Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:1508

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-03-2015
Datum publicatie
12-03-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 6640, AWB - 14 _ 6641 en AWB - 14 _ 6642
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:3597, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet arbeid vreemdelingen. Werkgeversketen. Verweerder heeft de boete voor alle werkgevers met 50% gematigd gelet op de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument van de vreemdeling. Voorts heeft verweerder de opgelegde boete aan de uitlener met 50 % gematigd omdat het stappenplan is gevolgd en geïntegreerd in de administratieve werkwijze zoals de website van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid www.weethoehetzit.nl en de boete opgelegd aan de inleners met 25% gematigd omdat zij de vreemdeling hebben ingehuurd via een gecertificeerd uitzendbureau. De rechtbank ziet geen reden om op de opgelegde boetes nog verder te matigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/6640, AWB 14/6641 en AWB 14/6642

Uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres 1],

[eiseres 2] ,

[eiseres 3]

allen te [vestigingsplaats],

tezamen aan te duiden als eiseressen,

(gemachtigde: mr. L.G. Hirdes),

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te 's-Gravenhage, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2014 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan[eiseres 1]een boete opgelegd van € 3.000 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav). Bij besluit van 4 augustus 2014 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 20 maart 2014 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan[eiseres 2] een boete opgelegd van € 4.500 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid van de Wav. Bij besluit van 5 augustus 2014 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 20 maart 2014 (het primaire besluit III) heeft verweerder aan [eiseres 3] een boete opgelegd van € 3.000 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid van de Wav. Bij besluit van 4 augustus 2014 (hierna: het bestreden besluit III) heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseressen hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2015. Eiseressen hebben zich laten vertegenwoordigen door [naam 1], directeur-grootaandeelhouder van eiseressen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E. van der Kamp.

De zaken zijn ter zitting gevoegd behandeld met de zaak met registratienummer 14/5079.

Na de zitting is de behandeling weer gesplitst.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als overtreding aangemerkt.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten, welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

Op grond van artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2012 (hierna: Beleidsregels 2012) wordt bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid van de Wav voor alle overtredingen als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de ‘Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav’ die als bijlage bij deze beleidsregels zijn gevoegd. Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav gesteld op € 8.000 per persoon per overtreding

Per 1 januari 2013 is de Wav gewijzigd in het kader van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Stb. 2012, 462). Ook de Beleidsregels 2012 zijn per 1 januari 2013 herzien. In de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2013 (hierna: Beleidsregels 2013), is voor zover thans relevant, het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav, vastgesteld op € 12.000.

Gelet op artikel XXV, tweede lid, van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving zijn op het door [eiseres 3] ingestelde beroep de Wav en de Beleidsregels 2012 van toepassing zoals deze golden tot 1 januari 2013. Op de beroepen van [eiseres 1] en [eiseres 2] zijn de Wav en de Beleidsregels 2013 van toepassing zoals deze luiden sinds 1 januari 2013.

2. Nederland heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om ingevolge Bijlage VI, bedoeld in artikel 23 van de Toetredingsakte: overgangsmaatregelen Roemenië (Publicatieblad van de Europese Unie, 21 juni 2005, L 157/203) het recht op het vrij verkeer van werknemers van Roemeense nationaliteit, zoals neergelegd in artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, tijdelijk te beperken en heeft door voortzetting van de overgangsperiode de vergunningsplicht ingevolge de Wav tot 1 januari 2014 gehandhaafd (Kamerstukken II 2011/12, 29 407, nr. 132).

3. Verweerder heeft de bestreden besluiten gebaseerd op het boeterapport van 10 januari 2014, op ambtsbelofte opgemaakt door[naam 5], inspecteur van de arbeidsinspectie (hierna: het boeterapport). Dit boeterapport houdt in dat uit administratieve controles is gebleken dat een vreemdeling, via[eiseres 1]in de periode van 6 juli 2012 tot en met 7 februari 2013 voor werkzaamheden was uitgeleend aan onder meer[eiseres 2] en [eiseres 3]. Het betreft [naam 4], geboren op [geboortedatum], van de Roemeense nationaliteit (hierna: de vreemdeling). De vreemdeling heeft voor[eiseres 2] en [eiseres 3] in deze periode verschillende werkzaamheden verricht. Voor deze door de vreemdeling verrichte werkzaamheden was geen tewerkstellingsvergunning afgegeven.

4. Bij het primaire besluit I heeft verweerder aan[eiseres 1]een boete opgelegd voor het overtreden van artikel 2, eerste lid van de Wav. Omdat in de praktijk is gebleken dat de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument van de vreemdeling luidende ‘(..) Arbeid toegestaan, TWV alleen gedurende de eerste 12 maanden vereist (..)’ niet altijd door de werkgever werd begrepen heeft verweerder de boete gematigd met 50% en is de boete verlaagd van € 12.000 naar € 6.000. Nu[eiseres 1]voorts heeft verklaard het stappenplan te hebben gevolgd en geïntegreerd in haar administratieve werkwijze zoals de website van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid www.weethoehetzit.nl aangeeft, heeft verweerder aanleiding gezien om de boete nogmaals met 50% te matigen en is de boete verlaagd naar € 3.000.
Bij de primaire besluiten II en III heeft verweerder eveneens in de arbeidsaantekening aanleiding gezien om de opgelegde boetes met 50% te matigen. In de omstandigheid dat zowel[eiseres 2] als [eiseres 3] de vreemdeling hebben ingehuurd via het gecertificeerde uitzendbureau[eiseres 1]heeft verweerder aanleiding gezien om de boete verder met 25% te matigen. Dit betekent dat de aan[eiseres 2] op te leggen boete van € 12.000 bij het primaire besluit II is gematigd tot € 4.500. De aan [eiseres 3] op te leggen boete van € 8.000 is bij het primaire besluit III gematigd tot

€ 3.000.

5. Door eiseressen is niet betwist dat de vreemdeling in de desbetreffende periode ten behoeve van eiseresessen werkzaamheden heeft verricht zonder dat daarvoor de vereiste tewerkstellingsvergunning was afgegeven, zodat verweerder bevoegd was een boete op te leggen wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav.

6. Het geschil beperkt zich tot de vraag of de door verweerder van boeteoplegging had moeten afzien, of de opgelegde boetes verder had moeten matigen.

7. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ( hierna: de Afdeling) gaat het bij het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav om de aanwending van een discretionaire bevoegdheid. Verweerder moet bij de aanwending van deze bevoegdheid, zoals thans neergelegd in artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

De door verweerder vastgestelde Beleidsregels 2012 waarin de boetebedragen voor de overtredingen zijn vastgesteld zoals deze golden tot 1 januari 2013, zijn als zodanig niet onredelijk. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2653). De per 1 januari 2013 in werking getreden Beleidsregels 2013 acht de rechtbank evenmin onredelijk. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:230).

Ook bij de toepassing van deze beleidsregels en de daarin vastgestelde boetebedragen dient verweerder in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is.

De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuur met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.

8. Eiseressen voeren allereerst aan dat hun boetes met meer dan 50% gematigd moet worden vanwege het vertrouwen dat is gewekt door de ogenschijnlijk duidelijke tekst van de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument van de vreemdeling.

9. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat er geen aanleiding is om de boete vanwege de arbeidsmarktaantekening met meer dan 50% te matigen. In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2632.

10. De rechtbank ziet aanleiding om met betrekking tot de arbeidsmarktaantekening nog het volgende te overwegen.

Op pagina 2 van het boeterapport is vermeld dat[naam 2], bedrijfsleider bij […] Holding B.V (hierna: [naam 2]), ten aanzien van de arbeidsmarktaantekening heeft verklaard ‘dat hij bij de aanstelling van de vreemdeling in de veronderstelling was geweest dat het hebben van een geldige verblijfsvergunning en een sofinummer voldoende waren geweest om de[naam 4]te laten werken, mede omdat de[naam 4]in het salarissysteem op ‘verlonen’ kon worden gezet’.
Op pagina 3 van het boeterapport is voorts vermeld dat de heer[naam 2] heeft verklaard dat: ‘hij bij de aanstelling van de[naam 4]de tekst op de verblijfsvergunning niet had gelezen’.

De rechtbank is van oordeel dat uit een en ander niet blijkt dat eiseressen op de arbeidsmarktaantekening hebben vertrouwd. Aan de later ingenomen stelling dat[naam 2] vóór de tewerkstelling van de vreemdeling de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument heeft gelezen en hierdoor op het verkeerde been is gezet gaat de rechtbank voorbij nu de inhoud van deze verklaring geheel afwijkt van hetgeen in het boeterapport is vermeld en eiseressen niet hebben onderbouwd waarom deze latere verklaring als juist moet worden aanvaard.

Verweerder heeft zich ter zitting dus terecht op het nadere standpunt gesteld dat de matiging met 50% achteraf gezien ten onrechte heeft plaatsgevonden. In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3699).

11. Voorts hebben eiseressen betoogd dat van boeteoplegging dient te worden afgezien nu zij, gelet op de ongedateerde verklaring van de servicedesk van het UWV werkbedrijf (hierna: UWV) die de vreemdeling bij zijn aanstelling aan[naam 2] heeft getoond en verstrekt, ervan uit mochten gaan dat de vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning in Nederland mocht werken. Ter onderbouwing hebben eiseressen een e-mail van [naam 1]van 29 oktober 2013, een verklaring van[naam 1] van 10 oktober 2014 en een verklaring van [naam 3]van 4 februari 2015 overgelegd. Daar komt nog bij dat uit gegevens van Suwinet is gebleken dat de vreemdeling tussen 2008 en 2011 voor verschillende werkgevers werkzaam is geweest. Deze omstandigheden hebben eiseressen gesterkt in hun overtuiging dat de vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning in Nederland arbeid mocht verrichten.

12. De omstandigheid dat het UWV in evenbedoelde verklaring heeft aangegeven dat de vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning kon werken kan eiseressen niet baten nu zij niet aannemelijk hebben gemaakt vóór de tewerkstelling van de vreemdeling deze verklaring te hebben gezien en hierop te hebben vertrouwd. Uit het boeterapport blijkt immers dat de verklaring van het UWV door de inspecteurs niet in het personeelsdossier van de vreemdeling is aangetroffen. Het betoog van eiseressen dat dit niet betekent dat deze informatie zich niet in de administratie van eiseressen bevond dan wel door de vreemdeling bij aanvang van zijn werkzaamheden is getoond kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Daartoe acht de rechtbank redengevend dat uit het boeterapport en de e-mail van [naam 5], inspecteur bij de arbeidsinspectie, van 1 november 2013 blijkt dat de inspecteurs op 7 februari 2013 het gehele personeelsdossier hebben bekeken, zowel digitaal als de papieren versie. Bovendien heeft[naam 2] ten overstaan van de inspecteurs verklaard dat hij bij de aanstelling van de vreemdeling in de veronderstelling verkeerde dat het hebben van een geldige verblijfsvergunning en een sofinummer voldoende was om de vreemdeling te laten werken, mede omdat de vreemdeling in het salarissysteem op ‘verlonen’ kon worden gezet. De vreemdeling heeft voorts ten overstaan van de inspecteurs verklaard in het bezit te zijn van een verklaring van het UWV waaruit blijkt dat hij zonder tewerkstellingsvergunning mocht werken. De inspecteurs hebben de vreemdeling verzocht deze verklaring via[naam 2] aan hen te doen toekomen. Vervolgens heeft[naam 2] op de dag na de controle, 8 februari 2013, de verklaring doorgestuurd aan de inspecteurs.[naam 2] heeft op dat moment niet aan de inspecteurs kenbaar gemaakt deze verklaring toch in zijn bezit te hebben gehad noch vermeld dat hij deze voor aanvang van de werkzaamheden van de vreemdeling heeft gezien. Bovendien heeft de heer Logger, werkcoach bij het UWV, verklaard dat geen enkele werkgever of uitzendbureau contact met het UWV heeft opgenomen over de vreemdeling, en is in het boeterapport op pagina 6 vermeld dat de vreemdeling heeft verklaard dat hij de brief alleen aan twee niet nader te noemen uitzendbureaus heeft getoond. Verder is van belang dat [naam 1]op 17 oktober 2013 is gehoord door de inspecteurs en naar aanleiding van de vraag of hij een reactie kon geven op het feit dat de verklaring van het UWV niet in het personeelsdossier van de vreemdeling zat, heeft aangegeven dat hij dit niet weet. Gelet hierop kunnen aan de e-mail van[naam 1]van 29 oktober 2013 en de verklaring van[naam 2] van 10 oktober 2014, waarin wordt aangevoerd dat de verklaring van het UWV tijdens de controle van de inspecteurs wel in het bezit van eiseressen was en /dan wel dat[naam 2] voor aanvang van de tewerkstelling van de vreemdeling de verklaring van het UWV wél heeft gezien, mede gelet op het tijdsverloop sinds de controle op 7 februari 2013, niet de betekenis worden gehecht die eiseressen daaraan gehecht wensen te zien. De verklaring van [naam 3] van 4 februari 2015 leidt de rechtbank evenmin tot een ander oordeel, nu deze verklaring afwijkt van de verklaring die[naam 3]op 20 juni 2013 ten overstaan van de inspecteurs heeft afgelegd. [naam 3] heeft op 20 juni 2013 verklaard naar aanleiding van de arbeidsmarktaantekening contact te hebben opgenomen met[naam 2]. Hierbij heeft hij, anders dan op 4 februari 2015, niet verklaard dat[naam 2] de conclusie dat de vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning kon werken heeft gebaseerd op de verklaring van het UWV. Daarbij acht de rechtbank mede van belang dat [naam 3]op 20 juni 2013 heeft verklaard dat[naam 2] de verklaring van het UWV pas na de controle van de inspecteurs aan hem heeft doen toekomen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank in de verklaring van het UWV geen grond voor een verdere matiging van de aan eiseressen opgelegde boetes.

In de gegevens van Suwinet ziet de rechtbank evenmin aanleiding voor verdere matiging van de boetes, nu, daargelaten de vraag of eiseressen aan dergelijke gegevens een gerechtvaardigd vertrouwen konden ontlenen, ook ten aanzien van deze gegevens niet is gebleken dat eiseressen deze gegevens vóór de tewerkstelling van de vreemdeling hebben gezien en hierop hebben vertrouwd. Uit het boeterapport blijkt immers dat deze gegevens niet in de administratie van eiseressen is aangetroffen en dat[naam 2] van deze gegevens ten overstaan van de inspecteurs op 7 februari 2013 geen melding heeft gemaakt. Pas nadat de vreemdeling deze gegevens op 8 februari 2013 aan[naam 2] heeft doen toekomen, heeft[naam 2] deze gegevens aan verweerder overgelegd. Bovendien stelt [naam 1]in zijn e-mail 29 oktober 2013 dat[naam 2] er niet zeker van is de uitdraai van Suwinet bij de aanvang van de werkzaamheden van de vreemdeling te hebben gezien dan wel gekopieerd. Gelet hierop slaagt de beroepsgrond niet.

13. Het betoog van eiseressen dat verweerder niet heeft voldaan aan de op hem rustende zorgplicht nu het hem in 2009 al bekend was dat de vreemdeling werkzaamheden verrichtte zonder tewerkstellingsvergunning en zijn werkgevers er mede op basis van de door het UWV met betrekking tot de vreemdeling verstrekte informatie er (ten onrechte) van uitgingen dat dit hem vrijstond en verweerder desondanks geen enkele poging heeft ondernomen om potentiële nieuwe werkgevers voor overtreding van de Wav te behoeden, slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. In het boeterapport is vermeld de vreemdeling in 2009 illegaal te werk is gesteld. Hem is toentertijd medegedeeld dat hij niet gerechtigd was om te werken zonder een tewerkstellingsvergunning. Zulks wordt ook op zijn verblijfsdocument vermeld. Potentiële werkgevers hadden gelet op de arbeidsmarktaantekening en de nationaliteit van de vreemdeling moeten weten dat de vreemdeling niet zonder meer vrij was op de arbeidsmarkt en bij onduidelijkheid hieromtrent informatie kunnen inwinnen bij de daartoe bevoegd instantie betreffende de arbeidsmarktaantekening. Aan de zijde van de overheid is derhalve voldoende gedaan om aan te geven dat de vreemdeling niet zonder meer gerechtigd is werkzaamheden te verrichten.

14. Zoals hiervoor onder 10 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat eiseressen op de arbeidsmarktaantekening hebben vertrouwd, en dat de matiging met 50% ten onrechte heeft plaatsgevonden.

Dat betekent dat de rechtbank bij haar oordeel over de vraag of de opgelegde boetes evenredig zijn, geen matiging zal toepassen in verband met de arbeidsmarktaantekening.

Personeelsdiensten heeft het stappenplan gevolgd en geïntegreerd in haar administratieve werkwijze.[eiseres 2] en [eiseres 3] hebben de vreemdeling ingehuurd via een gecertificeerd uitzendbureau. In deze omstandigheden en in de omstandigheden dat eiseressen te goeder trouw waren, aan eiseressen voor het eerst een boete wordt opgelegd op grond van de Wav, zij de verschuldigde belastingen en premies voor de vreemdeling hebben afgedragen, de vreemdeling niet hebben onderbetaald en uitgebuit, en zij geen financieel voordeel van de tewerkstelling heeft behaald ziet de rechtbank geen aanleiding om tot verdere matiging van de aan eiseressen opgelegde boetes over te gaan.

15. Voorts hebben eiseressen, met een beroep op het gelijkheidsbeginsel, erop gewezen dat verweerder de boete die aan [bedrijf] was opgelegd als gevolg van werkzaamheden van dezelfde vreemdeling geheel heeft kwijtgescholden, omdat [naam 3] alvorens de vreemdeling te werk te stellen navraag heeft gedaan bij[naam 2] die op zijn beurt op grond van informatie verkregen van het UWV heeft bevestigd dat de vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning in Nederland mocht werken.
Daargelaten het door verweerder ter zitting ingenomen standpunt dat de kwijtschelding van de boete aan[bedrijf] een kennelijke misslag betrof nu[naam 2] geen informatie heeft ingewonnen bij het UWV alvorens de vreemdeling te werk te stellen, kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen nu geen sprake is van gelijke gevallen. Eiseressen hebben immers, gelet op het hiervoor overwogene, niet aannemelijk gemaakt voor de tewerkstelling van de vreemdeling contact te hebben opgenomen met het UWV. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:173) niet zo ver strekt dat verweerder de bij[bedrijf] gemaakte fout in de voorliggende zaken dient te herhalen.

16. Eiseressen hebben tot slot aangevoerd dat zij gezien hun precaire financiële situatie, door de boete onevenredig zullen worden getroffen. Eiseressen behoren alle drie tot de […] Groep. Nu de vreemdeling ook voor alle drie de ondernemingen werkzaamheden heeft verricht en zij hiervoor beboet zijn, wordt de […] Groep door de boeteoplegging niet eenmaal, maar driemaal getroffen. Bovendien is[eiseres 1]een gecertificeerd bedrijf dat bij haar relaties als betrouwbaar bekend staat. Door de opgelegde boete lijdt de […] Groep forse imagoschade en financiële schade. De relaties hebben zonder uitzondering aan[eiseres 1]laten weten de aan hen opgelegde boetes op haar te zullen verhalen. Eiseressen verwachten dat de kosten zullen oplopen tot een totaalbedrag van € 400.000. De bank heeft het vertrouwen in de financiële gezondheid van de […] Groep inmiddels opgezegd.

17. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de kennelijke betalingsverplichting van[eiseres 1]ten opzichte van haar opdrachtgevers voortvloeit uit zakelijke motieven en past binnen een normaal ondernemersrisico en derhalve geen omstandigheid is die noopt tot matiging van de opgelegde boete. De rechtbank verwijst voor dit oordeel naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraken van 27 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2554 en 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:242). In de omstandigheid dat eiseressen, zoals gesteld, door de boete driemaal worden getroffen heeft verweerder, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ4019) evenmin aanleiding hoeven zien om tot matiging van de boete over te gaan. De stelling dat eiseressen financiële schade lijden doordat zij imagoschade hebben opgelopen en hierdoor opdrachten en omzet mislopen kan ook niet leiden tot een verdere matiging van de boete. De rechtbank wijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 3 maart 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BL6226).

18. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 31 oktober 2012 (ECLI:NL: RVS:2012:BY1723) kan er reden voor matiging van de opgelegde boete bestaan indien op basis van de door de beboete werkgever overgelegde financiële gegevens moet worden geoordeeld dat hij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen. De rechtbank stelt vast dat hetgeen eiseressen omtrent hun financiële draagkracht in beroep hebben aangevoerd een herhaling betreft van hetgeen eiseressen reeds in de zienswijzen naar voren hebben gebracht. Op grond hiervan heeft verweerder zich in de primaire besluiten op het standpunt gesteld dat door de aan eiseressen opgelegde boetes de continuïteit van hun ondernemingen niet in gevaar komt. Nu eiseressen de overwegingen uit deze besluiten niet nader hebben weersproken, leidt de enkele herhaling van hetgeen eiseressen reeds in dit kader hebben aangevoerd niet tot het oordeel dat sprake is van een onevenredige boete. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de keuze van eiseressen om de aan haar ketenpartners opgelegde boetes te voldoen, gelet op voornoemde uitspraken van de Afdeling van 27 februari 2013 en 29 januari 2014 ook in dit verband geen rol kan spelen.

19. De beroepen zijn, gelet op vorengenoemde overwegingen, ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, voorzitter, mr. J.J. Penning en mr. S.E.M. Lichtenberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Gaastra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.