Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:1904

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-03-2015
Datum publicatie
01-04-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 6264
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Publicatie op verzoek, geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/733
V-N 2015/26.11.11
Belastingadvies 2015/13.3
FutD 2015-0861
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 14/6264

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 24 maart 2015

in de zaak tussen

[X], te [Z], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Groningen, verweerder.

Procesverloop

Bij beschikking van 28 januari 2014 heeft verweerder aan eiseres voor het jaar 2014 een verklaring arbeidsrelatie loon uit dienstbetrekking (hierna ook: var loon) afgegeven.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 juli 2014 de beschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 26 augustus 2014, ontvangen door de rechtbank op 27 augustus 2014, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en mr. [A].

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres verricht kraamzorgwerkzaamheden. Eiseres staat sinds 6 mei 2013 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.

2. Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2013 een verklaring arbeidsrelatie winst uit onderneming (hierna ook: var wuo) afgegeven met betrekking tot het leveren van kraamzorg.

3. Bij beschikking van 28 januari 2014 heeft verweerder aan eiseres voor het jaar 2014 een var loon afgegeven met betrekking tot het leveren van kraamzorg.

4. Bij beschikking van 28 juli 2014 heeft verweerder aan eiseres een var wuo afgegeven met betrekking tot AWBZ zorg die eiseres verleent rechtstreeks zonder tussenkomst van zorgaanbieders.

5. In 2014 heeft eiseres via vier kraamzorgaanbieders kraamzorg verleend, namelijk [B] BV te [Q], [C] te [R], [D] ([E] BV) te [S] en [F] BV te [T]. Deze instellingen zijn als toegelaten aanbieders in het kader van de Wet toelating zorginstellingen (hierna: WTZi) aangemerkt (hierna ook: de instellingen).

6. Tot de stukken van het geding behoren afschriften van overeenkomsten die eiseres heeft gesloten met [B] BV, [E] BV en [F] BV.

7. Vanaf 1 oktober 2012 kunnen ook natuurlijke personen (zzp’ers) voor het leveren van AWBZ-zorg in natura, in het kader van een pilot en onder specifiek daarvoor opgestelde voorwaarden, rechtstreeks een contract afsluiten met een zorgkantoor.

8. Eiseres heeft een beroepsaansprakelijkheidsverzekering afgesloten.

Geschil

9. In geschil is of eiseres recht heeft op een beschikking var wuo met betrekking tot de kraamzorgwerkzaamheden die zij verricht voor of via een kraamzorgaanbieder. Voorts is in geschil of eiseres in aanmerking komt voor een schadevergoeding en een (boven)forfaitaire vergoeding van de proceskosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep heeft gemaakt.

Beoordeling van het geschil

Algemeen

10. De vraag of de inkomsten van eiseres uit de kraamzorgwerkzaamheden als winst uit onderneming dienen te worden aangemerkt, kan slechts bevestigend worden beantwoord, indien eiseres onder eigen naam, voor eigen verantwoordelijkheid en voor eigen risico heeft gehandeld.

11. Bij de beoordeling van de vraag die partijen verdeeld houdt stelt de rechtbank voorop dat de omstandigheid dat het eiseres in het kader van de AWBZ niet zou zijn toegestaan rechtstreeks aan de zorgvragers (kraam)zorg in natura te verlenen, omdat zulks slechts via toegelaten zorgaanbieders – de instellingen – dient te geschieden die verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van de verleende zorg, niet aan het fiscale ondernemerschap van eiseres in de weg hoeft te staan. Het gaat in dit verband erom of eiseres voldoende zelfstandigheid bezit ten opzichte van haar opdrachtgevers, zijnde de instellingen (vgl. onder meer HR 21 april 1993, nr. 28 257, ECLI:NL:HR:1993:ZC5331 en Hof Arnhem-Leeuwarden, nr. 14/00206, ECLI:NL:GHARL:2014:7283).

12. De omstandigheid dat, naar verweerder stelt, de instellingen als toegelaten zorgaanbieders verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van de te verlenen zorg, hoeft de conclusie dat eiseres ten opzichte van de instellingen voldoende zelfstandig is, niet in de weg te staan. Evenmin wordt die conclusie verhinderd door de omstandigheid dat eiseres is gehouden binnen door de instellingen bepaalde kaders haar werkzaamheden te verrichten.

[F] BV

13. Met betrekking tot de op 28 juli 2014 afgegeven var wuo heeft verweerder ter zitting verklaard dat deze verklaring is afgegeven voor de (kraam)zorg die eiseres rechtstreeks, dus zonder tussenkomst van een zorgkantoor, verleent aan de zorgafnemers (gezinnen). Ter zitting heeft verweerder verklaard dat deze var wuo, gelet op de rechtstreeks verleende zorg, van toepassing is op de kraamzorgwerkzaamheden die eiseres via [F] BV verleent. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat niet in geschil is dat de var wuo terecht is afgegeven voor de rechtstreeks aan zorgafnemers verleende kraamzorg via [F].

[B] BV, [C] en [D] ([E] BV)

14. Voor de overige door eiseres verrichte werkzaamheden is naar het oordeel van de rechtbank door verweerder terecht een var loon afgegeven. De rechtbank is van oordeel dat eiseres met hetgeen zij heeft aangevoerd, niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van – voor het ondernemerschap vereiste – zelfstandigheid van eiseres en ondernemersrisico. Hiertoe heeft de rechtbank met name in aanmerking genomen dat gesteld noch gebleken is dat eiseres een overeenkomst heeft gesloten met de degene die de (uiteindelijke) zorg behoeft. Ook brengen de instellingen doorgaans de zorgafnemers aan. Dat eiseres niet is gehouden aangeboden werk te aanvaarden, leidt (nog) niet tot de conclusie dat sprake is van ondernemerschap. Ook een oproep-/uitzendkracht is niet gehouden aangeboden werk te aanvaarden. Voorts meldt eiseres zich bij ziekte of vakantie af bij de instelling en regelt de instelling vervanging uit een poule van collega’s. Dat eiseres geen inkomsten heeft wanneer zij wegens ziekte of het uitblijven van werkaanbod geen werkzaamheden verricht maakt haar geen ondernemer, aangezien ook een oproep-/uitzendkracht een dergelijk financieel risico loopt. Eiseres heeft ook geen facturen of andere bewijsstukken overgelegd waaruit is af te leiden dat zij zelf in het onderhavige jaar een (debiteuren)risico loopt en zij de werkzaamheden voor eigen rekening en risico heeft verricht. Ook de omstandigheid dat eiseres in zekere mate over haar tarief onderhandelt, leidt niet tot de gevolgtrekking dat zij als ondernemer kwalificeert. Ook werknemers kunnen met hun werkgever onderhandelen over de vergoeding voor te verrichten werkzaamheden. Voorts stellen de instellingen doorgaans een zorgplan op en eiseres wordt geacht naar dit zorgplan te handelen. Dat eiseres ten dele naar eigen inzicht zorghandelingen verricht zonder dat daarop ter plekke toezicht wordt gehouden, is inherent aan de werkzaamheden en specifieke bekwaamheden van eiseres en is niet in betekenende mate anders dan bij individueel werkende zorgverleners in dienstbetrekking. Uit het voorgaande volgt dat van ondernemerschap geen sprake is. Dat eiseres een beroepsaansprakelijkheidsverzekering heeft afgesloten, maakt dit niet anders. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij een verdergaande aansprakelijkheid heeft dan zorgverleners in dienstbetrekking.

Schadevergoeding

15. Eiseres heeft verzocht om een schadevergoeding. Eiseres stelt in dat verband dat de schade bestaat uit omzetverlies. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding bestaat verweerder te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding, reeds omdat geen onrechtmatig handelen aan de zijde van verweerder kan worden vastgesteld.

Tot slot

16. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

17. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.W.H. van Brandenburg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 24 maart 2015

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.