Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:2280

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-04-2015
Datum publicatie
07-04-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 5375
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:2550, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 6.27 Wet IB 2001; aftrek voor scholingskosten. Mevrouw met Wajonguitkering en behandelindicatie volgt in 2010 diverse trainingen en cursussen op gebied van persoonlijke ontwikkeling, omgaan met anderen, omgaan met woede op het werk, communicatie met mensen op het werk, familieopstellingen, lichaamswerk, ed. Zij stelt dit nodig te hebben gehad om weerbaar genoeg te worden om een opleiding tot plc programmeur te kunnen volgen en vervolgens een baan als programmeur te vinden en te behouden. Kosten ruim € 30.000. Recht op aftrek? Nee. Trainingen zijn wel gevolgd met het oog op verwerven van inkomen, maar er is geen sprake van een opleiding of studie zoals bedoeld in art. 6.27 van de Wet IB 2001. De geleerde vaardigheden zijn daarvoor te algemeen en persoonlijk van aard. In wezen is sprake van therapie. Voor zover sprake is van deelname aan een programma dat mede een beroepsopleiding tot hulpverlener kan zijn (School for the Work van Byron Katie, Body en Mind opleiding), bestaat geen recht op aftrek omdat niet aannemelijk is dat eiseres hieraan heeft deelgenomen met het oogmerk om hulpverlener te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/755
V-N 2015/34.25.11
FutD 2015-0955
NTFR 2015/1643 met annotatie van Mr. P.T. van Arnhem
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 14/5375

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 april 2014

in de zaak tussen

[X], te [Z], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] RB),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2010 een aanslag (aanslagnummer [000].H.06) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.177 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 369. Tevens is bij beschikking € 925 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 juli 2014 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.942.

De beschikking heffingsrente is dienovereenkomstig verminderd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 2 augustus 2014, ontvangen door de rechtbank op 5 augustus 2014, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde], [A] en [B].

Partijen hebben ieder voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota's met instemming van partijen worden geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

Verweerder heeft voorts nog een emailreactie op de pleitnota van de gemachtigde van eiseres overgelegd tijdens de zitting, waarvoor een leespauze is ingelast en die aldus ook geacht wordt te zijn voorgedragen.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres had in 2010 een Wajong-uitkering en daarnaast een inkomen uit meerdere dienstbetrekkingen. Bij eiseres was sprake van psychische problematiek, waarvoor eiseres ook een behandelindicatie had en is behandeld. Door eerdere ervaringen van eiseres op het werk met mannelijke collega’s die oneerbaar gedrag vertoonden, was het voor eiseres moeilijk om zich in een werksituatie te handhaven. Daardoor was het vinden en behouden van betaald werk voor haar erg lastig.

2. Eiseres heeft in 2010 diverse cursussen en trainingen gedaan, waarvoor zij de kosten zelf heeft moeten betalen. Het gaat volgens eiseres om een bedrag van meer dan € 30.000.

3. De trainingen die eiseres heeft gevolgd zijn onder andere:

a. a) Byron Katie, The school for the work, Duitsland, tot een bedrag van € 18.510; de training gaat om gedragsveranderingen op het werk, omgaan met woede op het werk, accepteren van de realiteit op het werk, omgaan met mensen op het werk, karakterinzichten op het werk en stress en communicatie op het werk;

b) [D] en Volksuniversiteit, over geweldloos communiceren, tot een bedrag van € 298 plus € 265;

c) Body-Mind opleidingen, coaching en de maskermaker, tot een bedrag van € 767; gewerkt is met familieopstellingen over mensen op het werk en met karakterstructuren;

d) [F], training [G], workshop [H], [I], voor een bedrag van € 2.372; deze trainingen zijn bedoeld om regie over het eigen leven te verkrijgen in de contacten met de omgeving en op het werk en het persoonlijk ontwikkelen van jezelf door het nemen van leiding over je eigen leven;

e) [J], 9 coachingsessies mindfullness voor meer ontspanning en minder stress op het werk, voor een bedrag van € 320;

f) [K] en [L], waarbij met lichaamswerk aan emotionele blokkades wordt gewerkt, voor € 315 en € 195;

g) [M], over persoonlijkheidsvoorkeuren, tips voor communiceren met anderen en leren hoe je beter met mensen om kunt gaan, voor € 450;

h) [N], coaching en systematisch werken, over samenwerken en omgang met verschillende soorten mensen, voor een bedrag van € 290.

4. In 2011 heeft eiseres een opleiding gedaan bij [O] tot plc programmeur.

Nadien is zij als plc programmeur aan het werk gegaan. Zij geniet sindsdien ook geen Wajong-uitkering meer.

Geschil

5. In geschil is of eiseres de kosten voor de gevolgde trainingen en cursussen kan aftrekken als scholingskosten in de zin van artikel 6.27 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), waarbij een maximum aftrekbaar bedrag van € 15.000 geldt. Eiseres betoogt in dit verband dat zij deze kosten heeft gemaakt om beter om te leren gaan met de problemen die zij op het werk ondervindt, zodat zij inkomen kan verwerven met een betaalde baan en dit inkomen ook kan behouden. Verweerder is van mening dat de kosten niet als scholingskosten kwalificeren. Tijdens de zitting is het geschil tot deze vraag beperkt. Ten aanzien van de overige geschilpunten is een compromis bereikt, dat hierna bij de beoordeling zal worden weergegeven.

Beoordeling van het geschil

Weergave compromis

6. Ter zake van de aftrek van ziektekosten is ter zitting een compromis bereikt, wat inhoudt dat eiseres recht heeft op een aftrekbaar bedrag van € 1.000 na toepassing van de drempel van € 685. Uitgangspunt voor het compromis was de opstelling van de gemachtigde van eiseres in het stuk van 24 februari 2015, p. 8, onder het kopje ziektekosten, vermeerderd met de post Insight ad € 1.420, die was vermeld onder scholingskosten, maar die ziektekosten betreft, aangezien het ging om neurofeedback therapie. Verweerder heeft in dit verband opgemerkt dat hij het niet eens is met de aftrekpost en dat hij alleen bereid is tot het compromis omdat hij de procedure wil beperken tot de rechtsvraag over de scholingskosten en hij terugwijzing voor het voeren van een hoorgesprek wil vermijden. Eiseres kan dus geen rechten aan het compromis ontlenen voor andere jaren.

7. Ter zake van de aftrek voor de computer is ter zitting afgesproken dat verweerder

- in het kader van het vertrouwensbeginsel - toch de berekening volgt die door zijn collega is neergelegd in de brief van 10 juni 2014, opgenomen als bijlage A41 en A42 bij verweerschrift. Aldus gaat het om een aftrek in de categorie scholingskosten van € 735 (3/4 jaar x 90% x € 3.269 : 3) minus de drempel van € 500 is € 235.

Beoordeling scholingskostenvraag

8. Artikel 6.27, eerste lid, van de Wet IB 2001 luidde in 2010 als volgt.

“Scholingsuitgaven zijn uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning.”

9. Eiseres heeft gemotiveerd aangevoerd dat zij de cursussen en trainingen heeft gevolgd met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. Verweerder heeft dat bestreden. De rechtbank is van oordeel dat het in dit geval, gelet op de hiervoor vastgestelde feiten, wel aannemelijk is dat eiseres de cursussen en trainingen heeft gevolgd met het oog op het verwerven van inkomen. Door het volgen van de trainingen is haar persoonlijke functioneren zodanig verbeterd dat zij weerbaar genoeg was om de opleiding tot programmeur bij [O] met succes te kunnen volgen en om vervolgens een baan te vinden en te behouden. Gelet op de voordien bestaande indicatie voor psychische hulp en gelet op de Wajong-uitkering waar eiseres in 2010 nog recht op had, is aannemelijk dat het persoonlijk functioneren van eiseres eerder niet voldoende was om betaald werk te krijgen en te behouden. Zo bezien was het volgen van de cursussen en trainingen dus noodzakelijk voor eiseres om betaald werk te kunnen krijgen en behouden.

10. Dit alleen is echter niet voldoende voor een recht op aftrek van de gemaakte kosten. De wet vereist immers ook dat het gaat om het volgen van een opleiding of studie.

11. Wat betreft de training bij Byron Katie en bij Body en Mind is door eiseres aangevoerd dat het gaat om echte beroepsopleidingen. Deze opleidingen leiden volgens eiseres op tot hulpverlener. Ook heeft zij aangevoerd dat zij bij de school van Byron Katie heeft deelgenomen aan een cursus om gecertificeerd te worden om de methodes van Byron Katie te mogen toepassen bij hulpverlening aan anderen. Zij heeft in dit verband gewezen op de factuur voor het “certification program” ad 650 dollar, bijgevoegd als productie 4 bij het stuk van 24 februari 2015. Zij heeft ter zitting toegelicht dat zij bij Byron Katie heeft geleerd om te gaan met woede door te leren vanuit liefde te reageren. Ook heeft zij verklaard dat zij op dat moment hulpverlener wilde worden, maar dat zij daar uiteindelijk vanaf heeft gezien omdat zij inschatte dat zij daarmee niet zoveel kans op werk zou hebben, omdat zij niet zo goed met mensen kan omgaan. Wat betreft Body en Mind heeft eiseres ter zitting verklaard dat zij daar familieopstellingen heeft gedaan, maar dat zij is geweigerd voor de opleiding tot hulpverlener. Verweerder heeft gemotiveerd bestreden dat sprake is van opleidingen in de zin van artikel 6.27 van de Wet IB 2001.

12. De rechtbank laat in het midden of inderdaad sprake is van beroepsopleidingen tot hulpverlener, aangezien zij van oordeel is dat het in het geval van eiseres niet aannemelijk is dat zij aan deze trainingen heeft deelgenomen met als oogmerk om te worden opgeleid tot hulpverlener. Ook bestond niet een redelijke verwachting dat zij als hulpverlener betaald werk zou vinden. De factuur van Byron Katie voor het certification program maakt maar een heel klein deel uit van de totale kosten die eiseres bij Byron Katie heeft gemaakt, terwijl haar voornemen om hulpverlener te worden alleen uit die factuur zou kunnen worden afgeleid en voorts niet is uitgevoerd. Het lijkt erop dat het idee om hulpverlener te willen worden, pas tijdens de training bij Byron Katie is ontstaan en niet erg realistisch was. Voor Body en Mind geldt zelfs dat eiseres niet is toegelaten tot de opleiding tot hulpverlener, zodat het voor de hand ligt dat dit instituut eiseres niet geschikt achtte om hulpverlener te worden.

13. Eiseres moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als iemand die de trainingen primair heeft gevolgd omdat zij de noodzaak voelde voor persoonlijke groei en voor het leren omgaan met ondervonden psychische problemen in het dagelijks leven, waaronder begrepen werk. Dit ontwikkelingsproces was weliswaar erg belangrijk voor het persoonlijk functioneren van eiseres en daardoor ook voor haar kans op betaald werk, maar toch kwalificeert dit niet als een opleiding of studie in de zin van artikel 6.27 van de Wet IB 2001. Daarbij gaat het namelijk om een opleiding of studie die vereist is voor het uitvoeren van een bepaald soort werk of om het aanleren van speciale vaardigheden die noodzakelijk zijn voor een bepaald soort werk. De vaardigheden die eiseres heeft geleerd, het beter leren omgaan met anderen en met zichzelf, zijn daar te algemeen en te persoonlijk van aard voor. In wezen gaat het in dit geval om een vorm van therapie en niet om scholing.

14. Voor de overige cursussen en trainingen geldt dat niet is gesteld of gebleken dat het daar gaat om beroepsopleidingen. Voorts geldt ook hier dat de opgedane kennis en vaardigheden in het geval van eiseres te algemeen en persoonlijk van aard zijn om te kunnen kwalificeren als scholing zoals bedoeld in artikel 6.27 van de Wet IB 2001.

15. Uit het voorgaande volgt als conclusie dat eiseres geen recht heeft op aftrek van de opgegeven kosten voor cursussen en trainingen. Daarom hoeft niet te worden beoordeeld in hoeverre zij deze kosten daadwerkelijk zelf heeft gedragen.

Overige beslispunten

16. Het niet houden van een hoorgesprek in de bezwaarfase, terwijl het houden van een hoorgesprek ook zonder verzoek beleid is van verweerder, leidt in dit geval niet tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, aangezien eiseres door het gesloten compromis ter zake van de ziektekostenaftrek niet (meer) in haar belangen geschaad is.

17. Het beroep op het vertrouwensbeginsel in verband met het accepteren van de aftrek voor zekerheidstraining voor het belastingjaar 2012 wordt verworpen. Ten eerste blijkt uit de voorafgaande correspondentie dat het een vergissing betreft van de ambtenaar die het bezwaar heeft behandeld. In de correctiebrief bij aanslagregeling (bijlage E-3 bij de pleitnota van verweerder) is namelijk het standpunt opgenomen dat de zekerheidstraining niet aftrekbaar is. Ten tweede is een zekerheidstraining iets anders dan de trainingen en cursussen die eiseres in het jaar 2010 heeft gevolgd.

18. Eiseres heeft een verzoek gedaan voor immateriële schadevergoeding omdat de procedure te lang heeft geduurd. Uit het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, volgt dat de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, ertoe noopt dat ook de beslechting van belastinggeschillen binnen een redelijke termijn plaats dient te vinden. Een overschrijding van die termijn leidt, behoudens bijzondere omstandigheden, in de regel tot spanning en frustratie (vergelijk EHRM 29 maart 2006, nr. 62361/00, Riccardi tegen Italië, JB 2006/134), wat grond vormt voor vergoeding van immateriële schade met toepassing van artikel 8:73 van de Awb, aldus de Hoge Raad. Uit het arrest volgt voorts dat bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van

22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. In gevallen waarin de bezwaar- en beroepsfase tezamen onredelijk veel tijd in beslag hebben genomen heeft als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover deze meer dan anderhalf jaar in beslag neemt (HR 22 maart 2013, nr. 11/04270, ECLI:NL:HR:2013:BX6666, BNB 2013/152). Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

De redelijke termijn vangt aan met het bezwaarschrift. Het bezwaarschrift van eiseres dateert van 13 januari 2013, de uitspraak op bezwaar dateert van 3 juli 2014 en deze uitspraak van de rechtbank wordt gedaan enkele maanden later dan twee jaar na indiening van het bezwaarschrift. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt hier tussen twee en drie maanden, dus korter dan een half jaar. Dit brengt mee dat eiseres recht heeft op een vergoeding van € 500. Verweerder heeft bijna een jaar langer over de uitspraak op bezwaar gedaan dan het half jaar dat daarvoor staat. De rechtbank heeft daarentegen binnen een jaar beslist, terwijl aan haar in beginsel anderhalf jaar toekomt. Dit brengt mee dat de overschrijding van de redelijke termijn geheel aan verweerder zal worden toegerekend.

Conclusie aanslag

19. Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard. De aanslag IB/PVV 2010 dient te worden verminderd overeenkomstig het ter zitting gesloten compromis. Er dient derhalve een aftrek te worden toegepast van (€ 1.000 voor ziektekosten en € 235 voor scholingskosten/computer =) € 1.235. Voor een hogere aftrek komt eiseres niet in aanmerking. Het belastbaar inkomen uit werk en woning komt derhalve uit op (€ 39.177 min € 1.235 =) € 37.942. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen blijft € 369.

20. Nu eiseres geen afzonderlijke gronden tegen de beschikking heffingsrente heeft aangevoerd, zal de in rekening gebrachte heffingsrente dienen te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag.

Proceskostenvergoeding

21. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

22. Gemachtigde van eiseres heeft gevraagd om vergoeding van de werkelijke kosten ad € 3.790,50, omdat de hoorplicht is geschonden waardoor dit beroep nodig zou zijn geworden. Artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit) biedt de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden een integrale proceskostenvergoeding toe te kennen. Voor een dergelijke vergoeding is plaats ingeval een bestuursorgaan een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in de daartegen gestelde procedure geen stand zal zouden (HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Ook indien de inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld kan sprake zijn van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit (HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). De rechtbank is van oordeel dat van dergelijke omstandigheden geen sprake is. Het schenden van de hoorplicht is onvoldoende reden om de werkelijke proceskosten te vergoeden. Als eiseres wel zou zijn gehoord, was de onderhavige procedure namelijk waarschijnlijk toch nodig geweest door het principiële karakter van de vraag over de scholingskostenaftrek en het grote bedrag dat daarmee is gemoeid. Bovendien zou eiseres in dat geval wellicht al in de bezwaarfase een gemachtigde hebben ingeschakeld, waardoor de thans in beroep gemaakte kosten al in bezwaar gemaakt hadden moeten worden.

23. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval wel aanleiding om het forfaitaire tarief ruimhartig toe te passen. De zaak is zo bewerkelijk dat voor de zwaarte van de zaak factor 1,5 zal worden gerekend. Voorts zal het nader stuk van gemachtigde van

24 februari 2015 worden gerekend alsof het een beroepschrift betreft, waardoor het 1 punt krijgt. Dit stuk heeft namelijk een belangrijke bijdrage geleverd aan de beoordeling van de zaak en met name aan het overzichtelijker maken van het debat ter zitting. Bovendien zou, als eiseres meteen bij het instellen van beroep de gemachtigde zou hebben ingeschakeld, de gemachtigde de werkzaamheden die hij nu heeft verricht bij het opstellen van het nader stuk al direct bij het opstellen van het beroepschrift hebben verricht.

24. De rechtbank heeft de proceskosten op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.470 (1 punt voor het nader stuk dat wordt geteld als beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1,5). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag IB/PVV 2010 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.942 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 369;

- vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder tot betaling van immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 500;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.470;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 45 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Kranenbarg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 7 april 2014

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.