Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:2212

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-03-2015
Datum publicatie
02-04-2015
Zaaknummer
BM 5724
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Rechthebbende vraag opheffing van het over zijn goederen uitgesproken beschermingsbewind. Na afwijzing van het verzoek door de kantonrechter, stelt rechthebbende hoger beroep in. De bewindvoerder vraagt aan de kantonrechter machtiging om voor het verweerschrift in hoger beroep een advocaat te mogen inschakelen en de in verband daarmee te maken kosten, inclusief tien extra uren van de bewindvoerder, in rekening te mogen brengen bij rechthebbende. Dit verzoek wordt afgewezen. De kantonrechter is van oordeel dat het inschakelen van een advocaat in dit geval niet in het belang van rechthebbende is. De kosten hiervan zullen door de bewindvoerder in rekening worden gebracht bij rechthebbende, terwijl de bewindvoerder ook tijdens de mondelinge behandeling zelf haar standpunt kan toelichten. Inschakelen van een advocaat is derhalve niet noodzakelijk. Voor vergoeding van extra uren is geen plaats, nu geen sprake is van een uitzonderlijk geval in de zin van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank gelderland

Afdeling civiel

Team bewind en erfrecht

Zittingsplaats Zutphen

Zaakgegevens BM 5724

Beschikking van de kantonrechter d.d. 30 maart 2015.

Inzake het verzoek van

[bewindvoerder], werkzaam bij

[naam BV],

gevestigd te [plaats],

handelend in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [rechthebbende],

verzoekster, hierna te noemen: [bewindvoerder].

Het verzoek

Bij brief van 5 december 2013 heeft [rechthebbende], hierna te noemen: rechthebbende, verzocht om opheffing van het over haar goederen ingestelde beschermingsbewind. Bij brief van 29 augustus 2014 heeft rechthebbende aangegeven dit verzoek te handhaven. Bij beschikking van 14 november 2014 is het verzoek tot opheffing van het ingestelde beschermingsbewind afgewezen. Van deze beschikking heeft mr. J.H.J. Joosten, advocaat te Arnhem, namens rechthebbende hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 18 februari 2015 heeft [bewindvoerder] verzocht om machtiging om haar advocaat mr. K.W.A. Wools te mogen inschakelen om namens haar in de hoger beroep procedure te mogen optreden en tevens vraagt [bewindvoerder] toestemming om de noodzakelijke bewindskosten te mogen maken. Onder dit laatste wordt blijkens het verzoek verstaan; advocaatkosten, griffierecht en extra uren van de bewindvoerder. Het uurtarief van mr. Wools bedraagt blijkens het verzoek in deze zaak € 205,00, exclusief 5% kantoorkosten en exclusief 21% BW. [bewindvoerder] begroot dat zij 10 extra uren zal moeten maken.

De beoordeling

De kantonrechter stelt voorop dat ook in hoger beroep van groot belang is dat [bewindvoerder] als bewindvoerder kan aangeven wat zij van het verzoek tot opheffing van het bewind vindt.

Anders dan [bewindvoerder] meent, is daarvoor echter niet de inschakeling van een advocaat nodig. Het zogeheten LOVF-hoven (Landelijk Overleg Vakinhoud Familie-hoven) heeft op 15 mei 2014 op de vraag of een bewindvoerder wel of geen advocaat nodig heeft voor proceshandelingen bij het hof geantwoord: “in Amsterdam betreft het circa 40 zaken per jaar. Per zaak wordt bekeken of de bewindvoerder/curator belanghebbende is of niet (en er dus een verweertermijn moet volgen of een informantoproeping). Er zijn geen bezwaren tegen de Amsterdamse lijn. Als de bewindvoerder/curator in hoger beroep komt of als belanghebbende in de zin van art. 798 Rv een verweerschrift indient, biedt de wet geen grond voor een uitzondering op de hoofdregel dat het beroepschrift/verweerschrift door een advocaat dient te worden ingediend. Als de bewindvoerder/curator geen verzoek- /verweerschrift in hoger beroep indient en zijn belang door het geschil niet rechtstreeks wordt geraakt, kan hij als informant worden opgeroepen. Curatoren en bewindvoerders weten vaak niet dat ze verweer kunnen voeren op zitting en dan zelf kunnen verschijnen zonder advocaat. Alleen appel- en verweerschriften moeten door tussenkomst van een advocaat worden ingediend. Bij het hof worden bewindvoerders in beginsel als belanghebbenden aangemerkt, in welke hoedanigheid zij in de gelegenheid worden gesteld verweer te voeren. Zij mogen dit schriftelijk doen door tussenkomst van een advocaat of mondeling ter zitting, waarbij zij niet door een advocaat hoeven te worden bijgestaan.

Bij brief van 17 december 2014 heeft de rechtbank het voorgaande bekendgemaakt aan de bij de rechtbank bekende professionele bewindvoerders, waaronder [bewindvoerder]. [bewindvoerder] wist derhalve ten tijde van het verzoek dat het standpunt van de rechtbank en van de gerechtshoven was dat bewindvoerders mondeling ter zitting verweer kunnen voeren, waarbij zij niet door een advocaat hoeven te worden bijgestaan.

Nu het in dit geval gaat om een verzoek tot opheffing, is naar het oordeel van de rechtbank de bijstand van een advocaat niet noodzakelijk. Gelet op de aanzienlijke kosten die het inschakelen van een advocaat meebrengt is dit ook niet in het belang van rechthebbende. Daar komt nog bij dat [bewindvoerder] griffierecht verschuldigd is, indien zij door tussenkomst van een advocaat een verweerschrift indient. Uit telefonisch verkregen informatie van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, is de kantonrechter gebleken dat geen griffierecht in rekening wordt gebracht, indien de bewindvoerder mondeling tijdens de zitting haar standpunt omtrent de opheffing verwoord. Gegeven dat het door [bewindvoerder] eventueel te betalen griffierecht uiteindelijk door haar bij rechthebbende in rekening zal worden gebracht, is het temeer niet in het belang van rechthebbende dat [bewindvoerder] een advocaat inschakelt. Het verzoek om mr. K.W.A. Wools te machtigingen om namens [bewindvoerder] in hoger beroep in rechte te mogen optreden wordt daarom afgewezen. Het staat [bewindvoerder] overigens vrij om mr. K.W.A. Wools op eigen kosten in te schakelen.

[bewindvoerder] heeft bij de verzochte machtiging voor de te maken extra uren verwezen naar de aanbevelingen van het LOVCK. De kantonrechter neemt aan dat dit op een vergissing berust. Inmiddels is op alle werkzaamheden die zijn verricht vanaf 1 januari 2015 van toepassing de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. In deze regeling is een forfaitair beloningsstelsel opgenomen voor de vergoeding van de werkzaamheden van de bewindvoerder. De vergoeding bestaat uit een jaarbeloning en een aantal incidentele vergoedingen voor in de regeling benoemde gevallen. Naast deze benoemde incidentele beloningen is nog slechts ruimte voor beloning van extra door de bewindvoerder te maken uren in “in uitzonderlijke gevallen. In de memorie van toelichting is hieromtrent het volgende opgenomen: “Met de regeling wordt beoogd het overgrote deel van de gevallen van curatele, bewind en mentorschap te bestrijken. Niet uit te sluiten is echter dat zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen, waarop deze regeling niet onverkort kan worden toegepast. […] Naar aanleiding van reacties op de conceptregeling is de formulering gewijzigd van ‘bijzondere omstandigheden‘ in ‘uitzonderlijke omstandigheden’, om te benadrukken dat niet te snel mag worden aangenomen dat van de regeling kan worden afgeweken. […] Wat onder uitzonderlijke omstandigheden wordt verstaan, kan niet in een limitatieve opsomming in deze regeling worden vastgesteld. Deze omstandigheden zijn immers toegesneden op de omstandigheden die zich in een specifiek geval kunnen voordoen en zijn naar hun aard niet alle te voorzien. Als voorbeeld noem ik extra werkzaamheden vanwege het feit dat de betrokkene is vertrokken naar het buitenland en de vertegenwoordiger allerlei extra inspanningen moet doen om hem naar Nederland te laten brengen.

De kantonrechter is van oordeel dat het bijwonen van een zitting bij het gerechtshof en het ter zitting van dat hof te berde brengen van het standpunt van de bewindvoerder omtrent de verzochte opheffing van het bewind, geen uitzonderlijk geval is dat het toekennen van een extra beloning rechtvaardigt. Redengevend hierbij is dat de Regeling Beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren benadrukt dat de beloning een forfaitair karakter heeft en dat uitdrukkelijk is bepaald dat niet te snel mag worden afgeweken van deze regeling.

Hoewel het incidenteel bijwonen van een zitting in een door de rechthebbende ingesteld hoger beroep bepaald voorzienbaar was bij de totstandkoming van de regeling, is er – kennelijk bewust – voor gekozen hiervoor geen aparte beloning op te nemen. Het bijwonen van een zitting in een hoger beroep tegen een beslissing van de kantonrechter is ook bepaald van een andere orde dan het in de memorie van toelichting aangehaalde voorbeeld van een ‘uitzonderlijk geval’. Dat in de memorie van toelichting bij artikel 3, lid 2, onderdeel a, bij de omschrijving van de wettelijke taak van de bewindvoerder wel is vermeld “het bijwonen van zittingen van de kantonrechter”, maar niet: het bijwonen van zittingen in hoger beroep, maakt het voorgaande naar het oordeel van de kantonrechter niet anders. Het verzoek tot het op kosten van rechthebbende toekennen van een beloning voor het maken van extra uren wordt op grond van het bovenstaande afgewezen. Ook voor het door rechthebbende laten vergoeden van extra onkosten is op grond van het voorgaande geen plaats. In de tekst en in de memorie van toelichting van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren is uitdrukkelijk bepaald dat de daarin opgenomen beloning inclusief onkostenvergoeding is. Als er op grond van de regeling geen ruimte is voor beloning van extra uren, zoals in dit geval, dan is er naar het oordeel van de kantonrechter ook geen ruimte voor vergoeding van extra onkosten.

[bewindvoerder] heeft nog verwezen naar een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 juli 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:5706). Naar het oordeel van de kantonrechter komt aan dit arrest door de invoering van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren voor de beoordeling van het onderhavige verzoek geen betekenis meer toe. Met deze regeling is immers voorzien in de vergoeding van de werkzaamheden van de bewindvoerder en de door hem gemaakte onkosten. Ook de verwijzing naar artikel 1:358 BW gaat niet meer op, omdat de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren als bijzondere regeling voor de beloning en onkosten van de bewindvoerder boven dit algemene, niet voor de bewindvoerder geschreven, artikel gaat.

De beslissing

De kantonrechter:

Wijst de verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.C. Haasnoot en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2015.

WH