Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:1539

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-02-2015
Datum publicatie
10-03-2015
Zaaknummer
267093
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsaanprakelijkheid;

Overeenkomst van een opdracht met advocaat in verschillende procedures met betrekking tot een huurgeschil.

Rechtbank oordeelt dat advocaat heeft gehandeld zoals in de gegeven omstandigheden van een redelijk bekwaam en redelijk handeld advocaat mag worden verwacht.

Geen aansprakelijkheid, geen schade.

Vorderingen worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/267093 / HA ZA 14-379

Vonnis van 25 februari 2015

in de zaak van

1 [eiser],

wonende te Holten,

2. [eiser],

wonende te Holten,

eisers,

advocaat mr. T.L.V. de Jong te Almelo,

tegen

de naamloze vennootschap

HEKKELMAN ADVOCATEN N.V.,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagde,

advocaat mr. M.C.J. Peters te Arnhem.

Eisers zullen hierna gezamenlijk aangeduid worden als [eiser]. en afzonderlijk als [eiser] en mevrouw [eiser] Gedaagde zal Hekkelman genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 oktober 2014

- het proces-verbaal van comparitie van 28 november 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De onderhavige zaak kent een lange historie.

2.2.

[eiser] en zijn zoon[naam] (hierna: [naam].) zijn op enig moment vennoten geweest van de vennootschap onder firma Xenon Computers v.o.f. (hierna: de v.o.f.). Behalve de v.o.f. komen in dit dossier Xenon Webstore B.V. (i.o.) en Xenon B.V voor. Op enig moment is de v.o.f. beëindigd en is Xenon Webstore B.V. in beeld gekomen. Bij de stukken zit een overeenkomst inzake de verkoop van activiteiten en activa door Xenon Webstore B.V. aan Xenon B.V. Op 4 december 2003 is Xenon Webstore B.V. gefailleerd.

2.3.

Op 14 maart 2002 is een huurovereenkomst gesloten waarin als partijen opgenomen staan V.N.I. Enschede B.V. als verhuurder (hierna: VNI) en de v.o.f. als huurder. De huurovereenkomst werd gesloten voor de duur van 5 jaar: van 15 maart 2002 tot en met 14 maart 2007.

2.4.

Op 23 mei 2003 is de betaling van huur opgeschort in verband met onder meer een niet werkende airconditioning.

2.5.

In 2003 is een huurgeschil ontstaan met VNI. Nadat VNI conservatoir beslag heeft gelegd op het woonhuis van [eiser]., heeft zij de v.o.f., [eiser], [naam]. en Xenon B.V. op 23 december 2003 gedagvaard in een bodemprocedure en op 8 januari 2004 ook in een kort geding. In beide zaken zijn vorderingen ingesteld tot ontbinding, ontruiming en betaling van de huurachterstand en overige kosten. Ook is in beide zaken betaling gevorderd van de nog openvallende huurtermijnen ingaande per 1 januari 2004 tot en met de dag waarop de huurovereenkomst rechtsgeldig tussen partijen zal zijn geëindigd. Ten aanzien van Xenon B.V. is alleen de vordering tot ontruiming ingesteld.

2.6.

Mr.[naam] (hierna: mr. [naam]), werkzaam bij Hekkelman, heeft de v.o.f., [eiser], [naam]. en Xenon B.V. bijgestaan in eerste aanleg in het kort geding en aanvankelijk ook in de bodemprocedure jegens VNI. Dit was gedurende de periode van

7 januari 2004 tot 2 november 2004. Onderwerpen van geschil in de procedures waren onder meer welke rechtspersoon als huurder diende te worden aangemerkt, hoe om te gaan met de door de huurder aangebrachte veranderingen in het pand, het functioneren van de airconditioning en de datum tot wanneer de huurder een vergoeding verschuldigd was aan de verhuurder.

2.7.

In kort geding is onder meer een voorschot toegewezen betreffende de reeds vervallen huurtermijnen en zijn [eiser] en [naam]. veroordeeld tot betaling van de nog openvallende huurtermijnen vanaf 1 januari 2004 tot en met de dag waarop de huurovereenkomst tussen VNI en de vof rechtsgeldig beëindigd zal zijn. Ook de gevorderde ontruiming is toegewezen. Het vonnis in kort geding was uitvoerbaar bij voorraad en is op

6 juli 2004 bekrachtigd door het Gerechtshof Arnhem.

2.8.

Op 25 februari 2004 is het van VNI gehuurde pand ontruimd.

2.9.

In de tussentijd heeft VNI het vonnis in kort geding laten betekenen aan onder andere [eiser] In het exploot staat, voor zover relevant:

… tevens zal tot openbare verkoop worden overgegaan van de reeds ten laste van gerequireerde sub 2 [[eiser], toevoeging rechtbank] in beslag genomen onroerende zaak.

2.10.

In de tweede helft van 2004 hebben [eiser]. en VNI onderhandeld over een schikking. [eiser]. heeft in dat kader informatie over zijn financiële situatie laten toesturen aan VNI.

2.11.

Op 18 oktober 2004 heeft [eiser]. een verzoek gedaan om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (hierna: WSNP).

2.12.

Bij brief van 2 november 2004 heeft mr. [naam] [eiser]. bevestigd dat hij zijn werkzaamheden staakte vanwege het ontbreken van de vereiste vertrouwensbasis. Op dat moment had mr. [naam] reeds geconcludeerd voor antwoord in de bodemprocedure.

2.13.

Op 17 december 2004 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser]., [naam]. en de klachtenfunctionaris van Hekkelman en mr. [naam]. Kort daarna is er nog gecorrespondeerd tussen partijen.

2.14.

[eiser]. is op 1 maart 2005 toegelaten tot de WSNP. Door de WNSP van [eiser] in de bodemprocedure jegens hem geschorst en jegens de andere gedaagden, waaronder [naam]., voortgezet.

2.15.

Bij vonnis van de kantonrechter in de bodemzaak van 24 april 2007 is geoordeeld dat er sprake is geweest van indeplaatsstelling van de v.o.f. door Xenon Webstore B.V. en zijn de vorderingen jegens [naam]. afgewezen. Dit vonnis is bij arrest van 19 april 2011 vernietigd. Het hof heeft bepaald dat de huurovereenkomst tussen VNI en de v.o.f. op

14 maart 2007 is beëindigd en heeft [naam]. is in zijn hoedanigheid van vennoot van de v.o.f. alsnog tot betaling van de huurpenningen veroordeeld.

2.16.

Op 23 juli 2007 is de toepassing van de WNSP op [eiser]. beëindigd.

2.17.

De bodemprocedure jegens [eiser] is na beëindiging van de WNSP hervat en kent een ander verloop. Bij vonnis van de kantonrechter van 13 april 2010 is de v.o.f. aangemerkt als huurder en is [eiser] in zijn hoedanigheid van vennoot van de v.o.f. veroordeeld tot betaling van onder meer huurpenningen tot 16 september 2005. Bij arrest van 2 oktober 2012 is dit vonnis vernietigd. Het hof heeft geoordeeld dat er sprake was van stilzwijgende instemming zijdens VNI met indeplaatsstelling. De vorderingen jegens [eiser] zijn vervolgens afgewezen.

2.18.

Bij brief van 22 januari 2008 heeft [eiser]. Hekkelman aansprakelijk gesteld. Bij brief van 8 november 2013 heeft [eiser]. de verjaring gestuit.

3 Het geschil

3.1.

[eiser]. vordert samengevat - veroordeling van Hekkelman tot betaling van:

a. € 45.299,-- zijnde het door mr. [naam] niet geclaimde bedrag van de ongerechtvaardigde verrijking,

b. € 7.616,-- zijnde het door mr. [naam] niet geclaimde bedrag aan verrekende bedragen,

c. € 74.346,39 althans een in redelijkheid en billijkheid te bepalen bedrag aan gemaakte advocaatkosten,

d. € 2.441,66 en € 27.001,50 zijnde de kosten en het salaris bewindvoerder gedurende de WSNP-periode,

e. € 100.000,-- aan schadevergoeding vanwege de waardevermindering van de woning,

f. € 85.000,-- in verband met het afkopen van de levensverzekering tijdens de WSNP-periode,

g. € 75.000,-- zijnde het bedrag dat [eiser]. heeft geleend ter voorkoming van de gedwongen verkoop van de woning,

h. € 56.788,85 zijnde de door ING aan [eiser]. in rekening gebrachte kosten in verband met de voorgenomen executoriale verkoop van de woning,

i. € 5.000,-- aan smartengeld,

één en ander vermeerderd met rente en kosten.

Daarnaast vordert [eiser]. een verklaring voor recht dat [eiser]. door het verzuim van mr. [naam] om te bewijzen dat [eiser] nooit, dan wel in elk geval niet vanaf 15 oktober 2002, de huurder van het pand van VNI is geweest, naast de genoemde schade onder e) schade inzake de woning heeft geleden door de onmogelijkheid de woning in de hoogtijdagen van de woningmarkt te verkopen. Naar de rechtbank begrijpt vordert [eiser]. tevens verwijzing naar de schadestaatprocedure op dat punt.

3.2.

[eiser]. legt aan de vordering ten grondslag dat mr. [naam] onzorgvuldig heeft gehandeld in de uitvoering van de aan Hekkelman verstrekt opdracht als gevolg waarvan hij schade heeft geleden. Deze schade bestaat onder meer uit het feit dat de WSNP op [eiser]. van toepassing is verklaard

3.3.

Hekkelman voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtsverhouding tussen [eiser] en Hekkelman betreft een overeenkomst van opdracht. Hekkelman heeft zich daarbij verbonden om zich in te spannen voor het bereiken van een positief resultaat in de procedure. Voor de beoordeling van de door de advocaat verleende rechtsbijstand komt het aan op de vraag of de advocaat de belangen van zijn cliënt heeft behartigd op een manier die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Na de vraag naar de normschending komt de vraag naar het causaal verband tussen de geschonden norm en de gestelde schade aan de orde.

4.2.

Alvorens in te gaan op de afzonderlijke verwijten merkt de rechtbank het volgende op. Het kort geding dat jegens VNI is gevoerd is, zowel in eerste als in tweede aanleg, ongunstig afgelopen voor de v.o.f. en haar vennoten: [eiser] en [naam]. De verschillende uitkomsten van de daarna gevoerde bodemprocedures, in eerste en in tweede aanleg, staan hiervoor beschreven onder 2.15 en 2.17. Dit gegeven alleen, een andere uitkomst dan in kort geding, is onvoldoende om te concluderen dat de bijstand die verleend is in de kort geding procedure onvoldoende is geweest. In een kort geding beschikt men niet altijd over alle relevante informatie en zal er over het algemeen onder tijdsdruk gewerkt worden. Ook is er in een kort geding nauwelijks ruimte voor bewijsvoering. Uit het feit dat het hof in de zaak tegen [eiser] tot een ander eindoordeel is gekomen dan in de zaak tegen [naam]. kan worden afgeleid dat het huurgeschil met VNI geen klip en klare kwestie betrof. De rechtbank zal thans de door [eiser]. gemaakte verwijten afzonderlijk bespreken.

De akten van bedrijfsoverdracht

4.3.

Bij de stukken bevinden zich vier akten van bedrijfsoverdracht van 3 september 2002. [eiser]. betoogt dat als mr. [naam] deze stukken had overgelegd in het kort geding (in eerste en/of tweede aanleg), de voorzieningenrechter tot het oordeel was gekomen dat niet de v.o.f., maar Xenon Webstore B.V. (i.o.) huurder was van VNI. En aangezien [eiser] op geen enkele manier betrokken was bij Xenon Webstore B.V. (i.o.) was hij in dat geval ook niet aansprakelijk geweest voor de (vervallen) huurtermijnen.

4.4.

Hekkelman voert aan dat de vordering op dit punt is verjaard.

4.5.

Dit verweer slaagt. Een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. De eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon, moet naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad zo worden opgevat dat het gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat.

4.6.

Dit verwijt is eerst aan de orde gebracht bij dagvaarding en komt niet voor de in verzonden klachtbrieven. Hekkelman heeft uiteengezet dat de opvolgend advocaat de akten van bedrijfsoverdracht in het geding heeft gebracht in de bodemprocedure. Bij vonnis van de kantonrechter van 24 april 2007 is vervolgens geoordeeld dat de v.o.f. niet aan te merken was als huurder van VNI. [eiser]. heeft met verwijzing naar dit vonnis gesteld dat hiermee is aangetoond dat, als de akten eerder waren ingebracht, de vorderingen tegens de v.o.f. niet zouden zijn toegewezen. Hekkelman wijst er vervolgens op dat, als dit al zo zou zijn, [eiser]. op 24 april 2007 bekend was met de schade als met de aansprakelijke persoon. De rechtbank deelt dit standpunt. Door dit verwijt eerst te maken bij dagvaarding is de vordering, voor zover gebaseerd op dit verwijt, verjaard.

4.7.

Aan beantwoording van de vragen of mr. [naam] destijds beschikte over de akten van bedrijfsoverdracht of daarover had behoren te beschikken en of er sprake is van een causaal verband tussen het niet in het geding brengen van de akten en de schade komt de rechtbank niet toe.

Airconditioning

4.8.

In het geschil met VNI heeft VNI het standpunt ingenomen dat de airconditioning niet functioneerde door slecht onderhoud en dat dit onderhoud de verantwoordelijkheid was van de huurder. [eiser]. verwijt mr. [naam] dat hij in de kort geding procedure (in eerste en/of tweede aanleg) niet adequaat verweer heeft gevoerd op deze stelling. Meer specifiek heeft hij verzuimd aan te voeren dat de huurder helemaal niet verplicht was voor de airconditioning een onderhoudscontract af te sluiten. [eiser]. stelt dat als mr. [naam] wel adequaat verweer had gevoerd, het Gerechtshof Arnhem in zijn arrest van 6 juli 2004 niet zou hebben geoordeeld dat:

5.7. …

de problemen eerder hadden kunnen zijn verholpen als Xenon Computers, overeenkomstig het door V.N.I. gestelde en door haar niet weersproken verplichting voor de airco een onderhoudscontract had afgesloten.

En:

… dat het voorshands niet aannemelijk is dat een bodemrechter in een bodemprocedure zal oordelen dat Xenon Computers zich ten aanzien van het onvoldoende functioneren van de airco terecht op haar opschortingsrecht heeft beroepen.

4.9.

Hekkelman voert onder meer aan dat op dit punt wel voldoende adequaat is gereageerd. Ook ontbreekt het causaal verband tussen de gestelde tekortkoming en de gevorderde schade aldus Hekkelman.

4.10.

In de pleitnota van mr. [naam] ten behoeve van het kort geding in eerst aanleg wordt inderdaad niet gerept over wiens verantwoordelijkheid het was om een onderhoudscontract voor de airconditioning te sluiten. Wel wordt het nodige gezegd over het functioneren van de airconditioning en over hetgeen op dat vlak is ondernomen om tot een oplossing te geraken. Het punt van het onderhoudscontract van de airconditioning heeft betrekking op de toerekenbaarheid van de tekortkoming. Aan wie is te wijten dat de airconditioning het niet deed? Naar het oordeel van de rechtbank heeft het antwoord op deze vraag geen wezenlijke invloed op de beslissing in het huurgeschil. Immers, de vorderingen in het huurgeschil hebben geen betrekking op de vraag wie de nota’s voor de reparatie van de airconditioning c.q. de schade als gevolg van de niet functionerende airconditioning dient te dragen, maar op de vraag of de achterstand in de huurbetalingen een ontbinding en ontruiming rechtvaardigden of dat de achterstand in de huurbetalingen het gevolg was van een rechtmatige opschorting. Het beroep op een rechtmatige opschorting van de betaling van de huur op grond van een niet functionerende airconditioning was om andere redenen dan het onderhoudscontract weinig kansrijk. De overeengekomen algemene voorwaarden bepaalden namelijk in artikel 14 lid 1 dat opschorting niet is toegestaan. Het hof heeft deze voorwaarde in deze zaak in het arrest van 10 juni 2008 in rechtsoverweging 5.19 niet onredelijk bezwarend geacht. Kortom, ook al zou mr. [naam] het verweer hebben gevoerd dat niet de huurder maar VNI een onderhoudscontract voor de airconditioning had dienen af te sluiten, dan is niet aannemelijk geworden dat dit tot een ander oordeel had geleid. De airconditioning functioneerde in ieder geval in 2002 niet en los van de vraag aan wie dit te wijten was, rechtvaardigde dit geen opschorting van de betaling van huur. Deze redenering gaat ook op voor het kort geding in hoger beroep. Op dit punt ontbreekt derhalve het causaal verband.

4.11.

Ook verwijt [eiser]. mr. [naam] dat hij geen eis in reconventie heeft ingesteld ten aanzien van de slecht functionerende airconditioning.

4.12.

Hekkelman heeft aangevoerd dat dit een bewuste keuze was. Enerzijds omdat geldvorderingen in kort geding niet snel worden toegewezen en anderzijds omdat dit zou leiden tot een inconsistent verweer. Immers, het meest verstrekkende verweer van gedaagden in de huurkwestie was dat niet de v.o.f. maar Xenon Webstore B.V. huurder was van VNI. Als iemand dus gerechtigd zou zijn tot het instellen van een vordering in reconventie was het Xenon Webstore B.V., maar die was geen partij in het kort geding. Ook voert Hekkelman hiertegen aan dat er onvoldoende gegevens beschikbaar waren over de hoogte van de vordering en het enkel tot extra kosten zou leiden.

4.13.

Het bezwaar van het inconsistente verweer had in deze ondervangen kunnen worden door een voorwaardelijke eis in reconventie met als voorwaarde dat de rechter aan zou nemen dat de v.o.f. als huurder van VNI diende te worden aangemerkt. De vraag is of mr. [naam] onzorgvuldig heeft gehandeld door geen voorwaardelijke eis in reconventie in te stellen, niet in het kort geding en niet in de bodemzaak. Allereerst heeft daarbij te gelden dat de zorgplicht van de advocaat meebrengt dat deze een eigen verantwoordelijkheid heeft op grond waarvan de advocaat zich niet kan beperken tot wat de cliënt van hem vraagt, maar zelfstandig dient te beoordelen wat voor de zaak van belang is om daar vervolgens ook naar te handelen. Als een bepaalde handeling een geringe kans van slagen heeft, is het aan de cliënt om te kiezen of hij deze risico’s wil nemen, de advocaat mag die afweging niet voor de cliënt “in stilte” maken (zie HR 28 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0303). De rechtbank kan thans niet vaststellen over welke informatie mr. [naam] had kunnen beschikken en of dit voldoende concreet was geweest voor het instellen van een voorwaardelijke eis in reconventie. Aangenomen dat die informatie er was, had het op de weg van mr. [naam] [eiser]. te adviseren een voorwaardelijke eis in reconventie in te stellen.

4.14.

Vervolgens is de vraag of deze aangenomen tekortkoming – waarbij de rechtbank voor de duidelijkheid opmerkt dat dus nog niet vaststaat dat mr. [naam] over voldoende informatie beschikte / had kunnen beschikken om die eis in te stellen – heeft geleid tot schade voor [eiser]., bestaande in een slechtere uitkomst van het geschil dan bij uitblijven van de tekortkoming het geval zou zijn geweest. Voor de beantwoording van de vraag of, en zo ja, in welke mate, een cliënt als gevolg van het niet instellen van een vordering schade heeft geleden, moet worden beoordeeld hoe op de vordering had behoren te worden beslist. Op dat punt overweegt de rechtbank het volgende waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen het kort geding en de bodemzaak.

4.15.

Geldvorderingen worden in kort geding niet snel toegewezen. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering in voldoende mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staat. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat deze vordering zou zijn toegewezen. [eiser]. spreekt over schade onder meer als gevolg van een hoog ziekteverzuim, het uitstellen van de officiële opening van het pand, het afzeggen van afspraken met klanten en het verrichten door de beide bestuurders van werkzaamheden in het kader van de procedures. Naar hun aard zijn dit schadeposten die lastig te begroten zijn. Voor de door [eiser]. voorgestelde ondervanging daarvan door een verwijzing naar de schadestaatprocedure te vorderen, leent een kort geding zich niet. Bovendien bestond er nog onzekerheid over voor wiens rekening de kosten van de airconditioning dienden te komen. Al met al veel onzekerheden die het onwaarschijnlijk maken dat VNI in kort geding zou zijn veroordeeld tot het betalen van een voorschot op de schadevergoeding.

4.16.

Dit laat onverlet dat deze onzekerheden in een bodemzaak een minder grote rol van betekenis spelen nu een dergelijke procedure zich leent voor bewijslevering en er meer tijd is om een vordering te onderbouwen. Ervan uitgaande dat mr. [naam] in de bodemzaak een voorwaardelijke eis in reconventie zou hebben ingesteld namens de v.o.f. en/of de vennoten, de voorwaarde zou zijn vervuld en de vordering zou zijn toegewezen, dan had dit voor de situatie voor [eiser]. niet uitgemaakt. Immers, de WSNP is reeds lang voor het eindvonnis in de bodemzaak uitgesproken op basis van de opeisbare vordering van VNI op grond van het kort geding vonnis. Daarmee ontbreekt het causaal verband tussen de gestelde beroepsfout – het niet instellen van een voorwaardelijke eis in reconventie in de bodemzaak – en de gestelde schade, te weten alle kosten die zijn voortgevloeid uit de WSNP. Anders gezegd, ook al zou de voorwaardelijke eis in reconventie in de bodemzaak zijn ingesteld, dan nog was de WSNP van toepassing verklaard op [eiser]. Daar komt bij dat het hof bij arrest van 2 oktober 2012 heeft geoordeeld dat er sprake was van stilzwijgende instemming zijdens VNI met indeplaatsstelling en dat daarom de v.o.f. niet kon worden aangemerkt als huurder. De vorderingen jegens [eiser] zijn vervolgens afgewezen. Dit betekent dat de voorwaarde waaronder de reconventionele vordering zou zijn ingesteld – de v.o.f. is huurder – niet vervuld zou zijn geweest. VNI zou dus niet veroordeeld zijn tot betaling van enig bedrag aan [eiser] in hoedanigheid van vennoot van de v.o.f. nu de vordering terzake de airconditioning en het huurderschap hand in hand gaan. Dit betekent dat het causaal verband tussen de gestelde beroepsfout en de gestelde schade ontbreekt.

De memorie van antwoord en pleidooi

4.17.

[eiser]. stelt dat mr. [naam] hem de memorie van antwoord van VNI in het kort geding niet heeft toegezonden. [eiser]. stelt dat zich in deze memorie van antwoord van 23 maart 2004 veel bewijsstukken bevinden die in de bodemprocedure nog gebruikt hadden kunnen worden, omdat in die zaak pas op 13 april 2004 geconcludeerd hoefde te worden. [eiser]. noemt specifiek de brief van VNI aan de aannemer van 5 september 2002 waarin VNI schrijft dat er gebreken zijn geconstateerd aan het gehuurde, waaronder aan de airconditioning met storingen en lekkages tot gevolg. [eiser]. betoogt dat mr. [naam] met deze brief de bewering van VNI dat er vrijwel nooit klachten waren over het pand onderuit had kunnen halen. Dit punt had hij ook aan de orde moeten stellen in een pleidooi – waar hij ten onrechte niet om verzocht heeft – en in de conclusie van antwoord in de bodemzaak. Als gevolg van dit nalaten is op 6 juli 2004 het voor [eiser] ongunstige arrest gewezen, aldus [eiser].

4.18.

Hekkelman voert onder meer aan dat het causaal verband ontbreekt, nu in de procedures geen belang is gehecht aan dit punt. Ook betwist zij dat de memorie van antwoord niet is doorgestuurd. Zij verwijst daarbij naar productie 27 bij antwoord, een brief van 22 maart 2004 van mr. [naam] aan [naam]., en voert aan dat de memorie nog diezelfde dag is besproken met [naam]. Ten aanzien van het (niet) voeren van pleidooi wijst Hekkelman op de brief van 29 maart 2004 van mr. [naam] aan [naam]. waarin hij bevestigt dat de gemeenschappelijke visie was dat het houden van pleidooi geen toegevoegde waarde had.

4.19.

Betreffende de memorie van antwoord is enkel de brief van 5 september 2002 als concreet stuk aangedragen waarop niet afdoende is gereageerd. Voor het overige is het verwijt niet geconcretiseerd. De vraag is daarom of het wel benutten van die brief in een pleidooi en in de conclusie van antwoord in de bodemzaak, tot een ander resultaat zou hebben geleid. Daarbij zal de rechtbank er veronderstellende wijs van uitgaan dat de memorie van antwoord inderdaad niet ook aan [eiser] is verstrekt, hetgeen overigens wordt betwist.

4.20.

De brief rept over geconstateerde gebreken aan het gehuurde, waaronder aan de airconditioning. In de brief verzoekt VNI de aannemer om de genoemde werkzaamheden uiterlijk eind september uit te voeren. Uit deze brief volgt dat er ook volgens VNI in 2002 gebreken waren aan het gehuurde. Maar of er wel of niet in 2002 gebreken kleefden aan het gehuurde was niet in geschil. Het ging immers om de vraag of er in 2003 rechtsgeldig werd opgeschort op grond van gebreken. Daarvoor is van belang of er in 2003 gebreken waren. Dat behoefde echter geen nader bewijs. In het arrest van 6 juli 2004 neemt het hof immers aan dat er sprake was van gebreken aan de airco in 2003. Het hof overweegt in rechtsoverweging 5.7:

Het kort geding leent zich naar zijn aard niet voor een onderzoek naar de mate waarin de airco al of niet heeft voldaan en (de omvang van) de verantwoordelijkheid van ieder dan wel een van partijen. Vast staat dat de airco zowel in de zomer van 2002 als in die van 2003 onvoldoende functioneerde en dat VNI voor eerstgenoemde periode een korting van een maand huur heeft verleend.

4.21.

Ten aanzien van het afzien van pleidooi blijkt uit de stukken dat hier na overleg met [naam]. van is afgezien. Onduidelijk is of er ook overleg is geweest met [eiser] Hekkelman beroept zich op een werkafspraak inhoudende dat mr. [naam] overleg voerde met [naam]. die het een en ander vervolgens met zijn vader besprak. Deze werkafspraak wordt betwist door [eiser]. Uit de overgelegde stukken volgt dat mr. [naam] eerst is benaderd door Xenon B.V. om haar bij te staan. [eiser] had geen kenbare bemoeienis met deze vennootschap. Pas later is mr. [naam] ook [eiser] en de v.o.f. bij gaan staan. Allen huldigden dezelfde standpunten zodat van een tegenstrijdig belang geen sprake was. Mogelijk dat uit deze omstandigheden de werkwijze is gevolgd dat mr. [naam] contacten onderhield met [naam]. In ieder geval heeft [eiser]. op geen enkel moment bezwaar gemaakt tegen deze gang van zaken. Wat hier verder ook van zij, gesteld noch gebleken is hoe een pleidooi de zaak en andere wending had kunnen geven. Het in een pleidooi aanhalen van de brief van 5 september 2002 had in ieder geval niets uitgemaakt gelet op hetgeen hiervoor onder 4.20 is overwogen.

Het door VNI gelegde beslag

4.22.

Partijen zijn het erover eens dat het hiervoor onder 2.9 genoemde en geciteerde exploot een fout bevat. In het exploot wordt aangekondigd dat de deurwaarder zal overgaan tot openbare verkoop van de in beslag genomen woning. Echter, nu het beslag is gelegd in het kader van de bodemprocedure, leidt het veroordelende kort gedingvonnis niet tot die bevoegdheid. De dagvaarding in kort geding kan hier, gelet op de termijnen, niet worden aangemerkt als het instellen van een hoofdzaak als bedoeld in artikel 700 lid 3 Rv. Mr. [naam] wordt niet verweten dat hij verantwoordelijk is voor de fout in het exploot, maar dat hij ten onrechte heeft uitgedragen dat er vanaf 13 februari 2004 een executoriaal beslag lag op de woning van [eiser]. Dit heeft uitgelokt dat overbetekening aan Rabobank (de eerste hypotheekhouder op de woning) plaatsvond, aldus [eiser].

4.23.

Hekkelman betwist dat de overbetekening aan Rabobank het gevolg is van enig handelen of nalaten van mr. [naam] en betwist het causaal verband tussen dit gestelde handelen of nalaten en de schade.

4.24.

Uit de overgelegde correspondentie blijkt dat mr. [naam] inderdaad richting de advocaat van de wederpartij en het hof spreekt van een executoriaal beslag op de woning van [eiser]., terwijl moet worden aangenomen dat het beslag conservatoir was. De rechtbank ziet echter niet in hoe dit gegeven heeft geleid tot de gestelde schade. Immers, de met het foutieve exploot ingezette executie is niet doorgezet door VNI en ook Rabobank heeft er niets op doen uitgaan anders dan een ontvangstbevestiging betreffende het exploot. Ook heeft het er niet toe geleid dat [eiser]. betalingen heeft verricht aan VNI die zij niet zou hebben gedaan als zij had geweten dat het een conservatoir beslag betrof. VNI is op een ander spoor verder gegaan en heeft na de misgelopen onderhandelingen eind 2004 een verzoek tot faillietverklaring ingediend. Niet valt in te zien dat het in de WSNP geraken in enig verband staat met het uitdragen door mr. [naam] dat er een executoriaal beslag op de woning van [eiser]. zou liggen. [eiser]. heeft nog betoogd dat door de misvatting de vordering van Rabobank als opeisbare steunvordering is opgevoerd in het verzoekschrift tot faillietverklaring. Nu in het kader van het pluraliteitsvereiste niet vereist is dat de steunvorderingen opeisbaar zijn, is dit van geen belang. Ook hier ontbreekt het causaal verband.

De veroordeling in kort geding

4.25.

Volgens [eiser]. heeft mr. [naam] het dictum in het kort geding vonnis verkeerd begrepen. Hij zou ten onrechte hebben aangenomen dat uit het dictum zou volgen dat de huur ook na de datum van ontruiming doorbetaald diende te worden. Deze onterechte aanname zou vervolgens VNI op het idee hebben gebracht haar vordering te verhogen waardoor een schikking onmogelijk werd.

4.26.

Hekkelman betwist in de eerste plaats dat er sprake is van een onjuiste interpretatie door mr. [naam].

4.27.

In kort geding heeft VNI gevorderd dat de v.o.f. en haar vennoten zouden worden veroordeeld tot betaling van de achterstallige huurpenningen én “tot betaling van de nog openvallende huurtermijnen ingaande per 1 januari 2004 tot en met de dag waarop de huurovereenkomst rechtsgeldig tussen partijen zal zijn beëindigd”. Het petitum in de bodemzaak is op die punten gelijkluidend. In kort geding zijn [eiser] en [naam]. veroordeeld tot betaling van een voorschot op de achterstallige huurpenningen en “tot voldoening van de nog openvallende huurtermijnen ingaande per 1 januari 2004 tot en met de dag waarop de huurovereenkomst tussen VNI en de vof rechtsgeldig zal zijn beëindigd.”. De v.o.f. was inmiddels ontbonden en is daarom niet veroordeeld. Het hof heeft het vonnis in kort geding bekrachtigd.

4.28.

Zowel de petita als de dicta spreken niet van betaling van openvallende huurtermijnen tot ontruiming, maar van betaling van openvallende huurtermijnen tot rechtsgeldige beëindiging van de huurovereenkomst. In kort geding is geen ontbinding van de overeenkomst gevorderd en ook niet toegewezen. Daar leent een kort geding zich immers niet voor. In de bodemzaak is ontbinding van de huurovereenkomst gevorderd per de ontruimingsdatum althans een door de rechtbank te bepalen datum. Daarbij vorderde VNI ook veroordeling tot betaling van de openvallende huurtermijnen na ontruiming tot en met maart 2007 als schadevergoeding voor het feit dat de huurovereenkomst anders zou doorlopen. Kortom VNI heeft vanaf het begin af aan ingezet op betaling van de huurtermijnen tot de einddatum van de oorspronkelijke overeenkomst: 14 maart 2007. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter geen koppeling gemaakt tussen de ontruiming en de rechtsgeldige beëindiging van de huurovereenkomst, maar heeft hij het moment waarop de doorbetalingsverplichting eindigde in het midden gelaten. Van een verkeerde interpretatie van mr. [naam] is dus geen sprake. Hij heeft de petita en de dicta juist geïnterpreteerd en het is dus niet aan hem te wijten dat VNI de hoogte van haar vordering instak zoals zij heeft gedaan. VNI had daar op dat moment alle reden en recht toe, zij het dat het vonnis in de bodemzaak anders zou kunnen gaan luiden. Deze interpretatie is nog eens bevestigd door het hof in de zaak van [naam]. Bij arrest van 19 april 2011 heeft het hof in die zaak vastgesteld dat de huurovereenkomst tussen VNI en de v.o.f. op 14 maart 2007 is geëindigd. Van een onzorgvuldigheid is geen sprake. De overige verweren van Hekkelman op dit punt behoeven geen bespreking.

4.29.

[eiser]. verwijt mr. [naam] dat hij de rechtsgeldige beëindiging van de huurovereenkomst op de datum van ontruiming heeft miskend. Volgens [eiser]. is op die datum de huurovereenkomst beëindigd met wederzijds goedvinden. Ook verwijt [eiser]. hem geen acht te hebben geslagen op de opzegging door de curator in het faillissement van Xenon Webstore B.V.

4.30.

De rechtbank stelt vast dat op de datum van ontruiming in ieder geval het gebruik van het gehuurde is geëindigd. Maar dit alleen is onvoldoende om hieraan het door [eiser]. gewenste gevolg te verbinden dat hij na de ontruimingsdatum niets meer verschuldigd kan raken aan VNI. Zelfs bij een rechtsgeldige beëindiging van de huurovereenkomst op datum ontruiming geldt dat een huurder nadien schadevergoeding verschuldigd kan zijn die in hoogte gelijk is aan de voorheen verschuldigde huur. Dat heeft VNI ook gevorderd in de bodemzaak. Dus zelfs al had mr. [naam] VNI om een bevestiging gevraagd dat de overeenkomst met de ontruiming rechtsgeldig was beëindigd én had hij deze bevestiging gekregen, dan nog kon VNI aanspraak maken op gelden van de huurder, te weten schadevergoeding ter hoogte van de maandelijkse huurtermijnen.

De opzegging van de huurovereenkomst door de curator in het faillissement van Xenon Webstore B.V. heeft alleen rechtsgevolgen in het geval Xenon Webstore B.V. als huurder heeft te gelden en dus niet in het geval dat de v.o.f. is aangemerkt als huurder. De curator had geen bevoegdheid de huurovereenkomst op te zeggen namens iemand anders dan de failliet. Het betoog van [eiser]. gaat om die redenen niet op.

Ongerechtvaardigde verrijking

4.31.

[eiser]. stelt dat mr. [naam] heeft verzuimd een eis in reconventie in te stellen vanwege de verbeteringen die waren aangebracht in het gehuurde. Door de verbeteringen zou VNI ongerechtvaardigd zijn verrijkt, aldus [eiser].. Hij wijst erop dat mr. [naam] de beschikking had over een aantal offertes betreffende installaties in het pand, nu die bij de dagvaarding van VNI zaten.

4.32.

Hekkelman heeft hiertegen aangevoerd dat ten tijde van het kort geding elke informatie over (de omvang van) de beweerdelijke ongerechtvaardigde verrijking ontbrak. Pas kort voor de ontruiming heeft een discussie plaatsgevonden met VNI over de verwijdering van de aanpassingen en verbeteringen door [eiser]. in het pand. VNI wilde alles verwijderd zien en [eiser]. is in die discussie niet in staat geweest aan te geven wat van waarde was. Op basis daarvan heeft mr. [naam] onvoldoende bewijs en informatie voorhanden geacht om een reconventionele vordering in te stellen. De nadere informatie was pas eerst op 27 september 2004 beschikbaar in de vorm van een door mevrouw [eiser]opgestelde lijst.

4.33.

Ook hier voert Hekkelman aan dat er sprake zou zijn geweest van een inconsistent verweer, maar op dat punt verwijst de rechtbank naar het geen hiervoor is overwogen onder 4.13. Gesteld dat er ten tijde van het kort geding voldoende informatie voorhanden was geweest over de aanwezigheid van verbeteringen aan het pand en gesteld dat in voldoende mate had vast gestaan wat deze verbeteringen waard waren, had het op de weg van mr. [naam] gelegen om [eiser]. in overweging te geven een vordering in reconventie in te stellen.

4.34.

Vervolgens is de vraag of [eiser]. dan had besloten tot het instellen van een reconventionele vordering en zo ja, wat de kans van slagen was van deze vordering. Over dat laatste overweegt de rechtbank het volgende. De Hoge Raad heeft in het arrest van

25 juni 2004, NJ2005/338 bepaald dat er slechts onder bijzondere omstandigheden sprake is van een aanspraak van de huurder op grond van ongerechtvaardigde verrijking voor niet weggenomen veranderingen. De huurder heeft immers een zogeheten wegnemingsrecht op grond van artikel 7:216 BW. Gelet op het standpunt van VNI zoals dat verwoord is in de correspondentie vlak voor de ontruiming, namelijk dat zij erop aandrong dat [eiser]. alles zou weghalen uit het pand wat hij als aanpassingen / verbeteringen beschouwde, is het niet aannemelijk dat een reconventionele vordering zou worden toegewezen, waar nog bijkomt dat bewijsstukken van de verarming zijdens [eiser]. en de verrijking zijdens VNI ontbraken. VNI heeft zich daarbij beroepen op artikel 5.1. van de geldende algemene bepalingen stellende dat het gehuurde conform de omschrijving van het gehuurde die bij de huurovereenkomst is vastgesteld dient te worden opgeleverd. Vervolgens heeft zij [eiser]. voor de keuze gesteld om de vloerbedekking te verwijderen of er afstand van te doen. Hieruit blijkt de afwijzende houding van VNI tegenover de aangebrachte aanpassingen en verbeteringen. Bovendien heeft [eiser]. niet gesteld wat de bijzondere omstandigheden zijn die maken dat er in dit geval een aanspraak van de huurder is. Bovendien blijkt uit de brief die mevrouw [eiser]heeft verzonden als begeleidend schrijven bij het overzicht van

27 september 2004 dat niet de v.o.f. maar Xenon Webstore B.V. voor de achtergebleven zaken heeft betaald. Tot slot geldt hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.15 heeft overwogen over toewijzing van geldvorderingen in kort geding. Op basis van die omstandigheden acht de rechtbank het hoogst onwaarschijnlijk dat de ingestelde vordering in reconventie een veroordeling van VNI tot betaling van enig bedrag aan de v.o.f. en/of haar vennoten tot gevolg zou hebben gehad. Daarbij komt dat het hof bij arrest van 2 oktober 2012 heeft geoordeeld dat er sprake was van stilzwijgende instemming zijdens VNI met indeplaatsstelling en dat daarom de v.o.f. niet kon worden aangemerkt als huurder. De vorderingen jegens [eiser] zijn vervolgens afgewezen. Dit betekent dat de voorwaarde waaronder de reconventionele vordering zou zijn ingesteld – de v.o.f. is huurder – niet vervuld zou zijn geweest. In dat geval zou VNI dus niet veroordeeld zijn tot betaling van enig bedrag aan [eiser] in hoedanigheid van vennoot van de v.o.f. Dit betekent dat het causaal verband tussen de gestelde beroepsfout en de gestelde schade ontbreekt.

Bijstand tijdens verzoek tot faillietverklaring

4.35.

[eiser]. stelt dat mr. [naam] ten onrechte heeft geweigerd om hem bij te staan bij het verweer tegen het door VNI ingediende faillissementsverzoek. Ook zou mr. [naam] VNI financiële informatie hebben doorgespeeld die VNI van pas is gekomen bij de faillissementsaanvraag.

4.36.

Hekkelman heeft erop gewezen dat mr. [naam] eerst bij brief van 2 november 2004 zijn werkzaamheden voor [eiser]. heeft gestaakt en dat vervolgens mevrouw [eiser]vraagtekens heeft gezet bij zijn deskundigheid en de wijze waarop hij haar belangen in het huurgeschil heeft behartigd. Zij was op dat moment al op zoek naar een andere advocaat en had mr. [naam] daarvan op de hoogte gesteld. Vervolgens heeft mr. [naam] bij brief van 8 november 2004 mevrouw [eiser]uitgenodigd voor een gesprek met de klachtenfunctionaris en bevestigd dat nu ook de kwaliteit van zijn belangenbehartiging ter discussie werd gesteld, hij geen voldoende vertrouwensbasis aanwezig acht voor verdere werkzaamheden.

4.37.

Dat mr. [naam] toen zijn werkzaamheden heeft gestaakt is, naar de rechtbank begrijpt, niet zozeer het verwijt van [eiser]. Het verwijt ziet op het feit dat mr. [naam] geweigerd heeft hem vervolgens bij te gaan staan bij het verweer tegen het door VNI ingediende faillissementsverzoek. Dit verzoek dateert van 17 november 2004 en uit een oproep van rechtbank Almelo blijkt dat de zitting geagendeerd was op 22 december 2004. Op 17 december 2004 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser]., [naam]., mr. [naam] en de klachtenfunctionaris. Uit de brief van 27 december 2004 van [eiser]. en [naam]. aan mr. [naam] en de klachtenfunctionaris valt op te maken dat het geen vruchtbaar gesprek is geweest. Zo schrijven zij:

Evident is dat ondergetekenden, die mede door het slechte werk van mr. [naam] een hel van een jaar met zeer veel mentale en financiële schade hebben meegemaakt, reden tot wanhoop en frustratie hebben en niet mr. [naam].

Mevrouw [eiser]heeft in de dagvaarding ook erkend dat zij telefonisch de kwaliteit van het werk van mr. [naam] ter discussie heeft gesteld en dat haar opschorting van betalingen te maken had met het feit dat [eiser]. sterke vermoedens had dat mr. [naam] het bij het verkeerde eind had voor wat betreft de lezing van het vonnis in kort geding. Het is gelet hierop begrijpelijk dat mr. [naam] spreekt van een vertrouwensbreuk en zijn werkzaamheden niet heeft hervat. Van onzorgvuldig handelen is daarom geen sprake.

4.38.

Ten aanzien van het verwijt financiële informatie te hebben doorgespeeld aan VNI voert Hekkelman aan dat het juist is dat zij die informatie heeft verstrekt, maar dat dit in overleg en zelfs op uitdrukkelijk verzoek van [eiser]. is gedaan.

4.39.

Uit de stukken maakt de rechtbank op dat [eiser]. op 21 juli 2004 een overzicht heeft opgesteld van hun schulden. Vervolgens heeft mr. [naam] een conceptbrief opgesteld aan de advocaat van VNI. In een begeleidend schrijven aan [eiser]. schrijft hij:

Graag verneem, liefst omgaand, of ik tot verzending kan overgaan.

Het concept is vervolgens voorzien van commentaar door [eiser]. en na verwerking daarvan op 28 juli 2004 verstuurd aan de advocaat van VNI. Vervolgens heeft [eiser]. op 10 oktober 2004 een uitgebreid relaas opgesteld waarover hij in een begeleidend schrijven aan mr. [naam] schrijft:

Hierbij onze brief betreffende het voorstel, etc. voor V.N.I.

Mijn man en ik vinden het een goed idee om deze brief evtl. in zijn geheel aan Hoge van den Broek/V.N.I. ter beschikking te stellen.

Op 13 oktober 2004 antwoordt mr. [naam]:

In uw brief aan mij, waarvan u voorstelt die integraal door te sturen, wordt de nodige (vergaande) financiële informatie verstrekt. Enerzijds is het goed om uitvoerig toe te lichten hoe uitzichtloos de situatie is, anderzijds gaat het wellicht wat ver om deze brief integraal aan V.N.I. voor te leggen. U gaf wel aan dat nadrukkelijk te wensen c.q. voor te stellen. (…)

Al met al zou ik uw suggestie willen volgen. Bijgaand zend ik u een conceptbrief* aan de advocaat van V.N.I. waarin naar uw brief verwezen wordt. Graag verneem ik uw eventuele commentaar c.q. suggesties, waarna ik tot verzending zal overgaan.

Vervolgens heeft mevrouw [eiser]op 14 oktober 2004 per e-mail de toegezonden conceptbrief geaccordeerd behoudens een detail. Ook heeft ze een nieuwe versie van het relaas toegestuurd met het verzoek aan mr. [naam] om die versie aan de wederpartij te sturen. Mr. [naam] heeft vervolgens het detail in de brief aangepast en met de nieuwe versie van het relaas aan de advocaat van VNI gestuurd. Naar het oordeel van de rechtbank valt mr. [naam] geen verwijt te maken ten aanzien van het doorsturen van de financiële informatie nu hij dit vooraf heeft besproken met zijn cliënten en het feit dat in het kader van schikkingsonderhandelingen, die toen gaande waren, het niet ongebruikelijk is dat enige openheid van zaken wordt gegeven. Aan mr. [naam] kan niet worden verweten dat hij door dat handelen tekort is geschoten en niet heeft gehandeld zoals een redelijk handelend en redelijk bekwaam beroepsgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben gedaan.

Te verrekenen posten

4.40.

[eiser]. heeft veroordeling gevorderd van Hekkelman tot betaling van € 7.616,-- zijnde het door mr. [naam] niet geclaimde bedrag aan verrekende bedragen. Volgens [eiser]. had mr. [naam] deze moeten betrekken bij de schikkingsonderhandelingen.

4.41.

Uit de dagvaarding maakt de rechtbank op dat [eiser]. deze post eerst op

13 oktober 2004 aan mr. [naam] kenbaar heeft gemaakt. Gesteld noch gebleken is hoe mr. [naam] bedacht had kunnen of behoren te zijn op deze post die uit diverse kleine subposten bestaat. Het had eerder op de weg van [eiser]. gelegen dit aspect onder zijn aandacht te brengen, gelet op het ondergeschikte belang ervan. Op het moment van het bekend worden van deze post werd er overigens al geruime tijd onderhandeld. De stand van zaken was dat [eiser]. € 5.300,-- bood en VNI minimaal € 75.000,-- eiste. De rechtbank ziet niet in hoe een gestelde verrekenbare vordering van € 7.616,-- dit verschil had kunnen overbruggen. Nog daargelaten de vraag of het een vordering betreft van de v.o.f. of Xenon Webstore B.V. en nog daargelaten een eventuele betwisting van VNI. Het onder b) gevorderde bedrag zal daarom niet worden toegewezen.

Slotsom

4.42.

De rechtbank heeft thans alle verwijten besproken die zij uit de dagvaarding, de pleitnota ter comparitie en de spreekaantekeningen van mevrouw [eiser]heeft kunnen destilleren. De conclusie is dat de verwijten niet stand houden, althans dat het verwijtbaar handelen niet heeft geleid tot schade, ook niet tot de hierboven niet uitdrukkelijk besproken onderdelen daarvan. Dit betekent dat de vorderingen zullen worden afgewezen. Ook de gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen op grond van de voorgaande overwegingen.

4.43.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank niet toe aan bespreking van de overige verweren waaronder dat inhoudende dat aansprakelijkheid van VNI voorgaat op die van Hekkelman en de verweren tegen de afzonderlijke schadeposten.

4.44.

[eiser]. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Hekkelman worden begroot op:

- explootkosten € 0,00

- griffierecht 3.829,00

- salaris advocaat 5.160,00 (2,0 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 8.989,00

4.45.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser]. in de proceskosten, aan de zijde van Hekkelman tot op heden begroot op € 8.989,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de zevende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eiser]. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser]. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2015.