Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:1853

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-03-2015
Datum publicatie
19-03-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 6179
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:2939, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag. Door overname parkeerkaartje is verschuldigde parkeerbelasting niet voldaan.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet
Gemeentewet 225
Gemeentewet 234
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/615
Belastingblad 2015/183 met annotatie van M.P. van der Burg
FutD 2015-0761
JG 2015/28 met annotatie van mr. J.D.C. de Jong
NTFR 2015/1230 met annotatie van Mr. M.P. van der Burg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 14/6179

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 19 maart 2015

in de zaak tussen

[X], te [Z], eiseres,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Nijmegen, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres op 22 maart 2014 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000]) parkeerbelasting opgelegd, ten bedrage van € 60,50 (parkeerbelasting
€ 2,50 en kosten naheffingsaanslag € 58).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 augustus 2014 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 22 augustus 2014, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2015.

Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door [gemachtigde]. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde].

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Overwegingen

Feiten

1. Op 22 maart 2014 om 15:54 uur stond het voertuig van eiseres, een personenauto van het merk Dacia, met kenteken [00-AAA-1], geparkeerd op [A-straat 1] te [Q]. De desbetreffende locatie is door het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Nijmegen aangewezen als een plaats waar onder meer op dat tijdstip uitsluitend mag worden geparkeerd na betaling van parkeerbelasting. Eiseres heeft gebruik gemaakt van een parkeerkaartje dat haar door een derde ter overname werd aangeboden. De betaalde belasting bedraagt volgens dit kaartje € 1,00. Op dit kaartje is vermeld: “Alleen geldig in combinatie met een bezoekersvergunning”. Eiseres beschikte tijdens het parkeren niet over een bezoekersvergunning. Ter zake van het door eiseres gebruikte kaartje was niet het reguliere tarief van € 2,50, maar het verlaagde tarief voor gebruikers van een bezoekersvergunning betaald (hierna: het bezoekerstarief).

2. Tijdens de controle op de hiervoor genoemde datum, tijdstip en plaats is door de dienstdoende parkeercontroleur geconstateerd dat in het voertuig van eiseres een parkeerkaartje met bezoekerstarief aanwezig was, maar geen bezoekersvergunning. In verband daarmee heeft verweerder een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van
€ 60,50.

Geschil

3. In geschil is of verweerder terecht aan eiseres de onderhavige naheffingsaanslag heeft opgelegd.

Beoordeling van het geschil

4. Ingevolgde artikel 234, eerste lid, van de Gemeentewet wordt parkeerbelasting, bedoeld in artikel 225, eerste lid, onder a, van die wet geheven bij wege van voldoening op aangifte dan wel op andere wijze.

5. Ingevolge artikel 234, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet, wordt als het op aangifte voldoen van parkeerbelasting uitsluitend aangemerkt: het bij aanvang van het parkeren in werking stellen van een parkeermeter of parkeerautomaat op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften. De raad van de gemeente Nijmegen heeft in de Verordening parkeerbelasting 2014 (hierna: de Verordening) uitvoering gegeven aan de hiervoor genoemde bepaling in de Gemeentewet.

6. Op grond van artikel 2, aanhef en onder b, van de Verordening wordt onder de naam “parkeerbelasting” onder meer belasting geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens, deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze.

7. Op grond van artikel 6, tweede lid, van de Verordening wordt de parkeerbelasting geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren.

8. In artikel II, onderdeel A, van de tarieventabel behorende bij de Verordening is bepaald dat ter plaatse ([A-straat 1]) een tarief geldt van € 2,50 per uur. In artikel II, onderdeel I, van de tarieventabel is een verlaagd tarief vermeld voor parkeren met een bezoekersvergunning. Artikel 8 van de Verordening bepaalt dat de kosten van de naheffingsaanslag € 58 bedragen.

9. Tussen partijen is niet in geschil dat ter zake van het parkeren, gezien het tijdstip en de plaats van het parkeren, parkeerbelasting was verschuldigd.

10. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij rechtsgeldig gebruik heeft gemaakt van de resterende parkeerduur van het door haar overgenomen parkeerkaartje. Daarnaast is het volgens eiseres niet toegestaan onderscheid in tarief te maken tussen parkeren met en parkeren zonder bezoekersvergunning en stelt eiseres dat deze tariefdifferentiatie voor degenen die ter plaatse willen parkeren onvoldoende kenbaar is. Verweerder neemt het standpunt in dat eiseres, door niet zelf de verschuldigde belasting te betalen, maar gebruik te maken van een door een andere persoon (hierna: de eerste parkeerder) eerder gebruikt parkeerkaartje, in het geheel geen parkeerbelasting heeft voldaan; ook niet tegen het bezoekerstarief. Volgens verweerder is daarom alleen op die grond al de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Verweerder stelt zich daarnaast op het standpunt dat het is toegestaan onderscheid te maken tussen parkeren met en zonder bezoekersvergunning en dat deze tariefdifferentiatie voor degenen die willen parkeren ter plaatse voldoende kenbaar is gemaakt.

11. De rechtbank zal eerst het meest vergaande standpunt van verweerder behandelen, te weten dat het gebruik maken van een “overgenomen” parkeerkaartje niet kan worden aangemerkt als de voldoening van verschuldigde parkeerbelasting. De rechtbank overweegt dat uit artikel 2, letter b, van de Verordening (overeenkomstig artikel 225, lid 1, letter a van de Gemeentewet) volgt dat de belasting wordt geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze en dat uit artikel 3 van de Verordening volgt dat de belasting wordt geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd. Hieruit volgt dat elk parkeren van een voertuig moet worden aangemerkt als een afzonderlijk belastbaar feit. Dit belastbaar feit heeft zich dus zowel voorgedaan ten aanzien van de eerste parkeerder toen deze zijn voertuig parkeerde, als ten aanzien van eiseres toen deze daarna haar eigen voertuig parkeerde. Voor beide belastbare feiten is afzonderlijk parkeerbelasting verschuldigd. De omstandigheid dat in de Verordening geen mogelijkheid is geboden restitutie te krijgen voor het gedeelte van de tijd waarin geen gebruik gemaakt wordt van een parkeerplaats waarvoor bij aanvang van het parkeren de te parkeren tijd te ruim is geschat en parkeerbelasting is voldaan, doet hier niet aan af. Deze keuze van de gemeentelijke wetgever raakt slechts de positie van de eerste parkeerder die de door hem verschuldigde belasting heeft voldaan, maar niet die van een andere parkeerder zoals eiseres. Dit leidt naar het oordeel van de rechtbank ook niet tot een willekeurige of onredelijke belastingheffing.

12. De conclusie luidt dat eiseres voor het parkeren van haar voertuig belasting was verschuldigd en dat verweerder ter zake terecht een naheffingsaanslag heeft opgelegd omdat eiseres de verschuldigde belasting niet heeft voldaan. De overige grieven van eiseres met betrekking tot de gerechtvaardigdheid van tariefdifferentiatie tussen parkeren met en zonder bezoekersvergunning en de kenbaarheid daarvan, behoeven daarom geen behandeling meer.

13. Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Wel ziet de rechtbank aanleiding verweerder te gelasten het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden. Eiseres heeft terecht aangevoerd dat verweerder in zijn uitspraak op bezwaar in het geheel niet is ingegaan op haar grief dat de tariefdifferentiatie voor haar niet kenbaar was. Tevens acht de rechtbank vergoeding van griffierechten op zijn plaats omdat verweerder pas in beroep het (thans door de rechtbank gehonoreerde) standpunt heeft ingenomen dat bij het gebruik maken van een overgenomen parkeerkaartje geen sprake is van het betalen van belasting.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- gelast verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 45 te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Amsterdam, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. M. van Leeuwen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 19 maart 2015

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.