Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:1804

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-01-2015
Datum publicatie
17-03-2015
Zaaknummer
264995
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Perikelen rondom beëindiging VOF;

Ontvlechting activa/passiva boerenbedrijf.

Geen recht op arbeidsvergoeding uit VOF naast de in de vennootschapsakte opgenomen winstverdeling, nu van een overeenstemming daarover tussen de vennoten niet is gebleken.

Feit dat arbeidsvergoeding telkens is opgenomen in jaarstukken VOF onvoldoende om overeenstemming aan te nemen, nu deze jaarstukken niet door beide vennoten zijn ondertekend zoals de vennootschapsakte voorschrijft.

Pachtovereenkomst met betrekking tot landbouwgrond die in gebruik is bij de VOF?

Recht op rente over debetsaldi van de kapitaalrekening aangenomen omdat venootschapsakte eveneens vergoeding rente over positief saldo regelt.

Concurrentie beding over en weer geschonden?

Opbrengsten van de VOF ten onrechte naar privé rekening van een der vennoten; onttrekking van gelden van de vennootschap door andere vennoot biedt daarvoor geen rechtvaardiging.

Rechtbank verwijst de zaak naar de rol zodat partijen zich naar aanleidng van de tussenbeslissinggen kunnen uitlaten teneinde een vereffening te bespoedigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/452
OR-Updates.nl 2015-0129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/264995 / HA ZA 14-300

Vonnis van 28 januari 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Lunteren,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. W. Kok te Barneveld,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Wekerom,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. R.A. Wolleswinkel te Barneveld.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 30 juli 2014

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 1 oktober 2014

  • -

    de uitlatingen voortprocederen van partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn huidige vennoten van de vennootschap onder firma [bedrijf]; een derde vennoot,[naam], is in 2004 uitgetreden. De vennootschapsakte van 14 november 1985 vermeldt als doel van de in 1979 opgerichte v.o.f. het uitoefenen van een bedrijf voor rundveehouderij.

2.2.

De vennootschapsakte luidt onder meer als volgt.

Artikel 3 lid 2:

Ieder der vennoten heeft het recht de vennootschap door opzegging te doen beëindigen, mits zulks geschiedt bij aangetekend schrijven aan de andere vennoot, met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste zes kalendermaanden en niet anders dan tegen het einde van een kalender maand; ingeval van arbeidsongeschiktheid van een vennoot kan de vennootschap aan deze vennoot eerst worden opgezegd indien die arbeidsongeschiktheid tenminste 18 maanden heeft geduurd.

Artikel 7 lid 1

Het is ieder der vennoten tijdens de duur der vennootschap zonder schriftelijke toestemming van de andere vennoot verboden direct of indirect voor eigen rekening of voor rekening van anderen of voor gezamenlijke rekening met anderen buiten de vennootschap om handel te drijven of deel te nemen aan de oprichting of exploitatie van enige andere zaak, of bij zodanig zaak rechtstreeks of zijdelings betrokken te zijn, daarin of daarvoor werkzaam te zijn, hetzij met, hetzij zonder geldelijke vergoeding, of anderen daarin of daarvoor voor hem direct of indirect te doen werkzaam zijn.

Artikel 7 lid 2

De vennoot die enige bepaling van het vorig lid overtreedt, verbeurt ten behoeve van de andere vennoot een boete van f 1.000,-- voor elke overtreding òf voor iedere dag dat een overtreding voortduurt (…).

Artikel 8 lid 2

Na afloop van ieder boekjaar worden de boeken der vennootschap afgesloten en daaruit binnen vijf maanden nadien een balans en winst- en verliesrekening over dat boekjaar opgemaakt, welke stukken – ten bewijze van hun goedkeuring en van wederzijdse décharge – door de beide vennoten zullen worden ondertekend binnen zes maanden na afloop van het boekjaar.

Artikel 8 lid 3

Indien een vennoot gedurende een termijn van één maand, nadat hij daartoe door de andere vennoot schriftelijk zal zijn aangemaand, in gebreke is gebleven de in het vorige lid bedoelde ondertekening te doen geschieden, zal, tenzij hij binnen voornoemde termijn zijn bezwaren aan de andere vennoot schriftelijk heeft kenbaar gemaakt, de ondertekening door de andere vennoot voor hen beiden bindend zijn.

Artikel 9 lid 1

Het blijkens de jaarstukken behaalde vennootschapsresultaat wordt nog gecorrigeerd met:

een aan iedere vennoot toekomende rente over het creditsaldo van zijn kapitaalrekening (…).

Artikel 9 lid 2

Hetgeen daarna overblijft wordt, als volgt door de vennoten genoten en gedragen: vennoot sub 1 33 1/3%, vennoot sub 2 33 1/3%, vennoot sub 3 33 1/3%.

Artikel 11 lid 1 aanhef en onder b:

De vennootschap eindigt (…) door opzegging aan de andere vennoot wegens diens langdurige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 3 lid 2 slot; in dat geval heeft de gezonde vennoot het recht tot voortzetting als bedoeld in het volgende lid;

Artikel 11 lid 2:

Een voortzettend vennoot heeft het recht om – onder gehoudenheid alle passiva der vennootschap voor zijn rekening te nemen – de zaken der vennootschap alleen of met anderen voort te zetten, mits hij zijn verlangen daartoe bij aangetekend schrijven aan de gewezen vennoot, diens erven en/of rechtverkrijgenden binnen drie maanden na beëindiging der vennootschap te kennen geeft; indien de vennoot als gevolg van overmacht zijn wil niet kan uiten, vangt die termijn eerst aan bij het einde van de overmacht (…).

Artikel 11 lid 3:

Door het doen kennen van zijn verlangen als in het vorige lid bedoeld, zullen alle op het tijdstip van eindigen der vennootschap aan haar toebehorende zaken van rechtswege in eigendom verblijven aan de vennoot die aldus de zaken der vennootschap wenst voort te zetten, terwijl de gewezen vennoot (…) verplicht is (…) alle medewerking te verlenen voor de wijziging in de tenaamstelling van tot het bedrijfsvermogen behorende goederen die (mede) op zijn naam staan; alsdan is die vennoot gerechtigd de firmanaam te blijven voeren en kan de liquidatie van de zaken der vennootschap niet worden gevorderd.

Artikel 12 lid 1:

Bij het eindigen der vennootschap is ieder der vennoten in het vermogen der vennootschap gerechtigd voor het bedrag waarvoor hij – na winstverdeling over het laatste boekjaar – op zijn kapitaalrekening is gecrediteerd blijkens de balans per de datum van beëindiging van de vennootschap.

Artikel 12 lid 2:

Op deze na beëindiging der vennootschap op te maken balans, die slechts dient als afrekeningsbasis bij liquidatie en als betalingsbasis bij voortzetting van het bedrijf als bedoeld in artikel 11 lid 2, zullen de activa der vennootschap worden gewaardeerd op de wijze als is voorgeschreven voor boedelscheidingen waarbij minderjarigen betrokken zijn; het in artikel 8 lid 2, 3 en 4 bepaalde (betreffende het opmaken van jaarstukken, de rechtbank) is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12 lid 4:

De liquidatiewinst of het liquidatieverlies zal door ieder der vennoten worden genoten of gedragen als in artikel 9 lid 2 is aangegeven (verdeling in gelijke delen per vennoot, de rechtbank), echter na toepassing van het in artikel 4 lid 2 bedoelde voorbehoud (op stille reserves ten aanzien van onroerende zaken, de rechtbank) ten behoeve van [[gedaagde]].

Artikel 17:

Bij overtreding van één of meer bepalingen dezer overeenkomst zal de overtredende partij door het enkele feit van de overtreding in gebreke zijn, zonder dat daartoe enige sommatie of ingebrekestelling zal zijn vereist.

2.3.

De v.o.f. hield zich vanaf 1986 met de opfok van meststieren bezig. De stierenstal is vanaf 2002 door [eiser] omgebouwd voor de melkgeitenhouderij. [gedaagde], die geboren is in 1928, heeft zich vanaf deze tijd niet meer persoonlijk met het bedrijf en de bedrijfsvoering beziggehouden.

2.4.

Bij aangetekende brief van de advocaat van [eiser] d.d. 24 maart 2014 is de v.o.f. onder verwijzing naar art. 3 lid 2 van de vennootschapsakte per 1 oktober 2014 opgezegd aan [gedaagde] Daarbij is meegedeeld dat [eiser] de v.o.f. voortzet en aangekondigd dat een voorstel tot financiële afwikkeling zal volgen.

2.5.

Bij brief van 28 maart 2014 van de advocaat van [gedaagde] wordt de v.o.f. onder verwijzing naar art. 17 van de vennootschapsakte buitengerechtelijk ontbonden op grond van tekortkomingen van [eiser] In het bijzonder zou deze een groot aantal beslissingen hebben genomen die de vennootschappelijk toelaatbare f 5.000,00 te boven gingen, een aantal handelingen buiten het doel van de v.o.f. hebben verricht zoals de oprichting van de ‘Jowiszolder’ en daarmee ook het concurrentiebeding uit de vennootschapsovereenkomst hebben overtreden. Ook zou hij zichzelf en zijn echtgenote een arbeidsvergoeding hebben toegekend zonder contractuele grondslag.

3 Het geschil in conventie en in reconventie

3.1.

[eiser] vordert in conventie – samengevat:

  1. een verklaring voor recht dat de v.o.f. is geëindigd per 1 januari 2014 dan wel per 1 oktober 2014,

  2. een verklaring voor recht dat [eiser] is gerechtigd tot voortzetting van de onderneming,

  3. primair een verklaring voor recht dat [gedaagde] in verband met de beëindiging en de voortzetting € 221.596,00 dient te betalen aan [eiser], subsidiair benoeming van een deskundige die het te betalen bedrag vaststelt,

  4. veroordeling van [gedaagde] om zich bij het handelsregister te laten uitschrijven als vennoot van de v.o.f. op verbeurte van een dwangsom,

  5. veroordeling van [gedaagde] om op verbeurte van een dwangsom mee te werken aan overdracht van de op naam van de v.o.f. staande zaken aan [eiser],

  6. een en ander vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

[eiser] stelt overeenkomstig de bepalingen van de vennootschapsakte deugdelijk te hebben opgezegd op grond van arbeidsongeschiktheid van [gedaagde] sedert 2002 en zich terecht op de mogelijkheid van voortzetting te beroepen. Hij komt in een opstelling tot € 497.805,00 aan activa van de v.o.f. en € 607.059,00 aan passiva. Verschillen van taxaties ten opzichte van de boekwaarde van de onroerende zaken dienen gelijkelijk tussen partijen verdeeld te worden, stelt [eiser]. [gedaagde], die per 31 december 2013 een negatief eigen vermogen had van € 332.219,00, dient per saldo het gevorderde bedrag te voldoen aan de v.o.f./[eiser]

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Daarbij voert hij onder meer aan dat de arbeidsvergoeding die [eiser] aan zich en zijn vrouw heeft toegekend, niet overeengekomen was.

3.4.

De gronden die [gedaagde] voor zijn verweer aanvoert, vormen tevens de grondslag van zijn vordering in reconventie. [gedaagde] vordert – samengevat

  1. primair een verklaring voor recht dat de v.o.f. is ontbonden door de buitengerechtelijke ontbinding van 28 maart 2014, subsidiair ontbinding van de v.o.f. op grond van een tekortkoming van [eiser],

  2. een verklaring voor recht dat [eiser] geen recht meer heeft om de 12 hectare landbouwgrond waarvan het gebruik door [gedaagde] tegen betaling aan de v.o.f. is gelaten, te gebruiken en dat hij dit gebruik dient te beëindigen,

  3. een verklaring voor recht dat de salaristoekenningen aan [gedaagde] en zijn vrouw niet rechtsgeldig zijn,

  4. een verklaring voor recht dat de boete ter zake van het concurrentiebeding terecht is aangezegd en maximering van deze boete,

  5. bepaling van de goodwill op € 125.000,00 als [eiser] het bedrijf van de v.o.f. met de ondergrond en zonder de hierboven bedoelde 12 hectare landbouwgrond voortzet,

  6. benoeming van een deskundige om onderzoek te doen naar een aantal in de conclusie van eis in reconventie bedoelde onderwerpen,

een en ander vermeerderd met rente en kosten.

3.5.

[eiser] voert verweer. Op de stellingen van partijen zal de rechtbank hierna, voor zover van belang, nader ingaan.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.

Ter zitting hebben partijen, zonder dat zij overigens een van hun andere stellingen hebben laten varen, na overleg uitgesproken dat uitgangspunt dient te zijn dat de v.o.f. ontbonden is per 31 december 2013. De in conventie gevorderde verklaring voor recht dat de v.o.f. is geëindigd per 1 januari 2014 is toewijsbaar op grond van deze overeenstemming tussen partijen. In reconventie staat deze in de weg aan toewijzing van de verklaring voor recht dat de v.o.f. is ontbonden door de buitengerechtelijke ontbinding van 28 maart 2014 en de subsidiair gevorderde ontbinding van de v.o.f..

4.2.

Beide partijen zijn, zo is ter comparitie gebleken, van mening dat [eiser] de onderneming van de v.o.f. zou moeten voortzetten. In zoverre is ook de verklaring voor recht dat [eiser] is gerechtigd tot voortzetting van de onderneming toewijsbaar. Het antwoord op de vraag of hij daartoe, gelet op de over en weer bestaande verplichtingen, de middelen heeft, staat hier los van. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de vorderingen tot veroordeling van [gedaagde] om zich bij het handelsregister te laten uitschrijven als vennoot van de v.o.f. en mee te werken aan overdracht van op naam van de v.o.f. staande zaken aan [eiser] De beslissingen hierover zullen worden aangehouden totdat beslist is op de overige onderdelen van de vorderingen.

4.3.

Rest wat betreft de vorderingen in conventie, het onder 3.1 als onderdeel 3 van de vorderingen in conventie genoemde: primair een verklaring voor recht dat [gedaagde] in verband met de beëindiging en de voortzetting € 221.596,00 dient te betalen aan [eiser], subsidiair benoeming van een deskundige die het te betalen bedrag vaststelt.

4.4.

Partijen worden in het bijzonder verdeeld gehouden door de vraag of ervan uitgegaan mag worden dat naast de winstgerechtigdheid die vastligt in de vennootschapsakte, [eiser] een arbeidsvergoeding uit de v.o.f. mocht worden toegekend. In conventie wordt door [eiser] gesteld dat al voor 1995 overeengekomen is dat hij een arbeidsvergoeding ontvangt voordat tot winstdeling naar gelijke delen wordt overgegaan. In reconventie vordert [gedaagde] een verklaring voor recht dat de salaristoekenningen aan [gedaagde] en zijn vrouw niet rechtsgeldig zijn.

4.5.

De rechtbank stelt voorop dat toekenning van een arbeidsvergoeding uit de v.o.f. aan een van de vennoten, wat er ook zij van het wezen van deze figuur, volgens beide partijen dient te berusten op een daartoe strekkende overeenkomst tussen de vennoten en dat dit standpunt juist is. De vraag is dus of er tussen partijen overeenstemming bestond over de betaling van deze arbeidsvergoeding.

4.6.

[eiser] baseert zijn standpunt op een overeenkomst met [gedaagde] Van het sluiten van zo’n overeenkomst is niet gebleken. Desgevraagd heeft [eiser] ter comparitie de overeenkomst niet geconcretiseerd. Wel heeft hij verklaringen van familieleden overgelegd, maar deze geven hooguit aan dat zij, mogelijk van [eiser] of zijn vrouw, hebben gehoord dat [eiser] loon ontving uit de v.o.f.,, niet dat zij weten van een concrete daarop gerichte overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde]

4.7.

Buiten de verklaringen van deze familieleden is, zo is door [eiser] ter comparitie gezegd, bewijs van het bestaan van de overeenkomst te vinden in de jaarstukken. Dan gaat het dus om een overeenkomst die stilzwijgend tot stand is gekomen. Hetgeen [eiser] hiervoor aanvoert, behandelt de rechtbank nu, onder 4.8-4.17.

4.8.

[eiser] stelt dat van een arbeidsvergoeding aan hem sprake is omdat uit de jaarstukken blijkt dat deze een groot aantal jaren aan hem toegekend is zonder dat [gedaagde] hiertegen bezwaar maakte. Deze jaarstukken, waarvan [gedaagde] stelt dat hij ze nooit bekeek, zijn, in strijd met art. 8 lid 2 van de vennootschapsakte, nooit door [gedaagde] getekend en [eiser] geeft bij herhaling aan dat [gedaagde] na 1995 steeds minder en vanaf 2003 in het geheel niet meer werkzaamheden voor de v.o.f. verrichtte.

4.9.

Juist is dat de jaarstukken telkenjare de arbeidsvergoeding van [eiser] – en later die van diens vrouw – noemen. De reden hiervan is volgens [eiser], die dit ter comparitie heeft toegelicht, dat zijn vader en de derde vennoot met de boekhouder om de tafel hebben gezeten en dat daarna de afspraak regelmatig in de boekhouding is verwerkt. De aanleiding hiervoor was ‘te kijken wat een redelijke oplossing was voor degene die de meeste arbeid verrichtte’. Hier is sprake van een cirkelredenering. De vraag is immers of de afspraak die in de boekhouding verwerkt werd, bestond. Die vraag kan naar het oordeel van de rechtbank thans nog aan de orde komen, los van de vraag of de mogelijkheid nog bestaat op te komen tegen de vaststelling van de – voor een deel al oude – jaarstukken.

4.10.

Vervolgens ligt de door [eiser] bevestigend beantwoorde vraag voor of het telkens in de jaarstukken verantwoorden van de arbeidsvergoeding(en) betekent dat stilzwijgend aanvaard is door [gedaagde] – en dus overeengekomen tussen partijen – dat de arbeidsvergoedingsen uitbetaald werden.

4.11.

Nu vaststaat dat [gedaagde] de jaarstukken nooit getekend heeft, kan [eiser] er in redelijkheid niet op vertrouwen dat [gedaagde] van de inhoud ervan kennis had genomen en begrepen had dat er een arbeidsvergoeding aan [eiser] was toegekend. [gedaagde] behoefde, gelet op de in de vennootschapsakte vastgelegde winstdelings-regeling van 50/50 ook niet op een extra arbeidsvergoeding bedacht te zijn. Het voorgaande klemt temeer nu deze arbeidsvergoeding een versterkend negatief effect had op het saldo op de kapitaalrekening van Schaafsma sr, die vanaf 2002 negatief uitviel en die uiteindelijk tot 2013, naar Schaafma jr. stelt, is opgelopen tot € 332.219,00. Dat [gedaagde] ook in het geval er voor hem een extra schuld aan de v.o.f. zou resteren, akkoord is gegaan met het toekennen van een arbeidsvergoeding, ligt niet voor de hand en daarvan mocht [eiser] ook niet uitgaan.
heeft bovendien zelf door niet op ondertekening aan te dringen, zoals art. 8 lid 3 van de vennootschapsakte voorschrijft, zich de mogelijkheid onthouden te verifiëren of zijn vader kennis genomen had van de inhoud van de jaarstukken. Dit geldt eens temeer voor de periode vanaf 2003, ten aanzien waarvan vaststaat dat [gedaagde] zich niet met de bedrijfsvoering bemoeide, terwijl [eiser] met nadruk aanvoert dat [gedaagde] daartoe ook niet meer in staat was.

4.12.

Het beroep van [eiser] op de vennootschapsovereenkomst waaruit zou volgen dat de 50/50-winstverdeling is gebaseerd op het uitgangspunt dat elk van de vennoten even veel aan arbeidskracht inbrengt, gaat om twee redenen niet op.

4.13.

[eiser] richt zich in de eerste plaats uitsluitend op de omstandigheid dat hij arbeid verrichtte voor de v.o.f. in een periode dat zijn vader dat niet deed, maar laat mogelijk bestaande andere redenen voor de contractuele winstdeling en het achterwege laten van een arbeidsvergoeding dan de redenen die in de inbreng gezocht kunnen worden, in het midden. Zowel de oudedagsvoorziening van [gedaagde] als de in het boerenbedrijf – naar beide partijen ter zitting erkend hebben – allerminst ongebruikelijke bevoordeling van het kind dat het bedrijf voortzet ter gelegenheid van die voortzetting, kunnen hier bijvoorbeeld een rol spelen.

4.14.

In de tweede plaats levert de vennootschapsakte tussen partijen dwingend bewijs op. Dit stelt hoge eisen aan het mogelijk daartegen te leveren bewijs, al helemaal wanneer de akte zou moeten wijken voor de eisen van redelijkheid en billijkheid. Het door [eiser] aangevoerde voldoet niet aan deze hoge eisen.

4.15.

De wettelijke uitgangspunten voor winstverdeling, waarop [eiser] zich voorts beroept, dienen te wijken voor de overeenkomst die is neergelegd in een akte die tussen partijen dwingend bewijs oplevert. Een eerdere afwijking van de contractuele winstverdeling, waarop [eiser] zich beroept, betekent nog niet dat er ook in de thans bedoelde situatie sprake van een afwijking is. Bij dit alles speelt bovendien mee dat er volgens [eiser] sprake zou zijn van een overeengekomen arbeidsvergoeding en niet van een nader overeengekomen winstverdeling.

4.16.

Of de hoogte van de aan [eiser] uitbetaalde vergoeding redelijk is, zoals [eiser] stelt, is niet relevant zolang niet gebleken is van een basis voor het uitbetalen.

4.17.

Van rechtsverwerking aan de zijde van [gedaagde] is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake omdat daarvoor meer nodig is dan alleen stilzitten. Uit het voorgaande blijkt dat [gedaagde] juist stilgezeten heeft – en dat wat het ondertekenen van de jaarstukken betreft – ook niet geprobeerd is hem in beweging te brengen, terwijl de vennootschapsakte die ondertekening wel voorschreef.

4.18.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid dat aan [eiser] en/of zijn echtgenote een arbeidsvergoeding is toegekend door de vennoten van de v.o.f. Voor bewijslevering is geen aanleiding, nu de gestelde feiten, indien bewezen niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Betalingen door de v.o.f. op deze basis zijn dan ook onverschuldigd gedaan.

4.19.

Vervolgens ligt er in conventie de vordering tot verklaring voor recht dat [gedaagde] in verband met de beëindiging en de voortzetting € 221.596,00 dient te betalen aan [eiser], welke dient te worden afgewezen indien en voor zover de toegekende arbeidsvergoeding(en) hierin verdisconteerd is/zijn.

4.20.

Partijen dienen zich hierover uit te laten bij akte met inachtneming van het in dit vonnis besliste.

4.21.

Subsidiair vorderen partijen zowel in conventie als in reconventie benoeming van een deskundige die het in het kader van de vereffening te betalen bedrag, althans onderdelen van de berekening op grond waarvan dat vastgesteld moet worden, vaststelt. De rechtbank zal zich hier thans nog niet over uitlaten. Partijen dienen teneinde tot een doelmatige procesvoering te komen, als zij na kennisneming van het voorgaande en het hierna volgende het op onderdelen met elkaar oneens blijven en daarbij de benoeming van een deskundig aan de orde kan komen, zich uit te laten over de aan de deskundige te stellen vragen en over de persoon van de deskundige. Zij doen er goed aan daarbij te trachten naar gezamenlijk geformuleerde vragen en een gezamenlijke voordracht van een deskundige te komen.

voorts in reconventie

4.22.

[gedaagde] vordert een verklaring voor recht dat [eiser] geen recht meer heeft om de 12, althans 11,04, hectare landbouwgrond waarvan het gebruik door [gedaagde] tegen betaling aan de v.o.f. is gelaten, te gebruiken. [eiser] stelt zich op het standpunt dat hier sprake is van een pachtverhouding tussen [gedaagde] en de v.o.f., [gedaagde] deelt deze mening niet. Als komt vast te staan dat er sprake is van een pacht verhouding die door voortzetting van de onderneming [eiser] toevalt, is er volgens [gedaagde] sprake van een bevoordeling van [eiser] die verrekend moet worden.

4.23.

De vragen die zich hier voordoen zijn dus: 1) is er sprake van een pachtverhouding, 2) kan [eiser] als pachter de v.o.f. opvolgen, 3) wat dient er te gebeuren als dit niet het geval is, wat de bedrijfsvoering van de voortzetter van de onderneming kan beïnvloeden, en 4) dient [eiser] een vergoeding te ontvangen omdat hij bevoordeeld wordt als opvolgend pachter?

4.24.

Voorshands lijkt hier sprake te zijn van een overeenkomst die voldoet aan de omschrijving van art. 7:311 Burgerlijk Wetboek, een pachtovereenkomst. Komt dit vast te staan dan is deze kamer van de rechtbank niet bevoegd de hierboven bedoelde vragen 2) en 4) te beantwoorden. Wel kan zij in het kader van de vereffening van de v.o.f. waarom het in deze zaak uiteindelijk gaat, rekening houden met het resultaat van nader onderzoek of overleg tussen partijen op dit punt. Dat zal de rechtbank dus afwachten. Partijen zullen zich bij akte hierover kunnen uitlaten.

4.25.

[gedaagde] vordert vaststelling van de goodwill op € 125.000,00 als [eiser] het bedrijf van de v.o.f. met de ondergrond en zonder de hierboven bedoelde 12, althans 11,04, hectare landbouwgrond voortzet. De vragen of er sprake moet zijn van goodwill, op welk bedrag deze eventueel begroot moet worden en of voortzetting inclusief of exclusief de hier bedoelde landbouwgrond moet zijn – welke laatste vraag vrijwel vraag 4) onder 4.23 overlapt – kunnen nu nog niet worden beantwoord. Daarvoor is allereerst duidelijkheid over de pachtkwestie nodig en vervolgens een deskundigenonderzoek. Ook hierover dienen partijen zich uit te laten.

4.26.

[gedaagde] stelt nog een aantal incorrect verwerkte aspecten in de jaarrekening aan de orde, die naar zijn mening bij een deskundigenonderzoek betrokken dienen te worden. Dit betreft de volgende onderwerpen:
(i) rente over een negatief saldo op de kapitaalrekening

(ii) de verantwoording van de boekwaarde van de geitenstal

(iii) een aan de echtgenote van [eiser]verstrekte lening

(iv) de storting van € 21.950,00 aan de echtgenote van Schaafsma jr

(v) de rekeningen van Klusbedrijf [naam] te Otterlo

(vi) het niet verantwoorden van kosten die geheel of gedeeltelijk te maken hebben met [naam]

(vii) verantwoording van winst op de geitenmelk

(viii) verantwoording van de vordering tot schadevergoeding op[naam].

4.27.

Schaafma jr. voert als algemeen verweer aan dat [gedaagde] alle jaarstukken altijd heeft ontvangen en met de accountant heeft kunnen overleggen en, zo begrijpt de rechtbank, zijn recht heeft verwerkt om nu bezwaar te maken tegen bepaalde verantwoording in de jaarstukken. Dit verweer gaat niet op, om redenen zoals overwogen in rechtsoverweging 4.17.

4.28.

De in rekening gebracht rente over debetsaldi op de kapitaalrekening komt de rechtbank niet onredelijk voor, temeer nu de v.o.f. uit hoofde van de vennootschapsakte ook een rente moet vergoeden over een positief saldo op de kapitaalrekening. Aan het daartegen ingebrachte bezwaar van [gedaagde] gaat de rechtbank daarom voorbij. Overigens dient wel aan de hand van het oordeel in conventie over de salaristoekenning aan [eiser] en zijn echtgenote, dat tot een aanpassing van het debetsaldo op de kapitaalrekening van [gedaagde] zal leiden, een herberekening te worden gemaakt van de verschuldigde debetrente. Hierover kunnen partijen zich uitlaten.

4.29.

[gedaagde] stelt enerzijds dat de boekwaarde van de geitenstal erg laag is. Anderzijds erkent hij de stelling van [eiser] dat veel vermogen van de v.o.f. – te weten de verkoopopbrengst van de onroerende zaak die haar als herinvesteringswaarde ten goede is gekomen – is benut voor het bouwen van de geitenstal en dat daarop mocht worden afgeschreven. Nu [gedaagde] geen consequenties aan zijn stelling verbindt en hij het kennelijk eens was met de beslissing de herinvesteringsreserve te benutten voor het bouwen van de geitenstal, gaat de rechtbank voorbij aan zijn hier bedoelde bezwaar.

4.30.

Over de lening aan [naam] verklaart [eiser] dat dit een lening betreft die zijn schoonvader heeft verstrekt omdat het niet goed ging met het geitenbedrijf. De rechtbank constateert dat dit bedrag in de balans per 31 december 2010, waarnaar [gedaagde] verwijst, wordt verantwoord als schuld van de v.o.f. Dit bevestigt het betoog van [eiser] dat het geen lening door de v.o.f. maar een lening aan de v.o.f. betreft. Het bezwaar van [gedaagde] wordt daarom verworpen.

4.31.

De storting van € 21.950,00 aan de echtgenote van [eiser] deelt het lot van hetgeen is beslist omtrent de arbeidsvergoeding aan [eiser] en zijn echtgenote. Ook bij deze storting is onvoldoende gesteld waaruit een door [eiser] gestelde afspraak kan worden afgeleid.

4.32.

Wat betreft de rekeningen van Klusbedrijf [naam] in 2006 die ten laste van de v.o.f. zijn gebracht erkent [eiser] dat het hier gaat om rekeningen met betrekking tot de bouw van een dubbele garage op privégrond van hem en zijn broer, maar stelt dat de garage als opslag voor de v.o.f. wordt gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat de garage als opslag voor de v.o.f. wordt gebruikt onvoldoende rechtvaardigt dat de volledige kosten voor de bouw van in totaal € 39.000,00 bij de v.o.f. in rekening worden gebracht. Dit zou er mogelijk toe kunnen leiden dat aan de v.o.f. een bedrag aan huur in rekening wordt gebracht. Aan een deskundige zou, indien het tot een deskundigenonderzoek zou komen, de vraag kunnen worden voorgelegd wat een redelijke huurprijs is. Desgewenst kunnen partijen zich hierover uitlaten.

4.33.

[gedaagde] stelt dat diverse algemene kosten, zoals kantinekosten, kantoorbenodigdheden, representatiekosten, telefoonkosten etc. die deels te maken hebben met de door de echtgenote van [eiser] geëxploiteerde onderneming onder de naam [naam] ten onrechte in rekening zijn gebracht bij de v.o.f. en dat zij, ondanks dat [naam] in feite gehuisvest is op een verdieping in de geitenstal, geen huur betaalt.

Volgens [eiser] hebben de algemene kosten volledig betrekking op de v.o.f. en zijn de kosten tussen beide ondernemingen altijd zo correct mogelijk zijn verdeeld.

4.34.

[eiser] betwist niet dat kosten gemaakt door [naam] niet ten laste van de v.o.f. kunnen worden gebracht. Indien het tot een deskundigenonderzoek zou komen, zal een deskundige dienen te onderzoeken of hieraan is voldaan. [eiser] betwist ook niet dat [naam] gehuisvest is op de bovenverdieping van de v.o.f. en dat ten onrechte geen huur in rekening is gebracht aan [naam]. [gedaagde] moet daarom gevolgd worden in zijn stelling dat er ten onrechte geen huur in rekening gebracht is. Wat een redelijke huurprijs zou zijn, kan bij een eventueel te gelasten deskundigenonderzoek aan de orde komen. Ook hierover kunnen partijen zich uitlaten.

4.35.

[gedaagde] stelt dat de opbrengsten van de geitenmelk ten onrechte naar een privérekening van [eiser] worden overgemaakt in plaats van in de v.o.f. Een bijkomend effect is daarvan is dat de v.o.f. bij de bank € 35.000,00 rood staat. De daardoor ontstane hogere debetrente dient niet voor rekening van [gedaagde] te komen, aldus [gedaagde] [eiser] brengt daartegen in dat [gedaagde], zonder instemming van [eiser] € 25.000,00 voor privédoeleinden uit de v.o.f. heeft gehaald en niet bereid was om dit bedrag terug te storten. Omdat hij daardoor vreesde dat de v.o.f. in de toekomst in liquiditeitsproblemen zou komen te verkeren, worden de opbrengsten overgemaakt naar de privérekening.

4.36.

De rechtbank is van oordeel dat de juistheid van de stellingen van [eiser] in het midden kunnen blijven. Immers zelfs indien juist is dat [gedaagde] eenmalig een bedrag van € 25.000,00 aan de v.o.f. heeft onttrokken, dan rechtvaardigt dit nog niet dat opbrengsten niet langer aan de v.o.f. worden uitgekeerd maar aan een vennoot in privé. Dit zou er wel toe kunnen leiden dat de v.o.f. een vordering krijgt op [gedaagde] danwel een schuld van haar aan [gedaagde] kan verrekenen, maar in dat verband heeft [eiser] niets gesteld. Een grondslag om deze bedragen voortaan aan een vennoot in privé uit te keren kan hieraan niet worden ontleend.

4.37.

Over het ontvangen bedrag in de schadeprocedure tegen[naam] heeft [eiser] verklaart dat dit is verwerkt in de jaarrekening 2005-2006 (overgelegd als prod. 20). In die productie met opschrift ‘toelichting op de winst- en verliesrekening over 2006’ staat een bedrag van € 36.780,00 onder de noemer ‘ontvangen vergoeding bedrijfsschade’. De rechtbank volgt [eiser] in zijn stelling dat hieruit kan worden afgeleid dat een ontvangen schadebedrag op correcte wijze is verwerkt. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat dit schadebedrag hoger zou zijn.

4.38.

Aan andere door [gedaagde] genoemde aspecten verbindt hij geen conclusies. Deze kunnen daarom onbesproken blijven.

4.39.

Ten slotte ligt er nog een ander aspect van het conflict rond [naam]. [gedaagde] voert aan dat [eiser] in strijd met het concurrentiebeding in de vennootschapsakte (art. 7) heeft gehandeld door met zijn vrouw dit bedrijf te starten en te voeren. Art. 7 van de vennootschapsakte verbiedt elke vorm van ondernemen en deelnemen in een onderneming naast de v.o.f. Dat [naam] is opgericht door de echtgenote van [eiser] verandert hier, gelet op de zeer ruime formulering van art. 7, niets aan. Op het verweer dat [gedaagde] van zijn kant zich bezighield met het fokken van kippen en het verrichten van werkzaamheden voor het bedrijf van een dochter/zuster van partijen is nog niet gereageerd. Partijen hebben de gelegenheid hier nader op in te gaan, maar als het hen er werkelijk om te doen is snel uit deze vereffening te raken, doen zij er misschien goed aan niet op zoek te gaan naar mogelijk onder het zeer ruime concurrentieverbod vallende activiteiten over en weer, die ongetwijfeld te vinden zijn.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 11 februari 2015 voor het nemen van een akte door [eiser] over hetgeen is vermeld onder 4.20, 4.21, 4.24, 4.25, 4.28, 4.32, 4.34 en 4.39, waarna [gedaagde] op de rol van twee weken daarna een antwoordakte kan nemen,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2015.