Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:2

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-01-2015
Datum publicatie
19-01-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 3647
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Artikel 6.30 Wet IB 2001. Leeftijdsgrens van 30 jaar niet strijdig met internationale verdragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/121
FutD 2015-0205
NTFR 2015/913 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 14/3647

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 6 januari 2015

in de zaak tussen

[X], te [Z], eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2010 een aanslag (aanslagnummer [000].H.06) inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.607. Tevens is bij beschikking € 33 aan heffingsrente in rekening gebracht. Hierbij is impliciet het bedrag van de niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek (hierna: het restant persoonsgebonden aftrek) vastgesteld op nihil.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 april 2014 de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 30 mei 2014, ontvangen door de rechtbank op 2 juni 2014, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2014.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde].

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is geboren op [1979]. In 2010 is eiser begonnen met een opleiding tot verkeersvlieger.

2. Eiser heeft voor het jaar 2010 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. In de aangifte heeft eiser onder meer scholingsuitgaven opgevoerd ten bedrage van € 101.404 (exclusief de drempel van € 500).

3. Bij de aanslagregeling is verweerder van de aangifte van eiser afgeweken. Verweerder heeft van het door eiser aangegeven bedrag aan scholingsuitgaven een bedrag van € 15.000 (exclusief de drempel van € 500) in aanmerking genomen.

Geschil

4. In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslag en het restant persoonsgebonden aftrek op het juiste bedrag zijn vastgesteld. Meer in bijzonder is in geschil of sprake is van leeftijdsdiscriminatie indien verweerder het bedrag aan scholingsuitgaven maximeert tot € 15.000 (exclusief de drempel van € 500). Voorts is in geschil of verweerder de drempel van € 500 juist heeft toegepast.

5. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de regeling van artikel 6.30 Wet IB 2001 een op grond van artikel 1 in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en artikel 2 in samenhang gelezen met artikel 26 van het Internationaal Verdrag voor Burgerlijke en Politieke Rechten (hierna: IVBPR) verboden onderscheid maakt tussen belastingplichtigen die ouder en die jonger zijn dan 30 jaar. Daarnaast heeft eiser gesteld dat aangezien de staatssecretaris van Financiën bij besluit van 21 januari 2010, nr. DGB2010/372M, Stcrt. 2010, 1307 (hierna: het Besluit), de leeftijdsgrens van achttien jaar heeft verlaagd, dit ook heeft te gelden ten aanzien van belastingplichtigen zoals eiser die ouder zijn dan 30 jaar. Ten slotte stelt eiser zich op het standpunt dat de door de wetgever gegeven onderbouwing van de leeftijdsgrens, te weten de verwijzing naar de Wet studiefinanciering 2000, in dit geval niet voldoet aangezien eiser een studie volgt waarvoor hij niet in aanmerking komt voor studiefinanciering.

6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel de aanslag als het restant persoonsgebonden aftrek op het juiste bedrag zijn vastgesteld.

Beoordeling van het geschil

Wettelijk kader en beleid

7. Ingevolge artikel 6.30, eerste lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2010) komen scholingsuitgaven voor aftrek in aanmerking voor zover het gezamenlijke bedrag hoger is dan € 500 en, buiten de standaardstudieperiode, vervolgens niet tot een hoger gezamenlijk bedrag dan € 15.000. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat de standaardstudieperiode is de door de belastingplichtige aan te geven periode van niet meer dan zestien kalenderkwartalen waarin hij na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar maar voor het bereiken van de leeftijd van 30 jaar de voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels besteedt aan een opleiding met een totale studielast van een zodanige omvang dat daarnaast geen volledige werkkring mogelijk is.

8. Bij het Besluit heeft de staatssecretaris van Financiën met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen goedgekeurd dat een belastingplichtige, indien hij bij de aanvang van de studie de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, in afwijking van artikel 6.30 van de Wet IB 2001 gebruik kan maken van de standaardstudieperiode vanaf het moment dat hij de studie aanvangt.

Strijd met internationale verdragen?

9. Op grond van artikel 120 van de Grondwet en artikel 11 van de Wet algemene bepalingen staat het de rechter niet vrij om wetgeving in formele zin te toetsen op haar grondwettigheid, dan wel de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te toetsen. De rechter kan een wet in formele zin slechts (gedeeltelijk) buiten toepassing verklaren indien en voor zover deze onmiskenbaar onverbindend is wegens strijd met het unierecht of met een ieder verbindende bepalingen van een verdrag. In dit geval zou artikel 6.30 van de Wet IB 2001 (gedeeltelijk) buiten toepassing kunnen worden verklaard indien sprake is van strijd met de discriminatieverboden van artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR.

10. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een met deze artikelen verboden ongelijke behandeling, moet worden vooropgesteld dat niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen is verboden, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Volgens vaste jurisprudentie (zie onder andere Hoge Raad 10 augustus 2007, nr. 41 000, ECLI:NL:HR:2007:AZ4768) komt op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of voor de toepassing van artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond ontbloot is.

11. Naar het oordeel van de rechtbank is van een ongeoorloofde discriminatie als door eiser bedoeld geen sprake. Daartoe overweegt de rechtbank dat de wetgever met de leeftijdsgrens van 30 jaar in artikel 6.30, derde lid, van de Wet IB 2001 aansluiting heeft gezocht bij de Wet Studiefinanciering 2000 (Kamerstukken II 2000/01, 27466, nr. 3, p. 71). Blijkens de Memorie van Toelichting bij de Wet Studiefinanciering 2000 is het stelsel van studiefinanciering een stelsel dat jonge mensen in staat moet stellen om een initiële opleiding te voltooien. Boven de 30 jaar is er sprake van een individuele verantwoordelijkheid (Kamerstukken II 1999/2000, 26873, nr. 3, p. 9).

12. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een objectieve en redelijke rechtvaardiging, zodat zowel in artikel 6.30 van de Wet IB 2001 als in het Besluit geen sprake is van ongeoorloofde discriminatie. Dat de studie van eiser sowieso niet onder de Wet Studiefinanciering 2000 valt, zoals eiser heeft gesteld en daarmee volgens hem de door de wetgever aan het derde lid van artikel 6.30 van de Wet IB 2001 ten grondslag gelegde motivering niet opgaat, maakt dit niet anders omdat dat niet wegneemt dat sprake is van een objectieve en redelijke rechtvaardiging, waarbij het oordeel van de wetgever dient te worden geëerbiedigd aangezien niet kan worden gezegd dat deze rechtvaardiging van redelijke grond ontbloot is.

13. De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn stelling dat de staatssecretaris van Financiën niet bevoegd is tot vaststelling van het Besluit. Op grond van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is de staatssecretaris bevoegd voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, welke zich bij de toepassing van de belastingwet mochten voordoen. Naar het oordeel van de rechtbank is de staatssecretaris van Financiën met het Besluit binnen zijn bevoegdheid gebleven en heeft hij voor belastingplichtigen die bij de aanvang van de studie de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt mogen besluiten dat onverkorte toepassing van artikel 6.30, derde lid, van de Wet IB 2001 voor deze groep van personen onbillijk zou uitpakken.

Toepassing drempel

14. In de parlementaire behandeling bij de totstandkoming van artikel 6.30 Wet IB 2001 (destijds artikel 6.7.4) is het volgende opgenomen (Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 264):

“In artikel 6.7.4, eerste lid, is een drempel opgenomen van € 500. In de regeling is een maximum aan de aftrek verbonden van € 5.000 om zeer hoge aftrekken te voorkomen. Gezien de ‘onderdrempel’ van € 500 wordt de maximumaftrek bereikt bij scholingsuitgaven van € 5500.ˮ

Bij amendement is de maximale aftrek verhoogd van € 5.000 naar € 15.000 (Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 109):

“Met dit amendement wordt bereikt dat de maximale aftrek volgens de regeling voor scholingsuitgaven wordt verhoogd van € 5000 tot € 15 000. Het is maatschappelijk gewenst dat het volgen van (gespecialiseerde) opleidingen, ook als de kosten relatief hoog zijn, wordt bevorderd.”

15. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiser een bedrag van € 15.000 als scholingsuitgaven in aftrek kan brengen, aangezien de scholingsuitgaven meer dan € 15.500 belopen. Het andersluidende standpunt van verweerder moet, gelet op de tekst van de wet en de toelichting in de parlementaire geschiedenis, worden verworpen.

16. Nu eiser geen afzonderlijke gronden tegen de beschikking heffingsrente heeft aangevoerd, zal de in rekening gebrachte heffingrente dienen te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag.

17. Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

18. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.217 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt € 243, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1). Eiser heeft gesteld dat een wegingsfactor 2 moet worden toegepast. De rechtbank ziet geen aanleiding voor toepassing van een factor 2, omdat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een zeer zware zaak als bedoeld in het Bpb. Voor zover de stelling van eiser aldus moet worden begrepen dat hij zich beroept op artikel 2, derde lid, van het Bpb heeft het volgende te gelden. Voor een hogere dan forfaitaire vergoeding is plaats ingeval een bestuursorgaan een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in de daartegen ingestelde procedure geen stand zal zouden (zie Hoge Raad 13 april 2007, nr. 41 235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Daarvoor kan ook aanleiding zijn indien verweerder in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (vergelijk Hoge Raad 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). Zodanige bijzondere omstandigheden zijn in dit geval niet aan de orde. Voor de overige door eiser genoemde proceskosten, te weten reis- en verblijfskosten en verletkosten wordt verweerder, eveneens met toepassing van het Bpb, veroordeeld deze te vergoeden tot een bedrag van € 170,40 (€ 20,40 reiskosten op basis van tweede klas openbaar vervoer en verletkosten van € 150, zijnde 3 uur, reistijd [Z]-Arnhem en v.v. en bijwonen zitting, tegen een tarief van

€ 50).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.107;

- vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.387,40;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 45 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. M.J.C. Pieterse, rechter, in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 6 januari 2014

griffier

rechter

De griffier is buiten staat om deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.