Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:2082

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-02-2015
Datum publicatie
25-03-2015
Zaaknummer
266614
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het enkele feit dat overeenstemming bestond tussen partijen over de koopprijs van een pand en de daarin gevestigde tandartspraktijk, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake was van een perfecte koopovereenkomst.

Nu niet is komen vast te staan dat partijen reeds een perfecte koopovereenkomst waren aangegaan, komt niet vast te staan dat de potentiële koper toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming daarvan.

Aan de vervolgvraag, of er sprake is van bestuursaansprakelijkheid van de zijde van de potentiele koper komt de rechtbank niet meer toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/517
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/266614 / HA ZA 14-363/409

Vonnis van 18 februari 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser] ,

gevestigd te Ubbena,

eiseres,

advocaat mr. M. Schuring te Groningen,

tegen

1 [gedaagde],

wonende te Voorthuizen,

gedaagde,

advocaat mr. E.R. Jonker te Leusden,

2. [gedaagde],

wonende te Amersfoort,

gedaagde,

advocaat mr. G.J. Boven te Leusden.

Eiseres zal hierna [eiser] worden genoemd en gedaagden zullen [gedaagde] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 5 november 2014

  • -

    het verkort proces-verbaal van comparitie van 7 januari 2015 met de daarin genoemde stukken die ter voorbereiding op de comparitie zijn overgelegd en de spreekaantekeningen van mr. Schuring.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is eigenaar van het pand aan de [adres]. In dit pand heeft de directeur en enig aandeelhouder van [eiser], de heer[eiser] (hierna: [eiser]), aanvankelijk zelf een tandartsenpraktijk geëxploiteerd. Vanaf augustus 2008 heeft zij het pand verhuurd aan MediMondzorg B.V., die daar eveneens een tandartsenpraktijk exploiteerde.

2.2.

Dental Health Company B.V. (hierna: DHC) is een op 28 november 2013 opgerichte vennootschap. [gedaagde] en [gedaagde] zijn middels hun vennootschappen [naam] [gedaagde] Consultancy B.V. en [naam] [gedaagde] Consultancy B.V. bestuurders van DHC. DHC houdt zich bezig met het opzetten, overnemen en exploiteren van tandartsenpraktijken.

2.3.

Begin 2014 werd bekend dat MediMondzorg haar tandartsenpraktijk in het pand wilde beëindigen aangezien deze onvoldoende winstgevend was. DHC was geïnteresseerd in overname van die praktijk inclusief overname van het huurcontract dan wel koop van het pand. MediMondzorg en DHC hebben echter geen overeenstemming bereikt over de prijs.

2.4.

[eiser] is in diezelfde periode in gesprek geraakt met [gedaagde] en [gedaagde] over de verkoop van het pand en later over de verkoop van het pand met de tandartsenpraktijk. Hij heeft daarbij aangegeven over een volmacht te beschikken van MediMondzorg om de tandartsenpraktijk te mogen verkopen.

2.5.

Uit een weergave van de tussen 6 januari 2014 en 4 februari 2014 tussen [eiser] en [gedaagde] verzonden WhatsApp-berichten, kan worden afgeleid dat [eiser] op 8 januari 2014 als koopprijs voor het pand € 800.000,00 heeft genoemd, waarna hij op 16 januari 2014 aan [gedaagde] heeft gevraagd om een bod voor het pand en de praktijk te doen. Diezelfde dag heeft [gedaagde] een bod van € 635.000,00 gedaan, dat aanvankelijk niet werd geaccepteerd (‘Daar word ik niet opgewonden van’). Per WhatsApp van 4 februari 2014 heeft [eiser] aan [gedaagde] geschreven dat hij het bod van € 635.000,00 accepteerde, waarna [gedaagde] heeft laten weten dat zijn compagnon daarop terug zou komen.

2.6.

Bij brief en e-mail van 4 februari 2014 heeft DHC aan [eiser] geschreven, voor zover hier relevant:

(…)

Wij zijn enigszins verbaasd, maar tevens verheugd over het feit dat u ons bod van € 635.000,00 heeft geaccepteerd voor het pand en tandartsenpraktijk aan de [adres]. In eerdere gesprekken is door u genoemd dat de tandartspraktijk (met inbegrip van inventaris en patiëntenbestand) “om niet” in de aankoopprijs zit verdisconteerd.

Graag willen wij aan u de volgende stukken vragen:

  • -

    Bouwkundig Rapport

  • -

    Plattegrond van het pand

In de komende periode zal er met u contact worden opgenomen door een taxateur.

Zoals u van ons begrepen heeft is financiering afhankelijk van het eindoordeel van onze investeerder en derhalve onder voorbehoud van de gebruikelijke ontbindende voorwaarden. Om de kans van slagen van financiering te vergroten vragen wij u om zich, voor tenminste de aanloopperiode van de praktijk, aan ons te willen verbinden. Bij voorkeur in de functie van tandarts dan wel als adviseur. Daarnaast dient er nog overeenstemming te komen over de wijze waarop het huidig personeel ondergebracht gaat worden bij de beoogde koop en overname van de praktijk.

(…)

Bovenstaande punten geven ons inziens genoeg aanleiding tot nadere uitwerking. Daarom nodigen wij u graag uit voor een persoonlijk vervolggesprek.

(…)

2.7.

Bij e-mail van diezelfde dag heeft [eiser] daarop geantwoord, voor zover hier relevant:

(…)

U stelt dat de financiering afhankelijk is van ontbindende voorwaarden, maar dat is niet mijn aangelegenheid. U heeft een bod gedaan zonder enig voorbehoud en dat heb ik geaccepteerd.

(…)

Ik kan u niet volgen, voor zover u stelt, dat er een overeenstemming dient te komen over de wijze waarop het personeel ondergebracht kan worden bij de beoogde koop en overname van de praktijk. Immers, zoals u stelt, zijn wij al tot overeenstemming gekomen over de overdracht van de tandartspraktijk.

(…)

2.8.

De advocaat van [eiser] heeft DHC, [gedaagde] en [gedaagde] bij brief van 7 februari 2014 gesommeerd om de koopovereenkomst na te komen en heeft bij brief van 21 februari 2014 de koopovereenkomst ontbonden.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, hoofdelijke veroordeling van [gedaagde] en [gedaagde] tot betaling van € 316.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 februari 2014, met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde] en [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

Onder verwijzing naar de zogenoemde Beklamelnorm, stelt [eiser] dat zij met DHC een overeenkomst is aangegaan en dat [gedaagde] en [gedaagde] als indirecte bestuurders van DHC onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld aangezien zij ermee bekend waren dat DHC de overeenkomst niet zou kunnen nakomen. Op grond van deze onrechtmatige daad zijn [gedaagde] en [gedaagde] gehouden de schade te vergoeden die [eiser] lijdt doordat DHC de door [eiser] gestelde koopovereenkomst niet is nagekomen. Subsidiair beroept zij zich op vereenzelviging van DHC, [gedaagde] en [gedaagde].

3.3.

[gedaagde] en [gedaagde] voeren verweer. Zij betwisten dat tussen DHC en [eiser] reeds een koopovereenkomst tot stand was gekomen. DHC kan dan ook niet toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van een verbintenis uit deze overeenkomst. Het bod van DHC was slechts een uitnodiging om verder in onderhandeling te treden. Nu bij de koop tevens een tandartsenpraktijk was begrepen, had het voor [eiser] duidelijk moeten zijn dat bij mondelinge overeenstemming over de prijs nog geen perfecte koopovereenkomst tot stand was gekomen. Zo moest er nog boekenonderzoek plaatsvinden en moest er nog verder worden gesproken over onder meer non disclosure, zekerheden, de overname van het personeel en een concurrentiebeding. Ook is diverse keren aan [eiser] medegedeeld dat DHC een financieringsvoorbehoud zou moeten maken en was [eiser] ermee bekend dat DHC afhankelijk was van investeerders. Voorts betwisten zij in welke hoedanigheid dan ook onrechtmatig jegens [eiser] te hebben gehandeld. Tenslotte voeren zij aan dat er geen schade is en dat het aan [eiser] zelf is te wijten dat het niet is gekomen tot een door partijen beoogde koopovereenkomst.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Als maatstaf voor de persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van een vennootschap geldt de norm die de Hoge Raad heeft aanvaard in zijn arrest van 8 december 2006, NJ 2006/659NJ 2006/659. Uitgangspunt is dat in geval van wanprestatie of onrechtmatige daad van een vennootschap alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de schade en dat onder bijzondere omstandigheden de bestuurder persoonlijk aansprakelijk kan zijn. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijk is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Indien de aansprakelijk gestelde bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, is van een dergelijk ernstig verwijt sprake en kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen.

4.2.

De eerste vraag die hier beantwoord dient te worden is of DHC een overeenkomst is aangegaan met [eiser] en zo ja, of DHC toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van een verbintenis uit hoofde van die overeenkomst. Is dit namelijk niet aan de orde, dan kan ook van bestuurdersaansprakelijkheid geen sprake zijn.

4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank staat geenszins vast dat, nadat via WhatsApp overeenstemming was bereikt over de prijs, daarmee ook direct een perfecte koopovereenkomst tot stand was gekomen, temeer nu het niet alleen de koop van een onroerende zaak maar ook van een onderneming met 14 personeelsleden betrof. Het spreekt voor zich dat bij de overname van een onderneming over meer belangrijke kwesties overeenstemming dient te worden bereikt dan enkel de prijs. Zo is gesteld noch gebleken dat reeds overeenstemming was bereikt over de leveringsdatum, had nog geen boekenonderzoek plaatsgevonden en dienden nog afspraken te worden gemaakt over de overname van het personeel. Zelfs indien er echter vanuit wordt gegaan dat over de meest essentiële punten van deze overeenkomst overeenstemming bestond, had [eiser] er niet vanuit mogen gaan dat de afspraken geen nadere uitwerking behoefden alvorens kon worden getekend en dat een financieringsvoorbehoud geen onderdeel zou mogen uitmaken van de schriftelijke koopovereenkomst. Dit laatste is niet alleen gebruikelijk maar deze voorwaarde kan [eiser] bezwaarlijk hebben bevreemd nu bekend was dat DHC afhankelijk was van een investeerder. Dit had [eiser] uit het WhatsApp-bericht van 15 januari 2014 (‘zit in overleg met mijn investeerder’) kunnen afleiden, als het al niet zou zijn besproken, zoals door [gedaagde] en [gedaagde] wordt gesteld maar door [eiser] wordt betwist. Dat DHC in haar brief van 4 februari 2014 aan [eiser] heeft medegedeeld dat over een aantal zaken nog nader overleg moest plaatsvinden en zij nog goedkeuring van haar investeerder moest verkrijgen, betekent – anders dan [eiser] stelt – niet dat DHC toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van een verbintenis. Onbekend is en zal blijven of DHC de financiering had kunnen rondkrijgen en de beoogde overeenkomst had kunnen nakomen nu [eiser] de gestelde overeenkomst met DHC heeft ontbonden en het pand aan een derde heeft verhuurd.

4.4.

De conclusie luidt dan ook dat, voor zover al zou kunnen worden aangenomen dat partijen reeds een koopovereenkomst voor het pand en de tandartsenpraktijk waren aangegaan, DHC niet toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming daarvan. Aan de vervolgvraag, te weten de vraag of [gedaagde] en [gedaagde] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid schadeplichtig zijn geworden jegens [eiser], komt de rechtbank dan ook niet toe. Gelet op de hiervoor onder 4.1 genoemde maatstaf moet overigens worden opgemerkt dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om in dit geval tot bestuurdersaansprakelijkheid te kunnen concluderen.

4.5.

Als tweede grondslag voor haar vordering heeft [eiser] zich beroepen op vereenzelviging. Nu hiervoor reeds is geconcludeerd dat DHC niet toerekenbaar tekort is geschoten jegens [eiser], kan ook deze grondslag – wat daar verder ook van zij – niet tot aansprakelijkheid van [gedaagde] en [gedaagde] leiden.

4.6.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Voor een veroordeling van [eiser] in de volledige proceskosten, zoals door [gedaagde] gevorderd, is – indien en voor zover deze meer bedragen dan het liquidatietarief – geen plaats. Naar het oordeel van de rechtbank is hier immers geen sprake van een situatie waarin het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven.

4.7.

De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 1.519,00

- salaris advocaat 4.000,00 (2,0 punten × tarief € 2.000,00)

Totaal € 5.519,00

4.8.

De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 77,00

- salaris advocaat 4.000,00 (2,0 punten × tarief € 2.000,00)

Totaal € 4.077,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 5.519,00, en aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 4.077,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2015.