Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:1537

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-02-2015
Datum publicatie
28-03-2017
Zaaknummer
277036
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser vordert opheffing van dat beslag. Eiser wordt niet gevolgd in haar standpunt dat onder deze omstandigheden, die in de kern neerkomen op frustratie van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde arrest door beslaglegging, voor de beoordeling van de opheffing van het beslag aansluiting moet worden gezocht bij de criteria voor het schorsen van de executie van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordelend vonnis/arrest.

De vraag of het beslag opgeheven moet worden, dient ook onder deze omstandigheden te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in artikel 705 Rv. Of het arrest van het hof klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, dan wel of op grond van na dit arrest voorgevallen of aan het licht gekomen feiten de tenuitvoerlegging daarvan klaarblijkelijk aan de zijde van gedaagde een noodtoestand zal doen ontstaan, kan in het kader van de afweging van de wederzijdse belangen, welke belangenafweging volgens de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad bij de beoordeling van een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag altijd moet worden gemaakt, worden meegenomen. Bij een belangen¬afweging moeten immers alle relevante omstandigheden van het geval worden betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/277036 / KG ZA 15-30

Vonnis in kort geding van 18 februari 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser] .,

gevestigd te Vianen,

eiseres,

advocaat mr. D. Bercx te Nijmegen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te De Bilt,

gedaagde,

advocaat mr. J.J. Bijkerk te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de brief met 16 producties namens [gedaagde] , ingekomen op 3 februari 2015

- de faxbrief met een productie namens [eiser] , ingekomen op 3 februari 2014

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen Injection Nederland B.V. (hierna: Injection) als aanneemster en [gedaagde] als opdrachtgever is op 6 februari 2009 een overeenkomst van aanneming van werk gesloten voor het maken van een bouwput. [gedaagde] wilde in deze bouwput een ondergrondse betonnen verbindingstunnel realiseren van de kelder onder zijn woonhuis naar een nabijgelegen parkeergarage.

2.2.

Naar aanleiding van de uitvoering van deze aannemingsovereenkomst is tussen partijen een geschil gerezen. [gedaagde] heeft de facturen van [eiser] voor verrichte werkzaamheden deels onbetaald gelaten. Op 26 augustus 2009 heeft [gedaagde] de aannemingsovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden.

2.3.

Injection heeft bij dagvaarding van 25 september 2009 [gedaagde] gedagvaard voor de rechtbank Utrecht teneinde de openstaande facturen betaald te krijgen ten bedrage van

€ 216.069,65, vermeerderd met rente en kosten. [gedaagde] heeft in conventie verweer gevoerd. In reconventie heeft hij onder meer een eis tot schadevergoeding op te maken bij staat ingesteld vanwege wanprestatie van Injection en de terugbetaling gevorderd van de reeds betaalde facturen ten bedrage van € 114.827,99.

2.4.

Bij eindvonnis van 30 januari 2013 heeft de rechtbank Midden-Nederland (voorheen rechtbank Utrecht) in conventie de vorderingen van Injection afgewezen en in reconventie de vorderingen van [gedaagde] tot een bedrag van € 81.120,00 (in hoofdsom) aan schadevergoeding toegewezen.

2.5.

Injection is op 10 april 2013 tegen dat eindvonnis en de eerdere tussenvonnissen in hoger beroep gegaan.

2.6.

Op 10 oktober 2013 is Injection failliet verklaard. Bij akte van cessie van

13 november 2013 heeft de curator aan [eiser] verkocht en geleverd een beweerde vordering van Injection op [gedaagde] die als volgt is omschreven:

wegens in opdracht van [gedaagde] door Injection in 2009 uitgevoerde werkzaamheden, welke aan [gedaagde] zijn gefactureerd in de periode maart/juli 2009 tot een bedrag van € 216.069,65, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten en rente vanaf 24 juni 2009 tot de dag der voldoening en proceskosten, alles zoals gespecificeerd in de dagvaarding in eerste instantie op 25 september 2009.

2.7.

De curator heeft het hoger beroep van de failliete Injection niet overgenomen.

[eiser] heeft op 19 december 2013 mededeling van de cessie gedaan aan [gedaagde] en hervatting van het hoger beroep door haar aangekondigd. [eiser] heeft die procedure op 14 januari 2014 voortgezet door in plaats van Injection in het geding te verschijnen.

2.8.

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest van 23 december 2014 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden de vonnissen in eerste aanleg, voor zover in conventie gewezen (de reconventie speelde in hoger beroep geen rol), vernietigd en opnieuw rechtdoende [gedaagde] veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 216.069,65, inclusief btw, te vermeerderen met € 1.500,00 voor buitengerechtelijke incassokosten, € 1.752,00 voor tot en met 8 september 2009 verschuldigde wettelijke handelsrente, en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 216.069,65 vanaf 9 september 2009 tot de dag der algehele voldoening. [gedaagde] is verder veroordeeld in de proceskosten en de nakosten. Het oordeel van het hof komt er kort gezegd op neer dat er geen sprake was van wanprestatie van Injection, zodat de openstaande facturen door [gedaagde] moeten worden voldaan.

2.9.

Op 15 januari 2015 omstreeks 15.00 uur heeft [gedaagde] , na daartoe te zijn aangemaand en na betekening van voormeld arrest, ter uitvoering van de veroordeling in dat arrest een bedrag van € 350.300,00 aan [eiser] betaald op de derdengeldrekening van de stichting Stichting Beheer Derdengelden Brunet Advocaten te Nijmegen.

2.10.

Op 15 januari 2015 om 15.48 uur heeft [gedaagde] na verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland ten laste van [eiser] conservatoir derdenbeslag laten leggen onder voornoemde stichting (hierna ook: de stichting). De vordering van [gedaagde] is in het beslagverlof begroot op € 364.717,98.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. het op 15 januari 2015 ten laste van haar onder de stichting Stichting Beheer Derdengelden Brunet Advocaten te Nijmegen gelegde beslag op te heffen;

2. [gedaagde] te gebieden bij een volgend verzoek tot beslaglegging ten laste van [eiser] een kopie van dit vonnis aan te hechten;

3. [gedaagde] te veroordelen [eiser] een dwangsom te betalen van € 100.000,00 voor iedere keer dat hij niet aan de veroordeling onder 2. voldoet, tot een maximum van € 500.000,00 is bereikt;

4. [gedaagde] te veroordelen in de daadwerkelijke proceskosten aan de zijde van [eiser] begroot op € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;

5. [gedaagde] te veroordelen in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[eiser] stelt dat [gedaagde] door het leggen van het beslag onder de stichting de tenuitvoerlegging van het arrest van het hof frustreert. Zij stelt dat daarom in het onderhavige geval bij de beoordeling van de vraag of het beslag moet worden opgeheven, aansluiting moet worden gezocht bij de criteria die worden gehanteerd bij het beoordelen van de vraag of de executie van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard veroordelend vonnis/arrest dient te worden geschorst. Dat komt neer op de vraag of het arrest van het hof klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, dan wel of op grond van ná het arrest voorgevallen of aan het licht gekomen feiten de tenuitvoerlegging daarvan klaarblijkelijk aan de zijde van [gedaagde] een noodtoestand zal doen ontstaan. Het arrest bevat geen misslagen en een noodtoestand aan de zijde van [gedaagde] op grond van nieuwe feiten is gesteld noch gebleken. Door onder deze omstandigheden toch beslag te leggen maakt [gedaagde] misbruik van recht, zodat het beslag moet worden opgeheven.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Met de aard van het gevorderde en het daaraan ten grondslag gelegde acht de voorzieningenrechter het spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen gegeven.

4.2.

Voorop staat dat door [gedaagde] conservatoir derdenbeslag is gelegd op een door hem uit hoofde van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde arrest van het hof verrichte betaling, tegen welk arrest [gedaagde] voornemens is cassatie in te stellen. [gedaagde] stelt dat hij in het arrest ten onrechte is veroordeeld om aan De [eiser] € 216.069,65, vermeerderd met rente en kosten te betalen. Hij is van mening dat aan het arrest dusdanige gebreken kleven dat dit in cassatie niet in stand zal blijven. Het beslag is gelegd tot zekerheid van verhaal van een toekomstige vordering tot terugbetaling van hetgeen [gedaagde] ter uitvoering van het arrest van het hof heeft betaald aan De [eiser] , voor het geval [gedaagde] in cassatie gelijk zal krijgen. Het gevolg van het gelegde beslag is dat De [eiser] niet kan beschikken over het door [gedaagde] betaalde bedrag. Het effect van het beslag is derhalve dat de tenuitvoerlegging van de in het arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling van [gedaagde] wordt geblokkeerd. Aannemelijk is geworden dat dit ook de bedoeling is van het gelegde beslag.

4.3.

De [eiser] vordert opheffing van dat beslag. De [eiser] wordt niet gevolgd in haar standpunt dat onder deze omstandigheden, die in de kern neerkomen op frustratie van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde arrest door beslaglegging, voor de beoordeling van de opheffing van het beslag aansluiting moet worden gezocht bij de criteria voor het schorsen van de executie van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordelend vonnis/arrest.

De vraag of het beslag opgeheven moet worden, dient ook onder deze omstandigheden te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in artikel 705 Rv. Of het arrest van het hof klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, dan wel of op grond van na dit arrest voorgevallen of aan het licht gekomen feiten de tenuitvoerlegging daarvan klaarblijkelijk aan de zijde van [gedaagde] een noodtoestand zal doen ontstaan, kan in het kader van de afweging van de wederzijdse belangen, welke belangenafweging volgens de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad bij de beoordeling van een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag altijd moet worden gemaakt, worden meegenomen. Bij een belangenafweging moeten immers alle relevante omstandigheden van het geval worden betrokken.

4.4.

Volgens artikel 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ( [gedaagde] ) ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert ( De [eiser] ) om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hieraan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade. Met inachtneming hiervan wordt als volgt overwogen.

4.5.

Allereerst dient de summierlijke (on)deugdelijkheid van de gestelde vordering van [gedaagde] tot terugbetaling, ter verzekering waarvan het onderhavige beslag is gelegd, te worden beoordeeld.

4.6.

Er is nog geen onherroepelijk oordeel van de bodemrechter over die vordering.

In het onderhavige geval gaat het om een vordering die voortvloeit uit een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordelend arrest van het hof jegens [gedaagde] ten gunste van De [eiser] . Ter uitvoering van dat arrest heeft [gedaagde] aan De [eiser] betaald waartoe hij is veroordeeld. [gedaagde] stelt vanwege die verrichte betaling een vordering tot terugbetaling op De [eiser] te hebben - de vordering waarvoor beslag is gelegd - omdat hij van mening is dat hij door het hof ten onrechte is veroordeeld en in cassatie alsnog in het gelijk zal worden gesteld. In cassatie, dan wel in de daarop volgende verwijzingsprocedure zal de rechtmatigheid van die veroordeling, die onlosmakelijk is verbonden met de gestelde vordering tot terugbetaling van [gedaagde] waarvoor beslag is gelegd, opnieuw worden beoordeeld. Hierdoor kan er op voorhand niet worden gezegd dat de vordering van [gedaagde] waarvoor beslag is gelegd al dan niet summierlijk ondeugdelijk is. Bij de vraag naar de summierlijke ondeugdelijk van de vordering is relevant wat de aard van de vordering is. In het geval waarin naar aanleiding van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis/arrest conservatoir beslag wordt gelegd, kan onderscheid worden gemaakt tussen twee denkbare situaties.

4.7.

De ene situatie is dat een gepretendeerde vordering door de bodemrechter in eerste instantie is toegewezen bij een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, waarna de veroordeelde partij na eerst aan dat vonnis te hebben voldaan door het verrichten van de betaling aan zijn wederpartij, conservatoir beslag legt onder zijn wederpartij voor de door hem gepretendeerde (toekomstige) vordering tot terugbetaling van hetgeen is voldaan, indien en zodra in hoger beroep het vonnis zal zijn vernietigd. In dat geval is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter op voorhand sprake van een summierlijk ondeugdelijke vordering op grond waarvan het gelegde conservatoir beslag in beginsel moet worden opgeheven. De andere situatie is dat een gepretendeerde vordering door de bodemrechter in eerste instantie is afgewezen bij een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, waarna de partij die de vordering stelt te hebben conservatoir beslag legt onder zijn wederpartij voor deze vordering, omdat hij verwacht in hoger beroep alsnog in het gelijk te worden gesteld. In zo’n geval is de vordering waarvoor beslag is gelegd, ondanks de afwijzing daarvan door de rechter in eerste instantie, niet op voorhand summierlijk ondeugdelijk, zodat de vordering tot opheffing van het beslag in beginsel niet zonder meer toewijsbaar is. Een afwijzing van een vordering in eerste instantie vormt bij de beoordeling van de summierlijke ondeugdelijkheid van de vordering weliswaar een belangrijk gezichtspunt, maar is niet alleszeggend (vgl. HR 30 juni 2006, NJ 2007, 483 en Hof Amsterdam 8 juli 2004, NJF 2004, 577). Die afwijzing kan immers in tweede instantie worden teruggedraaid.

4.8.

In het onderhavige geval is niet duidelijk op grond van welke soort vordering het beslagverlof is verzocht en verkregen, omdat de vorderingen in conventie en in reconventie in de onderliggende bodemprocedure nauw met elkaar samenhangen. De vorderingen van Injection/ De [eiser] en [gedaagde] zijn ontstaan uit dezelfde rechtsverhouding: de overeenkomst van aanneming van werk tot het realiseren van een bouwput. Injection/ De [eiser] vordert in conventie kortweg betaling van de openstaande facturen voor de verrichte werkzaamheden, terwijl [gedaagde] in reconventie schadevergoeding vordert vanwege wanprestatie van Injection en terugbetaling vordert van de reeds betaalde facturen. Echter op diezelfde grondslagen heeft [gedaagde] in conventie als verweer een beroep gedaan op verrekening, zodat de wanprestatie en schadevergoeding ook in conventie een rol spelen. Voor de vorderingen over en weer is dus beslissend of er sprake was van wanprestatie van Injection bij de uitvoering van de aannemingsovereenkomst.

4.9.

Het voorgaande brengt met zich dat de vordering waarvoor het conservatoire beslag is gelegd, thans niet reeds op voorhand summierlijk ondeugdelijk kan worden geoordeeld. Op die grond kan opheffing van het beslag derhalve niet worden bevolen.

4.10.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of op grond van een belangenafweging het beslag moet worden opgeheven.

4.11.

Het belang van [eiser] bij opheffing van het beslag is dat zij daadwerkelijk kan beschikken over het door [gedaagde] op grond van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde arrest van het hof verschuldigde bedrag voor haar bedrijfsvoering. Zij heeft toegelicht dat zij dat geld nodig heeft voor de doorstart van de activiteiten van Injection. Het betreffen activiteiten als gespecialiseerde onderaannemer in de bouw. Er is in dat kader behoefte aan werkkapitaal omdat een gespecialiseerde onderaannemer de aangenomen opdrachten zelf moet voorfinancieren. Daartegenover staat het belang van [gedaagde] bij handhaving van het beslag dat verhaal mogelijk blijft voor de vordering tot terugbetaling die hij op De [eiser] stelt te hebben, in het geval hij in cassatie in het gelijk wordt gesteld.

4.12.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de bodemrechter in hoogste feitelijke instantie reeds uitspraak heeft gedaan inzake het geschil tussen partijen over de uitvoering van de aannemingsovereenkomst. Daarin is De [eiser] in het gelijk gesteld en is [gedaagde] veroordeeld tot betaling van de openstaande facturen, vermeerderd met rente en kosten. Het arrest van het hof is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat ondanks het daartegen aangekondigde cassatieberoep van [gedaagde] , De [eiser] gerechtigd is het arrest ten uitvoer te leggen. De [eiser] is daarmee ook aangevangen. Het gevolg van het gelegde beslag is dat de tenuitvoerlegging van het arrest wordt tegengehouden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het arrest van het hof in laatste feitelijke instantie zwaar weegt. Er moeten bijzondere omstandigheden aanwezig zijn om de tenuitvoerlegging van dat arrest te voorkomen. Daarvan kan sprake zijn indien het arrest kennelijke misslagen bevat, dan wel indien er sprake is van nieuwe feiten die aan de zijde van [gedaagde] een noodtoestand zullen doen ontstaan.

4.13.

Gesteld noch gebleken is dat de tenuitvoerlegging van het arrest op grond van nieuwe feiten aan de zijde van [gedaagde] een noodtoestand zal doen ontstaan. [gedaagde] heeft echter wel aangevoerd dat er sprake is van kennelijke misslagen in het arrest op grond waarvan het arrest in cassatie geen stand zal houden. Ter adstructie daarvan heeft hij een aantal aan te voeren cassatiegronden toegelicht.

4.14.

In het onderhavige geschil is geen plaats voor een nieuwe beoordeling van de zaak ten gronde en moet in principe worden uitgegaan van de beoordeling die al plaats heeft gevonden in het arrest van het hof dat door De [eiser] wordt geëxecuteerd en welke executie [gedaagde] door middel van de onderhavige beslaglegging probeert te voorkomen. Het enkele feit dat een ander oordeel mogelijk is of zelfs dat een ander oordeel mogelijk meer voor de hand ligt, maakt nog niet dat er sprake is van een feitelijke of juridische misslag in het te executeren arrest. Daarvan is alleen sprake wanneer het te executeren arrest zodanig evidente onjuistheden in de vastgestelde feiten of de juridische beoordeling bevat dat daarover geen redelijke twijfel kan bestaan.

4.15.

De aangevoerde cassatiegronden, met uitzondering van de cassatiegrond over de toekenning van de wettelijke handelsrente die hierna zal worden besproken, behelzen zuiver inhoudelijke juridische bezwaren tegen het oordeel van het hof. Dat het hof echter ook anders had kunnen oordelen is echter niet relevant, zoals hiervoor reeds is overwogen.

Dat de oordelen van het hof, die [gedaagde] in de cassatiegronden aan het wankelen probeert te brengen, zodanig evident fout zouden zijn, heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door De [eiser] . Deze cassatiegronden kunnen reeds hierom geen kennelijke misslag in het arrest van het hof aantonen. Een nadere bespreking van de deze cassatiegronden kan daarom achterwege blijven.

4.16.

Ten aanzien van de cassatiegrond over de toekenning van de wettelijke handelsrente geldt het volgende. In het arrest van het hof is aan De [eiser] over de gevorderde hoofdsom (de openstaande facturen) de wettelijke handelsrente toegewezen. [gedaagde] stelt dat dit ten onrechte is toegewezen omdat [gedaagde] een consument is. Volgens hem had het hof ambtshalve de gegrondheid van de toewijzing van de wettelijke handelsrente moeten onderzoeken. Het hof heeft dat ten onrechte nagelaten, waardoor in plaats van de toepasselijke lagere wettelijke rente de veel hogere wettelijke handelsrente is toegewezen. Dit levert volgens [gedaagde] een (juridische) misslag op.

4.17.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat het hof de toewijsbaarheid van de wettelijke handelsrente ambtshalve had moeten toetsen, dit nog niet zonder meer met zich brengt dat sprake is van een kennelijke misslag. Bovendien zou dat een verschil opleveren van circa € 75.000,00 en dat bedrag is, gelet op de hoogte van het bedrag van ruim € 250.000,00, exclusief wettelijke (handels)rente, dat De [eiser] uit hoofde van het arrest van het hof van [gedaagde] heeft te vorderen, te gering om de belangenafweging in het voordeel van [gedaagde] te doen omslaan.

4.18.

De conclusie is dat er geen sprake is van een juridische of feitelijke misslag in het arrest van het hof. De tenuitvoerlegging van het arrest hoeft dus op die grond niet te worden tegengehouden.

4.19.

Het gestelde restitutierisico aan de zijde van De [eiser] vanwege de beweerde slechte financiële situatie van De [eiser] , heeft [gedaagde] mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan, onvoldoende onderbouwd. Daarnaast geldt dat de gevolgen van het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het arrest door de hof onder ogen zijn gezien, afgewogen en aanvaardbaar geacht. Bij die beoordeling zal het restitutierisico aan de zijde van De [eiser] ook zijn meegenomen. Het is niet aan de voorzieningenrechter in het onderhavige geschil die beslissing terzijde te stellen. [gedaagde] stelt niet dat er nadien sprake is van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de financiële staat van De [eiser] is verslechterd.

4.20.

Tot slot stelt [gedaagde] dat De [eiser] als gevolg van de beslaglegging geen schade van enige betekenis lijdt, omdat de vordering die door het hof aan De [eiser] is toegewezen en op grond waarvan [gedaagde] genoodzaakt was een bedrag van € 350.3000,00 aan De [eiser] te betalen, door De [eiser] van de curator is gekocht voor slechts € 25.000,00. Volgens [gedaagde] bedraagt de benadeling van De [eiser] bij handhaving van het beslag dit kleine bedrag tegenover de benadeling van [gedaagde] voor het grote bedrag van € 350.3000,00 bij opheffing van het beslag. Ook hierdoor weegt zijn belang bij handhaving van het beslag zwaarder dan het belang van De [eiser] bij opheffing, aldus [gedaagde] . De [eiser] heeft gemotiveerd betwist dat haar kosten slechts de € 25.000,00 voor de aankoop van de vordering van de curator bedragen. Zij heeft aangevoerd dat zij naast dat aankoopbedrag in het kader van de doorstart van de activiteiten van Injection veel meer kosten heeft gemaakt. [gedaagde] heeft dat niet bestreden, zodat de voorzieningenrechter daarvan zal uitgaan. Ook op grond van dit kostenaspect kan niet worden geconcludeerd dat [gedaagde] een groter belang heeft bij handhaving van het beslag dan De [eiser] bij opheffing.

4.21.

Dit betekent dat in het kader van een belangenafweging het belang van De [eiser] bij opheffing van het beslag, teneinde de tenuitvoerlegging van het arrest voort te zetten, zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij handhaving van het beslag. Het beslag zal daarom worden opgeheven.

4.22.

De vordering (onder 2 en 3) [gedaagde] te gebieden bij een volgend verzoek tot beslaglegging een kopie van dit vonnis aan het beslagrekest te hechten zal worden afgewezen, omdat De [eiser] daarbij geen belang heeft. Die verplichting voor [gedaagde] volgt reeds uit de algemene inlichtingenplicht van artikel 21 Rv. De [eiser] heeft bovendien haar belang bij deze vordering niet nader toegelicht, terwijl [gedaagde] daartegen verweer heeft gevoerd.

4.23.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Er is geen aanleiding om [gedaagde] in de door De [eiser] reële proceskosten te veroordelen. [gedaagde] zal worden veroordeeld in de proceskosten conform het toepasselijke liquidatietarief. De kosten aan de zijde van De [eiser] begroot op:

- dagvaarding € 79,47

- griffierecht 613,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.508,47

4.24.

De vordering tot veroordeling van [gedaagde] in de nakosten zal worden toegewezen als na te melden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op het op 15 januari 2015 ten laste van De [eiser] de stichting Stichting Beheer Derdengelden Brunet Advocaten te Nijmegen gelegde beslag,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van De [eiser] op heden begroot op € 1.508,47, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2015.

Coll.: HS