Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:1511

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-03-2015
Datum publicatie
12-03-2015
Zaaknummer
AWB - 12 _ 2650 en 12_2800
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BPM. Voldoening op aangifte en naheffing. Nihilaangifte. Geen belang bij bezwaar, dus bezwaar had niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Uitleg compromis ter zake van de waarde. Heffing niet in strijd met Unierecht. Overschrijding redelijke termijn. Bijzondere omstandigheden. Geen integrale proceskostenvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-0672
FutD 2015-0673
NTFR 2015/999
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 12/2650 en AWB 12/2800

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 maart 2015

in de zaken tussen

[X], te [Z], eiser

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft nihilaangifte belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) gedaan ter zake van een auto van het merk Audi, type [A] (hierna: de auto).

Verweerder heeft aan eiser op 26 januari 2011 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000]) BPM opgelegd van € 1.710 ter zake van de auto.

Verweerder heeft in twee afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 14 mei 2012 de bezwaren ongegrond verklaard.

Eiser heeft bij brief van 5 juni 2012, ontvangen door de rechtbank op 7 juni 2012, beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar inzake de naheffingsaanslag. Eiser heeft bij brief van 11 juni 2012, ontvangen door de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar inzake de voldoening op aangifte.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken (waaronder pleitnota’s) ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2015.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, [B] en mr. [C]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] en drs. [D].

Ter zitting zijn gelijktijdig de beroepen behandeld van eiser met de zaaknummers AWB 11/5368, 12/2645, 12/2786, 12/2653, 12/2801, 12/2655, 12/2806, 12/2659, 12/2804, 12/2667, 12/2772, 12/2670, 12/2771, 12/2673 en 12/2770.

Overwegingen

Feiten

1. De auto is door tussenkomst van eiser op 28 december 2010 in Duitsland gekocht voor een bedrag van € 11.000. De cataloguswaarde van de auto inclusief accessoires bedraagt € 48.856.

2. Op 11 januari 2011 heeft eiser aangifte gedaan voor de BPM ter zake van de auto. In de berekening bij de aangifte is onder 3. bij de vraag welke methode wordt gekozen voor de vermindering op de BPM “Taxatierapport” aangekruist. Bij de aangifte is ook een taxatierapport gevoegd van [E], werkzaam voor [F]. Daarin zijn de handelsinkoopwaarde van de auto en de verschuldigde BPM berekend op nihil. In dit rapport is de handelsinkoopwaarde berekend door op de cataloguswaarde van de auto inclusief accessoires van € 48.856 een waardevermindering van € 34.190, een afschrijving op accessoires van € 4.148, een bedrag vanwege meerkilometers van € 3 en een bedrag aan schade van € 10.618 in mindering te brengen. Eiser heeft geen BPM op aangifte voldaan. Bij het rapport is een uitdraai van de koerslijst [G] gevoegd, waaruit een waarde zonder aftrek voor schade van € 10.515 blijkt.

3. Verweerder heeft een bedrag van € 1.710 nageheven. Deze naheffing is gebaseerd op de afschrijving op grond van de tabel van het toenmalige artikel 8, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.

Geschil

4. Tussen partijen is in geschil:

  • -

    of de BPM tot het juiste bedrag is vastgesteld;

  • -

    of sprake is van schadevergoedingsplicht van verweerder, inclusief de grondslagen en de omvang daarvan;

  • -

    de vraag of eiser in aanmerking komt voor een (boven)forfaitaire vergoeding van de proceskosten die hij in verband met de behandeling van de bezwaren en beroepen heeft gemaakt.

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid bezwaar

5. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder het bezwaar tegen de voldoening op aangifte niet-ontvankelijk had dienen te verklaren, nu geen belang bestond bij bezwaar. Er was immers sprake van een nihilaangifte. De rechtbank deelt dit standpunt. Dat betekent dat het beroep gegrond is en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Verschuldigde BPM

6. Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de wijze van vaststelling van de verschuldigde BPM. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat 72% van de door de taxateur vastgestelde schade in mindering komt op de waarde van de auto. Partijen hebben afgesproken dat op dit punt geen hoger beroep zal worden ingesteld. Aan de vraag of eiser de vereiste aangifte heeft gedaan wordt om die reden niet toegekomen.

7. De rechtbank begrijpt de overeenstemming tussen partijen aldus dat zij het erover eens zijn dat het gedeelte van 72% van de schade in mindering wordt gebracht op de waarde volgens de koerslijst van [G] die door eiser bij de aangifte is gebruikt. Weliswaar bevindt zich in het dossier ook een berekening van [H], maar op de taxatie bij de aangifte is vermeld dat de waarde zonder schade € 10.515 bedraagt. Dit bedrag komt overeen met de koerslijstwaarde volgens [G]. Het feit dat verweerder de naheffing heeft gebaseerd op de tabel maakt het voorgaande niet anders. Weliswaar is de afschrijving op basis van de tabel gunstiger dan die op basis van de koerslijstwaarde, maar gelet op het standpunt van eiser dat de tabel in het geheel niet kan dienen om de waarde van een auto te bepalen, houdt de rechtbank het ervoor dat eiser niet heeft bedoeld in het kader van het compromis daarmee in te stemmen. Evenmin kan aansluiting worden gezocht bij de handelsinkoopwaarde van € 18.190 die verweerder heeft berekend, nu die rechtstreeks is afgeleid uit de aankoopprijs voor de auto in Duitsland. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2009, ECLI: NL:HR:2009:BK3079 kan de hoogte van de verschuldigde BPM hierop niet gebaseerd worden. Dit heeft verweerder ook erkend. Daaruit leidt de rechtbank af dat er geen geschil is over de waarde van de auto waarop de schade in mindering wordt gebracht.

8. De waarde volgens de koerslijst van [G] bedraagt € 10.515. De gecalculeerde schade bedraagt € 10.618. 72% daarvan is € 7.645. Dit betekent dat de handelsinkoopwaarde van de auto door partijen is gesteld op € 2.870.

9. Uitgaand van voornoemde handelsinkoopwaarde en de cataloguswaarde van € 48.856 bedraagt de afschrijving 94,13%. Uitgaand van de historische BPM van € 11.931 is bij deze afschrijving € 700 BPM verschuldigd. De rechtbank zal de naheffingsaanslag verminderen tot dat bedrag.

10. Gezien het voorgaande is ook het beroep in verband met de naheffing gegrond.

Schadevergoeding op grond van geleden renteverlies

11. De rechtbank dient vast te stellen of een gedeelte van de betaalde belasting in strijd met het Unierecht is geheven, nu dit van belang is voor de vraag vanaf welk moment verweerder rente dient te vergoeden over hetgeen te veel is nageheven. Daarbij weegt de rechtbank de volgende aspecten mee. Eiser is in de gelegenheid gesteld aangifte te doen op basis van een koerslijst, een taxatierapport of de tabel. Weliswaar hanteerde verweerder in de periode waarin de aangifte is gedaan op basis van de wet een verkeerde afschrijvingsgrondslag, te weten de inkoopwaarde (de zogenoemde 12%-regeling), maar dit heeft in dit geval niet geleid tot betaling van te veel belasting door eiser, doordat op aangifte niets verschuldigd was en is nageheven op basis van de tabel, waarbij de 12%-regeling niet aan de orde is. Ook zonder vermindering van de afschrijvingsgrondslag met 12% was naheffing op basis van de door verweerder gehanteerde handelsinkoopwaarde of de koerslijst bovendien minder gunstig dan naheffing op grond van de tabel. Uit de overgelegde berekening leidt de rechtbank af dat verweerder het verschil in uitkomst op basis van de koerslijstwaarde (zonder schade) van € 10.515 in de beoordeling heeft betrokken. Uitgaand van die waarde en de historische nieuwprijs / cataloguswaarde van € 48.856 had de afschrijving 78,48% bedragen, terwijl met gebruikmaking van de tabel rekening is gehouden met een afschrijving van 85,667%. Naar het oordeel van de rechtbank is in deze omstandigheden geen sprake van heffing in strijd met het Unierecht. Het geschil concentreert zich louter op de waarde van de auto en de vraag welke methode het meest gunstig is. Verweerder heeft vanuit de door hem gehanteerde methoden en de daarbij in dit geval aan de auto toe te kennen waarden de meest gunstige gekozen. Het enkele feit dat het in dit geval de tabel is die het meest gunstige resultaat oplevert maakt de heffing niet in strijd met het Unierecht. Het is gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) inzake Gomes Valente (22 februari 2001, nr. C‑393/98, ECLI: EU:C:2001:109) toegestaan (kort gezegd) een stelsel van belastingheffing toe te passen waaronder de vermindering van de waarde van een voertuig algemeen en abstract wordt berekend op basis van forfaitaire criteria en tabellen, indien daardoor wordt gewaarborgd dat de belasting die verschuldigd is het bedrag van de belasting die nog rust op de waarde van vergelijkbare voertuigen die reeds op het nationale grondgebied zijn geregistreerd niet, zelfs niet in een klein aantal gevallen, overschrijdt. Doordat de tabel slechts wordt toegepast wanneer dit leidt tot een lager verschuldigd bedrag, wordt dit effect naar het oordeel van de rechtbank bereikt. Dat in dit geval uiteindelijk een nog lager bedrag aan belasting verschuldigd wordt doordat partijen ter zake van de in aanmerking te nemen schade bij wijze van compromis 72% van de gecalculeerde schade als waardevermindering zijn overeengekomen doet daaraan niet af.

12. Eiser heeft daarom recht op vergoeding van rente op grond van de nationale regelgeving.

Immateriële schadevergoeding

13. Eiser heeft verzocht om een immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

14. Uit de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011, ECLI: NL:HR:2011:BO5046, en van 9 augustus 2013, ECLI: NL:HR:2013:199, volgt dat rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden mede ten grondslag ligt, ertoe noopt dat ook de beslechting van belastinggeschillen binnen een redelijke termijn plaatsvindt. Een overschrijding van die termijn leidt, behoudens bijzondere omstandigheden, in de regel tot spanning en frustratie, wat grond vormt voor vergoeding van immateriële schade met toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht, aldus de Hoge Raad. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. Bij overschrijding van deze termijn dient tevens te worden bepaald in hoeverre de overschrijding is toe rekenen aan het bestuursorgaan respectievelijk de rechterlijke macht. Voor deze toerekening heeft als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt.

15. De ontvangstdatum van het eerste bezwaarschrift is 24 januari 2011. De termijn is geëindigd met deze uitspraak. Tussen 24 januari 2011 en heden zijn meer dan twee jaren verstreken.

16. De rechtbank is evenwel van oordeel dat sprake is van omstandigheden die aanleiding geven om de redelijke termijn voor de onderhavige procedure op een langere termijn dan twee jaren te stellen. De gemachtigde van eiser heeft vanaf mei 2010 een zeer groot aantal gelijksoortige bezwaarschriften tegen de heffing van BPM bij verweerder ingediend. Vanaf medio 2011 hebben verweerder en de gemachtigde besprekingen gevoerd teneinde tot een oplossing te komen voor deze geschillen. Het is aannemelijk dat door middel van overleg sneller beslist zou kunnen worden op de zeer grote aantallen bezwaarschriften dan wanneer in elke individuele zaak op het bezwaar beslist zou moeten worden. De besprekingen hebben geleid tot een op 17 februari 2012 gesloten vaststellingsovereenkomst, waarna de gemachtigde van eiser het merendeel van de door hem ingediende bezwaarschriften (60%) heeft ingetrokken. Nadat de gemachtigde had aangegeven welke bezwaren niet werden ingetrokken, heeft verweerder alsnog binnen een tijdsbestek van enkele maanden op die bezwaren uitspraak gedaan. Nu niet is gebleken dat de gemachtigde voorafgaand aan de besprekingen een deel van de bezwaarschriften heeft uitgezonderd van de besprekingen, gaat de rechtbank ervan uit dat ook namens eiser is ingestemd met een verlenging van de termijn als gevolg van het overleg. Voor zover dat al niet het geval zou zijn, is het naar het oordeel van de rechtbank bovendien te billijken dat verweerder eerst heeft getracht een overeenkomst over het grootste deel van de lopende zaken te sluiten alvorens op de overige, inhoudelijk vergelijkbare zaken te beslissen. Het ligt immers voor de hand dat verweerder de onderhandelingen niet wenste te doorkruisen. Dit betekent dat voor de berekening van de overschrijding van de redelijke termijn de periode van 1 juni 2011 tot 17 februari 2012 niet wordt meegerekend. Voorts heeft de procedure bij de rechtbank stilgelegen van 1 oktober 2012 tot 19 december 2013 in verband met het feit dat het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch prejudiciële vragen aan het HvJ had gesteld, waarvan de beantwoording relevant was voor de onderhavige zaken.

17. Voornoemde bijzondere omstandigheden geven aanleiding de redelijke termijn te verlengen met 8½ maand voor de bezwaarfase en 14½ maand voor de beroepsfase. De redelijke termijn bedraagt gelet hierop drie jaren en elf maanden. Deze termijn is met minder dan een half jaar overschreden. Die overschrijding is in dit geval overwegend toe te schrijven aan de bezwaarfase.

18. Als uitgangspunt voor de schadevergoeding wordt een tarief gehanteerd van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden. In een geval als het onderhavige, waarin meer zaken van een belastingplichtige gezamenlijk zijn behandeld, dient in dit verband te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per halfjaar gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel, in dit geval vanaf de ontvangst van het eerst ingediende bezwaarschrift (vergelijk de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2014, ECLI: NL:HR:2014:700 en 21 maart 2014, ECLI: NL:HR:2014:540).

19. Het bezwaar en het beroep tegen de voldoening op aangifte en dat tegen de naheffingsaanslag zijn door verweerder en de rechtbank gelijktijdig behandeld en hebben in hoofdlijnen betrekking op dezelfde juridische vraagstukken, waarvan de inhoud heeft bijgedragen aan de overschrijding van de termijn. Deze hebben ook geresulteerd in uitspraken op bezwaar die in één geschrift zijn vervat en in één uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser voldoende wordt gecompenseerd voor de overschrijding van de redelijke termijn door een vergoeding van € 500. De rechtbank zal daarom verweerder veroordelen tot betaling van een vergoeding van € 500.

Proceskostenvergoeding

20. Eiser heeft verzocht om vergoeding van de daadwerkelijk door hem gemaakte proceskosten.

21. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit) worden de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beginsel forfaitair berekend. In bijzondere omstandigheden bestaat echter de mogelijkheid om een hogere vergoeding toe te kennen. Hiervoor bestaat in ieder geval aanleiding indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand kan houden (Hoge Raad 13 april 2007, nr. 41235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Ook indien het bestuursorgaan op andere wijze verregaand onzorgvuldig heeft gehandeld kan dit grond opleveren om een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit aanwezig te achten (Hoge Raad 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975).

22. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van een bijzondere omstandigheid die een integrale proceskostenvergoeding rechtvaardigt. Dat een onjuist bevonden standpunt van verweerder in strijd is met het Unierecht is op zichzelf onvoldoende om een bijzondere omstandigheid aanwezig te achten aangezien bij een schending van Europees recht geen sprake is van een andere of ernstiger vorm van onrechtmatigheid dan bij schending van nationaal recht (Hoge Raad 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810). Voor zover eiser bedoeld heeft te stellen dat het verweerder reeds ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag duidelijk had moeten zijn dat de eigen aankoopprijs onvoldoende grondslag voor naheffing bood, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2009, genoemd in overweging 7, overweegt de rechtbank dat uit dat arrest slechts blijkt dat de hoogte van de verschuldigde BPM niet gebaseerd kan worden op de waarde van de auto. Hieruit volgt niet zonder meer dat de eigen aankoopprijs geen aanwijzing kan vormen dat te weinig BPM op aangifte is voldaan. Nu verweerder in de beroepsfase heeft erkend dat voor de hoogte van de naheffing niet kan worden uitgegaan van de eigen aankoopprijs en heeft ingestemd met de koerslijstwaarde als uitgangspunt, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van tegen beter weten in handelen of anderszins verregaand onzorgvuldig handelen van verweerder.

23. Gelet op het voorgaande heeft eiser recht op een forfaitaire vergoeding van de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarbij wordt geen vergoeding toegekend voor de kosten van het bezwaar inzake de aangifte, nu het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard en derhalve geen sprake is van herroeping van een besluit in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht of een situatie als bedoeld in Hoge Raad 19 december 2014, ECLI: NL:HR:2014:3603.

24. Ter zake van de behandeling van het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de beroepen is de vraag of sprake is van samenhangende zaken in de zin van het Besluit.

25. Bij Besluit van 27 oktober 2014 (Stb. 2014, 411) is artikel 3, tweede lid, van het Besluit gewijzigd. Dat artikellid luidt met ingang van 1 januari 2015 als volgt:

“Samenhangende zaken zijn: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.”

26. Op grond van het overgangsrecht, dat is opgenomen in artikel II van het Besluit van 27 oktober 2014, heeft de wijziging onmiddellijke werking. Dat betekent dat zowel de proceskostenvergoeding in beroep als de kostenvergoeding in bezwaar op basis van het gewijzigde artikel 3, tweede lid, van het Besluit moet worden vastgesteld.

27. Eiser heeft betwist dat sprake is van samenhangende zaken in de zin van het Besluit.

28. Met betrekking tot de voldoening op aangifte volgt de rechtbank het standpunt van eiser, nu het desbetreffende beroep gegrond is wegens het feit dat het bezwaar ten onrechte ontvankelijk is geacht. De beoordeling van het belang bij bezwaar is een inhoudelijk oordeel dat losstaat van de overige problematiek en de werkzaamheden van de gemachtigde van eiser kunnen dan ook niet als nagenoeg identiek aan die in (nagenoeg) gelijktijdig behandelde zaken worden beschouwd.

29. Naar het oordeel van de rechtbank overwegen ter zake van het bezwaar en het beroep tegen de naheffing individuele kenmerken over zaken als schade, waardoor ook voor die procedure niet geoordeeld kan worden dat sprake is van samenhang in de zin van het Besluit tussen deze zaak en de overige naheffingsprocedures die door verweerder dan wel de rechtbank gelijktijdig zijn behandeld. De werkzaamheden van de gemachtigde in die procedures konden niet nagenoeg identiek zijn.

30. Ook het beroep in verband met de voldoening op aangifte en het beroep in verband met de naheffingsaanslag vormen naar het oordeel van de rechtbank onderling geen samenhangende zaken in de zin van het Besluit. Weliswaar staat uiteindelijk de vraag centraal welk bedrag aan BPM verschuldigd is, maar de argumenten ter zake van de aangifte zijn andere dan die ter zake van de naheffing, waardoor geen sprake is van nagenoeg identieke werkzaamheden van de gemachtigde.

31. Dit betekent dat aan eiser voor de bezwaarfase op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand een kostenvergoeding toekomt van € 486 voor het bezwaar tegen de naheffingsaanslag (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 243). Voor de beroepsfase zijn de kosten voor de aangifte (zaaknummer AWB 12/2800) op de voet van het Besluit vastgesteld op € 487 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 0,5 voor een lichte zaak). Daartoe overweegt de rechtbank dat sprake is van een lichte zaak, nu slechts de ontvankelijkheid van het bezwaar aan de orde is gekomen en evident is dat bij een nihilaangifte BPM geen belang bij bezwaar bestaat, nu eiser niet in een betere rechtspositie kan komen te verkeren met een uitspraak van verweerder. Voor de naheffing (zaaknummer AWB 12/2650) zijn de kosten vastgesteld op € 974 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1).

32. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. De totale vergoeding bedraagt gelet hierop € 486 voor de bezwaarfase en € 1.461 voor de beroepsfase, oftewel in totaal € 1.947.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    verklaart het bezwaar tegen de voldoening op aangifte niet-ontvankelijk;

  • -

    stelt de naheffingsaanslag vast op € 700;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder tot het vergoeden van de door eiser geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.947;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 312 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.W.H. van Brandenburg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 12 maart 2015

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.