Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:2512

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-04-2015
Datum publicatie
16-04-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 7175
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft van zijn moeder € 25.030 geschonken gekregen en heeft daarvan aangifte gedaan. In geschil is of deze schenking is vrijgesteld van schenkbelasting op grond van artikel 33 aanhef en onder 12 van de Successiewet 1956. De rechtbank oordeelt dat er onvoldoende omstandigheden zijn die het bestaan van een natuurlijke verbintenis in de zin van artikel 6:3 van het Burgerlijk Wetboek rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/839
V-N 2015/34.25.13
FutD 2015-1020
NTFR 2015/1646 met annotatie van Vrenegoor
PFR-Updates.nl 2015-0140
ERF-Updates.nl 2015-0183
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 14/7175

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 16 april 2015

in de zaak tussen

[X], te [Z], eiser

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Zwolle, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2012 een aanslag (aanslagnummer [000]) schenkbelasting opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 26 augustus 2014 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 5 oktober 2014, ontvangen door de rechtbank op 7 oktober 2014, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2015.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde [gemachtigde]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] en mr. [A].

Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is beeldend kunstenaar. Mede door de economische malaise zijn de inkomsten uit deze onderneming sterk gedaald. In 2012 was sprake van een verlies.

2. In 2012 had eiser geen andere inkomsten uit arbeid. Eisers samenwerkingsverband ‘[B]’ bevond zich nog in de opstartfase.

3. In september 2012 heeft eiser een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) en het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen aangevraagd. Deze vorm van bijstandsverlening is niet toegekend. Op zijn aanvraag van 15 juli 2013 is aan eiser een Wwb uitkering toegekend.

4. Eiser heeft in 2012 een bedrag van € 25.030 van zijn moeder geschonken gekregen. Daarvan heeft hij aangifte gedaan. Deze aangifte is op 27 februari 2013 bij verweerder binnengekomen.

5. Verweerder heeft met dagtekening 28 januari 2014 de aanslag schenkbelasting vastgesteld op een bedrag van € 2.000.

6. Eiser heeft hiertegen bij brief van 3 maart 2014, ontvangen door verweerder op 12 maart 2014, bezwaar gemaakt.

7. Op 21 juli 2014 is eiser door verweerder gehoord. Een samenvatting hiervan is, na enige op- en aanmerkingen door eiser, op 1 augustus 2014 per brief aan eiser verzonden.

8. In de bezwaarfase heeft eiser voorts een beroep gedaan op de zogenoemde hardheidsclausule van artikel 63 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (hierna: AWR), dan wel kwijtschelding op grond van artikel 67, eerste lid, van de Successiewet 1956 (hierna: SW), alsmede het Besluit van 10 juni 2010, nr. DGB2010/875M, Staatscourant 2010, 8453. Verweerder heeft dit verzoek doorgestuurd naar het Ministerie van Financiën. Bij brief van 4 december 2014 is eisers verzoek afgewezen.

Geschil

9. In geschil tussen partijen is primair of de geschonken € 20.000 al dan niet vrijgesteld is van schenkbelasting op grond van artikel 33, aanhef en onder 12, van de SW en of verweerder het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Subsidiair is in geschil of de verschuldigde schenkbelasting ad € 2.000 al dan niet kwijtgescholden dient te worden op grond van artikel 67, eerste lid van de SW. Voorts doet eiser een beroep op artikel 63 van de AWR.

Beoordeling van het geschil

10. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het bezwaar overweegt de rechtbank dat de termijn om een bezwaarschrift in te dienen eindigde op 11 maart 2014. Verweerder heeft eisers bezwaar op 12 maart 2014 ontvangen. Uitgaande van verzending via de post, aanwijzingen voor het tegendeel ontbreken, brengt een ontvangst op 12 maart 2014 met zich mee dat het bezwaarschrift uiterlijk 11 maart 2014 ter post moet zijn bezorgd en dat het bezwaar derhalve ontvankelijk is.

11. Op grond van artikel 33, aanhef en onder 12, van de SW is een schenking vrijgesteld van schenkbelasting indien en voor zover deze strekt tot voldoening aan een natuurlijke verbintenis in de zin van artikel 6:3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

12. Ingevolge artikel 6:3, tweede lid, aanhef en onder b, BW bestaat een natuurlijke verbintenis wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt. De Hoge Raad heeft in de arresten van 20 december 1989, nr. 26.062, (ECLI:NL:HR:1989:ZC4185) en van 26 juni 1991, nr. 27.395, (ECLI:NL:HR:1991:ZC4640), die hun betekenis na invoering van artikel 6:3 BW hebben behouden, geoordeeld dat aan de hand van omstandigheden van het geval en de verhouding van de daarbij betrokken personen moet worden uitgemaakt of een verplichting uit oogpunt van moraal of fatsoen zo dringend is dat degene ten opzichte van wie de verplichting bestaat, de nakoming ervan mag beschouwen als een hem toekomende prestatie. Of een zodanige verplichting bestaat, moet worden beoordeeld naar maatschappelijke opvattingen. In het onderhavige geval betekent dit dat niet relevant is of de moeder van belanghebbende zich naar haar eigen inzicht gedrongen voelt om ten behoeve van de onderneming een geldbedrag te schenken. Van belang is juist of de moeder naar maatschappelijke opvattingen een morele verplichting heeft om in dat kader een geldbedrag aan belanghebbende te schenken.

13.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er onvoldoende omstandigheden die het bestaan van een natuurlijke verbintenis rechtvaardigen. Hierbij heeft de rechtbank onder meer in aanmerking genomen dat eiser meerderjarig is. Gesteld noch aannemelijk is geworden dat eiser niet door middel van het verrichten van arbeid in staat was in zijn levensonderhoud te voorzien in een periode waarin zijn onderneming niet voldoende inkomsten opleverde. Voorts had eiser een beroep kunnen doen op ondersteuning door de overheid in de vorm van bijstand. Dat eiser niet in aanmerking kwam voor bijstandsverlening voor zelfstandigen laat onverlet dat hij een reguliere bijstandsuitkering had kunnen aanvragen. Eiser heeft echter pas in 2013 van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Ter zitting heeft eiser verklaard dat zijn psychische problemen geen rol hebben gespeeld bij het doen van de schenking. Verweerder heeft voorts onweersproken gesteld dat de moeder van eiser zelf slechts inkomsten uit een AOW-uitkering ontving en een gering vermogen had. Naar het oordeel van de rechtbank kan naar maatschappelijke opvattingen niet worden aangenomen dat op iemand in een dergelijke inkomens- en vermogenspositie een dringende verplichting van moraal en fatsoen rust om aan een meerderjarig kind in de omstandigheden als hiervoor omschreven schenkingen te doen om te voorzien in diens levensonderhoud.

14. Gezien de hiervoor geschetste situatie mocht eiser de schenking niet beschouwen als het voldoen van een aan hem toekomende prestatie. De schenking kan niet worden gekwalificeerd als het nakomen van een natuurlijke verbintenis en is daarom niet vrijgesteld van schenkbelasting. Verweerder heeft de onderhavige aanslag terecht opgelegd.

15. Ten aanzien van eisers beroep op schending van het motiveringsbeginsel overweegt de rechtbank dat een eventueel tekortschietende motivering op zichzelf niet hoeft te leiden tot een vernietiging van de bestreden uitspraak op bezwaar. De rechtbank is van oordeel dat de uitspraak op het bezwaarschrift, met daarin verwijzingen naar brieven van 22 april, 22 juli en 1 augustus 2014, voldoende gemotiveerd is om eiser in staat te stellen kennis te nemen van de overwegingen die tot de bestreden beslissing hebben geleid. Eisers beroep op schending van het motiveringsbeginsel kan daarom niet slagen.

16. Met betrekking tot eisers beroep op artikel 67, eerste lid, van de SW oordeelt de rechtbank dat in het kader van de toetsing van de juistheid van de aanslag niet toegekomen kan worden aan de vraag of de opgelegde aanslag dient te worden kwijtgescholden. Een beslissing hierover is voorbehouden aan de Minister van Financiën. Deze heeft hierop bij brief van 4 december 2014 reeds een beslissing genomen. Ofschoon eiser niet tegen laatstgenoemde beslissing is opgekomen bij de belastingrechter, overweegt de rechtbank ten overvloede dat deze beslissing van de Minister niet voor bezwaar en beroep vatbaar is, gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zoals bedoeld in artikel 26 van de AWR.

17. Het voorgaande heeft eveneens te gelden voor eisers beroep op de hardheidsclausule van artikel 63 van de AWR. De rechtbank is niet bevoegd de hardheidsclausule toe te passen. Dit recht is voorbehouden aan de Minister van Financiën. Een weigering van de Minister om de hardheidsclausule toe te passen is niet vatbaar voor bezwaar en beroep.

18.
Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

19. De rechtbank ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Germs-de Goede, rechter, in tegenwoordigheid van M.C.J. Jonckers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 16 april 2015

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.