Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:2561

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-04-2015
Datum publicatie
16-04-2015
Zaaknummer
96/055817-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid OM bij behandeling klaagschrift inhouding rijbewijs ex artikel 164 WVW 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 96/055817-15

Rechtbanknummer : 15/1850

Beschikking van de enkelvoudige raadkamer inzake het op 2 april 2015 bij deze rechtbank ingekomen klaagschrift, ex artikel 164, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, van:

naam: [klager], hierna te noemen:

klager,

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats],

De procedure

Wat betreft de feiten, die aan de onderhavige inhouding van het rijbewijs ten grondslag liggen, wordt verwezen naar het in deze zaak opgemaakte proces-verbaal met PL0800 21032015001084610A opgemaakt door verbalisanten van de regiopolitie Gelderland Zuid.

In openbare raadkamer van 15 april 2015 zijn gehoord: klager, zijn raadsman mr. C.G.M. van Rossum, advocaat te Bemmel, alsmede de officier van justitie mr. A. Reah.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft allereerst bepleit dat het Openbaar Ministerie in de onderliggende strafzaak niet ontvankelijk is, zodat alleen al om die reden het klaagschrift gegrond moet worden verklaard en het rijbewijs moet worden teruggegeven aan klager. Daartoe is door de verdediging, onder overlegging van een aantal schriftelijk opgemaakte verklaringen van [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4], het navolgende aangevoerd.

Klager erkent weliswaar in de bewuste nacht onder invloed van alcohol te hebben verkeerd, maar ontkent uitdrukkelijk als bestuurder van de scooter te hebben gereden, hetgeen wordt bevestigd door de in raadkamer overgelegde verklaringen.

In het dossier dat door het Openbaar Ministerie is overgelegd, wordt echter de suggestie gewekt dat de politie klager zou hebben zien rijden als bestuurder van de scooter. In een mutatierapport wordt bovendien gesteld dat de getuige [getuige 1] zou hebben gezien dat klager als bestuurder heeft gereden. Dat is een onjuiste weergave, met name gezien de overgelegde verklaring van [getuige 1] d.d. 14 april 2015, waarin expliciet is verklaard dat deze getuige geen rijdende scooter heeft gezien of gehoord. Aldus is sprake van manipulatie van een getuigeverklaring en van meineed door de politie.

Dit levert een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde op, dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het standpunt van de officier van justitie:

De politie wordt beschuldigd van manipulatie en meineed zonder dat daar zorgvuldig onderzoek naar is gedaan. De stelling van klager, dat hij niet gereden heeft, zal nader onderzocht moeten worden. Dat dient te gebeuren in het kader van de strafzaak. Die strafzaak staat voor inhoudelijke behandeling bij de Politierechter pas gepland op 26 mei 2015. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie is daarom nu niet aan de orde. Het Openbaar Ministerie moet vooralsnog wel ontvankelijk worden geacht.

De raadkamer overweegt als volgt:

Aan de orde in de huidige procedure is de - marginale - toetsing van de vraag of klagers rijbewijs langer dient te worden ingehouden. De kwestie van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de strafzaak kan thans dan ook slechts marginaal worden getoetst. Daarbij dient de raadkamer de vraag te beantwoorden of het al dan niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter - te zijner tijd oordelend in de strafzaak - tot het oordeel komt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is. Daarbij dient in acht te worden genomen dat de maatstaf voor niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie naar vaste jurisprudentie hoog ligt.

De raadkamer overweegt enerzijds dat het door het Openbaar Ministerie overgelegde dossier uitermate summier is en geen enkel proces-verbaal van getuigenverhoor bevat. De door klager in raadkamer overgelegde verklaringen kunnen er inderdaad op duiden dat de opstellers van die verklaringen niet hebben waargenomen dat klager als bestuurder onder invloed van alcohol heeft gereden.

Anderzijds overweegt de raadkamer dat het dossier mede bevat een ambtsedig opgemaakt en ondertekend “proces-verbaal ter zake artikel 8 WVW 1994” d.d. 21 maart 2015, waarin is opgenomen:

  • -

    de zinsnede: “Ik, bovengenoemde verbalisant, heb gezien dat op de genoemde dag, datum, tijdstip en plaats, verdachte als bestuurder met het [onleesbaar] voertuig op de genoemde weg heeft gereden”;

  • -

    de door klager ondertekende verklaring van hem, luidende: “Ik erken dat ik, na het nuttigen van alcoholhoudende drank, als bestuurder ben opgetreden”.

Op grond van de tweede zinsnede komt de raadkamer de eerste zinsnede vooralsnog niet als onjuist voor. Dit houdt mede het oordeel in dat vooralsnog niet gebleken is van een valselijk opgemaakt proces-verbaal. De raadkamer acht dan ook niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter, later oordelend in de strafzaak, het Openbaar Ministerie ontvankelijk zal verklaren in de vervolging van klager.

De raadkamer is op grond van het vorenstaande van oordeel dat het onderhavige klaagschrift thans inhoudelijk dient te worden beoordeeld.

Het klaagschrift

Het klaagschrift strekt tot teruggave van het rijbewijs. Hiertoe is aangevoerd dat klager niet onder invloed van alcohol heeft gereden, maar lopend de scooter in zijn schuur wilde parkeren. Voorts is aangevoerd dat klager zijn rijbewijs nodig heeft vanwege zijn werkzaamheden als chauffeur/begeleider bij [bedrijf] te Nijmegen.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gegrondverklaring van het klaagschrift. Hiertoe is aangevoerd dat het ademalcoholgehalte zich bevindt in de grenswaarden voor inhouding, terwijl bovendien nader onderzocht dient te worden of klager daadwerkelijk als bestuurder onder invloed van alcohol gereden heeft.

De beoordeling

De raadkamer overweegt dat voldaan is aan de eisen die artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 aan een rechtmatige inhouding stelt.

Daarnaast heeft de raadkamer een afweging te maken tussen het belang van de verkeersveiligheid enerzijds en het persoonlijke belang van betrokkene anderzijds.

De raadkamer constateert dat sprake is van een adem alcoholuitslag van 930 µg/l bij besturen van een bromscooter. In den lande pleegt door rechters voor vergelijkbare feiten een onvoorwaardelijke rijontzegging te worden opgelegd.

De raadkamer houdt echter rekening met de mogelijkheid dat aan klager geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid zal worden opgelegd die langer is dan de periode dat zijn rijbewijs thans is ingevorderd. Daarbij betrekt de raadkamer mede de omstandigheid dat klager niet eerder door een rechter is veroordeeld wegens soortgelijke feiten, alsmede het persoonlijke belang van klager bij het kunnen gebruiken van zijn rijbewijs.

Om die reden zal de raadkamer het klaagschrift gegrond verklaren.

Overigens merkt de raadkamer met nadruk op dat de rechter later oordelend over de strafzaak op generlei wijze gebonden zal zijn aan de thans te geven beslissing en zich een eigen en zelfstandig oordeel zal vormen over de rijbevoegdheid van klager.

De raadkamer heeft bij na te noemen beslissing de desbetreffende wetsartikelen in aanmerking genomen.

De beslissing

Verklaart het klaagschrift gegrond.

Gelast teruggave van het rijbewijs aan klager.

Aldus gegeven in raadkamer door mr. P.C. Quak, rechter, in tegenwoordigheid van

E.L. Pleijler, als griffier, en uitgesproken in openbare raadkamer van 15 april 2015.