Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:2025

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-03-2015
Datum publicatie
17-04-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 4145
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:1694, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Publicatie op verzoek, geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/835
V-N 2015/25.2.2
Belastingadvies 2015/13.11
Vp-bulletin 2015/40
FutD 2015-1008
NTFR 2015/1967 met annotatie van
ERF-Updates.nl 2015-0184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 14/4145

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 24 maart 2015

in de zaak tussen

[X], te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Zwolle, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2013 een aanslag (aanslagnummer [000]) erfbelasting opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 mei 2014 (beschikkingsnummer [001]) de aanslag verminderd tot € 12.066.

Eiseres heeft daartegen bij brief, ontvangen door de rechtbank op 24 juni 2014, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2014.

Eiseres is verschenen. Namens verweerder is verschenen mevrouw mr. [gemachtigde].

Overwegingen

Feiten

1. Op [2013] overleed mevrouw [A] (hierna ook te noemen erflaatster). Erflaatster was ten tijde van haar overlijden ongehuwd weduwe. Zij had niet bij testament over haar nalatenschap beschikt.

Eiseres is krachtens het wettelijk erfrecht als enig kind de enige erfgenaam. Eiseres is sinds [1991] gehuwd met de heer [B]. Samen hebben zij twee kinderen.

Erflaatster was woonachtig op het adres [A-straat 1] te [Z]. Ze woonde op dit adres sinds 1997 samen met eiseres en de heer [B] en hun twee kinderen.

Geschil

2. In geschil is de aanslag. Het geschil spitst zich toe op de vraag of

- eiseres aangemerkt kan worden als partner van erflaatster in de zin van artikel 1a van de Successiewet 1956 (hierna: SW) en dientengevolge recht heeft op de daaraan verbonden vrijstelling;

- het niet aanmerken van eiseres als partner van erflaatster en het niet toepassen van de partnervrijstelling in strijd is met het vereiste van een gelijke behandeling;

- eiseres wegens discriminatie ten onrechte de faciliteiten voor bedrijfsopvolging in de successiewet (hierna BOR) zijn onthouden.

Beoordeling van het geschil

3. Artikel 32, eerste lid, ten vierde, onder a, van de SW bepaalt dat degene die als partner van de erflater wordt aangemerkt een vrijstelling geniet van € 616.880 (cijfers 2013). Om als partner te worden aangemerkt dient te worden voldaan aan het bepaalde in artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Dit artikel bepaalt in het eerste lid dat als partner wordt aangemerkt a) de echtgenoot en b) de ongehuwde meerderjarige persoon waarmee de ongehuwde meerderjarige belastingplichtige een notarieel samenlevingscontract is aangegaan en met wie hij staat ingeschreven op hetzelfde woonadres in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende administratie buiten Nederland. Dit artikel bepaalt in het vijfde lid dat een persoon op enig moment slechts één partner kan hebben.

Artikel 1a van de SW bepaalt dat in afwijking van artikel 5a, eerste lid, onder b, van de AWR voor de toepassing van deze wet en de daarop rustende bepalingen twee ongehuwde personen slechts als partner worden aangemerkt indien zij gedurende de in het tweede lid genoemde periode:

  1. beiden meerderjarig zijn;

  2. op hetzelfde woonadres staan ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende administratie buiten Nederland;

  3. ingevolge een notarieel samenlevingscontract een wederzijdse zorgverplichting hebben;

  4. geen bloedverwanten in de rechte lijn zijn, en

  5. niet met een ander aan de in de onderdelen a tot en met d genoemde voorwaarden voldoen.

Dit artikel bepaalt in het derde lid dat de in het eerste lid, onder c, gestelde voorwaarde niet geldt voor personen die tot het tijdstip van het overlijden of de schenking gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren staan ingeschreven op hetzelfde woonadres in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende administratie buiten Nederland.

Dit artikel bepaalt in het vierde lid dat voor de toepassing van de erfbelasting de in het eerste lid, onderdeel d, gestelde voorwaarde niet geldt voor bloedverwanten in de eerste graad, ingeval een van deze bloedverwanten een uitkering als bedoeld in artikel 19a van de Wet maatschappelijke ondersteuning heeft genoten in verband met in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van overlijden van de andere bloedverwant, aan die bloedverwant verleende zorg.

4. De rechtbank is van oordeel dat eiseres in relatie tot haar moeder niet aan het partnerbegrip voldoet, noch voor wat betreft artikel 5a van de AWR, noch voor wat betreft artikel 1a van de SW. In beide gevallen vindt dit primair zijn oorzaak in het gehuwd zijn. De echtgenoot van eiseres wordt als partner aangemerkt.

5. Voor wat betreft de al dan niet gelijke behandeling van gehuwde en ongehuwde mantelzorgers overweegt de rechtbank dat het zijn van mantelzorger slechts één van de voorwaarden is om voor de partnervrijstelling in aanmerking te komen. Het is niet zo dat het zijn van mantelzorger alléén reeds recht geeft op de partnervrijstelling van artikel 32, eerste lid, ten vierde, onder a, van de SW. Er zijn immers vele mantelzorgers die om uiteenlopende redenen niet aan de voorwaarden voor partnerschap in de zin van artikel 1a van de AWR, of artikel 5a van de SW voldoen en mitsdien geen recht hebben op de partnervrijstelling. De rechtbank is van oordeel dat de wetgever het onderscheid in fiscale behandeling tussen partners en niet partners bewust heeft gemaakt en dat ook in redelijkheid heeft kunnen maken. Van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

6. Ten aanzien van het beroep op de ongelijke behandeling van de verkrijging van ondernemingsvermogen en van niet-ondernemingsvermogen overweegt de rechtbank dat het oordeel van de Hoge Raad, (zie ECLI:NL:2013: 1206, 1209, 1210, 1211 en 1212), dat voor deze ongelijke behandeling voldoende objectieve rechtvaardiging bestaat, door het EHRM in zijn uitspraak van 27 mei 2014 nummer 18485/14 is bevestigd. Deze stelling van eiseres treft dan ook geen doel.

7. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

8. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. G. Schokker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 24 maart 2015

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.