rekening had ontvangen, (telkens) contant op te

(doen) nemen van die bankrekening(en) en/of (door) te (doen) storten op een

bankrekening van zijn huurbaas en/of zijn zwager en/of enig (andere) persoon,

in ieder geval door -delen van- dat totale geldbedrag op moeilijk traceerbare

wijze aan te wenden;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Feit 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft zich op 3 januari 2011 ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel als eigenaar van de eenmanszaak [bedrijf].2 Verdachte had echter geen onderneming. Verdachte heeft dit bewust gedaan om op die manier, via het indienen van, onjuiste, aangiften omzetbelasting, geld te kunnen innen.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dit feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte van het feit vrij te spreken. Daartoe heeft hij het volgende betoogd.

  1. In het dossier bevindt zich slechts de verklaring van verdachte. Deze verklaring wordt niet wezenlijk ondersteund door de verklaring van [betrokkene 1]. Uit het dossier volgt niet dat er aangifte is gedaan.

  2. Voorts heeft verdachte, met uitzondering van de eerste belastingaangifte, de aangiften gedaan in Indonesië waardoor niet bewezen kan worden dat hij na de eerste aangifte in Nunspeet, danwel elders in Nederland, belastingfraude heeft gepleegd.

  3. Evenmin kan gezegd worden dat er een te laag bedrag aan belasting is opgegeven of te weinig belasting werd geheven, nu er helemaal geen recht op belastingteruggave of plicht op belastingbetaling bestond omdat verdachte geen eigen bedrijf had.

Beoordeling door de rechtbank

In het dossier bevinden zich printscreens van de in de systemen van de Belastingdienst opgenomen gegevens. Daaruit blijkt dat verdachte in de periode van 1 april 2011 tot en met 3 april 2013 elektronisch 8 aangiften omzetbelasting, te weten over het tweede, derde, vierde kwartaal 2011, het eerste, tweede, derde, vierde kwartaal 2012 en het eerste kwartaal 2013, heeft ingediend bij de Belastingdienst te Apeldoorn. Verdachte heeft bekent de aangiften per internet te hebben gedaan. 4 In totaal is een bedrag van € 147.804,- opgegeven dat als voorbelasting in aftrek zou moeten worden gebracht terwijl als verschuldigde omzetbelasting in totaal een bedrag van € 3.993,- is opgegeven. In totaal is een bedrag van € 143.811,- aan omzetbelasting teruggevraagd waarvan € 107.410,- aan verdachte is uitbetaald.5

De bankafschriften van de bankrekening van verdachte vermelden geen zakelijke inkomsten of uitgaven.6

Verdachte heeft verklaard dat hij al deze aangiften omzetbelasting opzettelijk onjuist heeft ingediend. Direct na de uitbetaling van de eerste teruggave – verdachte woonde destijds te Nunspeet – is verdachte naar Indonesië vertrokken en heeft hij de volgende aangiften vanuit een internetcafé in Indonesië gedaan. De bedragen die hij invulde, heeft hij geschat.7

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het door de raadsman onder a. gevoerde betoog.

Nu ook de in Indonesië elektronisch verzonden aangiften door de Belastingdienst in Apeldoorn zijn ontvangen, geldt als pleegplaats, mede, Nederland. Ook het onder b. aangevoerde wordt daarmee door de rechtbank verworpen.

Ten aanzien van het onder c. gevoerde, overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft zijn eenmanszaak in het Handelsregister ingeschreven waarna aan verdachte een BTW-nummer is verstrekt en waardoor hij verplicht werd aangifte Omzetbelasting te doen.

Nog daargelaten dat het aangevoerde miskent dat aan het strekkingsvereiste van artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen reeds is voldaan als de gedraging, hier: het onjuist doen van aangifte, naar haar aard in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat onvoldoende belasting wordt geheven, volgt uit hetgeen hiervoor is opgenomen dat daar ook daadwerkelijk sprake van is geweest, doordat verdachte telkens op zijn aangiften omzetbelasting heeft opgegeven dat zijn voorbelasting hoger was dan zijn omzetbelasting waardoor hij, ten onrechte, dit verschil telkens uitgekeerd heeft gekregen.

Ook dit betoog van de raadsman wordt derhalve verworpen.

Conclusie

Voornoemde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen hiervoor onder de feiten is weergegeven, acht de rechtbank het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 64, 65, 70, 71, 72 (Aanvangsproces-verbaal);

- een ambtsedige verklaring Omzetbelasting, p. 159, met als bijlagen de printscreens van de Belastingdienst, p. 162 t/m 171 (D-061),

- het stamproces-verbaal, p. 28 (Aanvangsproces-verbaal);

- een overzicht van contante opnamen van de bankrekening van verdachte, D-091, D-092;

- rekeningafschriften van de bankrekening van verdachte, D-093, D-097, D-098, D-105 en D-136;

- een overzicht van de bij-, en afschrijvingen van het bankrekeningnummer van verdachte naar [betrokkene 2], D-094;

- een overzicht van buitenlandse verkooptransacties vanaf het bankrekeningnummer van verdachte, D-095.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 01 april 2011 tot en met 03 april 2013 in de gemeente Nunspeet en/of elders in Nederland, telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften

voor de omzetbelasting over meer aangiftetijdvakken, te weten het

tweede kwartaal 2011 en het derde kwartaal 2011 en het vierde kwartaal

2011 en het eerste kwartaal 2012 en het tweede kwartaal 2012 en het

derde kwartaal 2012 en het vierde kwartaal 2012 en het eerste kwartaal

2013 onjuist heeft gedaan, immers heeft verdachte telkens

opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te

Apeldoorn ingediende aangiften omzetbelasting over genoemde tijdvakken/kwartalen telkens een te hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven, althans een te laag belastbaar bedrag

aan belasting opgegeven, terwijl die feiten telkens er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 01 april 2011 tot en met 03 apr 2013,

in Nederland en/of in Indonesië, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte

(telkens):

- verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten geldbedragen (tot een totaal van EUR 107.410 vanuit aan hem uitgekeerde voorbelasting), was terwijl hij

wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit misdrijf,

door telkens gedeelten van die geldbedrag en welke hij, verdachte ten

gevolge van het indienen van die aangiften omzetbelasting vanuit de

Belastingdienst op zijn rekening had ontvangen, contant op te (doen) nemen van die bankrekening en/of (door) te (doen) storten op een bankrekening van zijn huurbaas en enig (andere) persoon,

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2:

Een gewoonte maken van witwassen

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de volgende omstandigheden. Verdachte heeft van meet af aan volledige openheid van zaken gegeven en volledige medewerking aan het onderzoek verleend. De laatste veroordeling van verdachte dateert van 24 maart 2010. De kwade genius is niet verdachte, maar diens broer nu die verdachte heeft uitgelegd hoe je eenvoudig de belastingdienst kon ‘tillen’.

Verdachte is berooid uit Indonesië teruggekomen en de kans dat hij ooit naar zijn gezin in Indonesië terug zal kunnen keren, is klein.

De raadsman heeft verzocht verdachte een werkstraf op te leggen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 19 maart 2015;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 30 maart 2015.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich over een periode van bijna twee jaar schuldig gemaakt aan belastingfraude door zich in het Handelsregister van Kamer van Koophandel in te schrijven met een niet bestaande onderneming en vervolgens elk kwartaal opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting te doen. In totaal heeft verdachte meer dan € 100.000,- onterecht van de Belastingdienst ontvangen, hetgeen hij – zoals ook zijn opzet was - voor eigen gewin heeft aangewend. Daarmee heeft verdachte zich ten koste van de samenleving verrijkt en schaamteloos misbruik gemaakt van een voor ondernemers bedoeld belastingsysteem, dat gebaseerd is op vertrouwen en dit systeem zo heeft ondermijnd.

Weliswaar dateert de laatste veroordeling van verdachte uit maart 2010, maar uit het justitieel documentatieregister volgt dat dit een veroordeling voor medeplichtigheid aan het telen van hennep betrof waarbij verdachte ook de verplichting tot betaling van een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is opgelegd. De voorwaardelijke gevangenisstraf die hem destijds is opgelegd heeft hem er blijkbaar niet van weerhouden zich nu opnieuw door het plegen van strafbare feiten een inkomen te verwerven.

De rechtbank houdt ten voordele van verdachte rekening met de omstandigheid dat hij tegenover de Belastingdienst openheid van zaken heeft gegeven.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank geen andere straf passend en geboden dan een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Deze straf is lager dan geëist gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting waarbij ten aanzien van een benadelingsbedrag tussen de

€ 70.000,- tot € 125.000,- uit wordt gegaan van een gevangenisstraf van 5 tot 9 maanden of een taakstraf met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

In de door de raadsman genoemde omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding een lagere straf op te leggen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 57, 91, 420ter van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 Algemene wet inzake rijksbelastingen.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Noordraven (voorzitter), mr. H.P.M. Kester-Bik en mr. J.M.J.M. Doon rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. ter Horst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 april 2015.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de Belastingdienst/FIOD, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 53204, gesloten op 26 februari 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Uittreksel Kamer van Koophandel, p. 36 (D-003).

3 Proces-verbaal van verhoor, p. 64, 65 (Aanvangsproces-verbaal).

4 Proces-verbaal van verhoor, p. 70 (Aanvangsproces-verbaal).

5 Een ambtsedige verklaring Omzetbelasting, p. 159, met als bijlagen de printscreens van de Belastingdienst, p. 162 t/m 171 (D-061), stamproces-verbaal, p. 28 (Aanvangsproces-verbaal), bankoverzichten D-091 en D-092.

6 Stamproces-verbaal, p. 48, 49 (Aanvangsproces-verbaal), bankafschriften D-090, D-093, D-097, D-098, D-105 en D-136.

7 Proces-verbaal van verhoor, p. 64, 70 (Aanvangsproces-verbaal).