Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:1445

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-03-2015
Datum publicatie
22-04-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 6958
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt vast dat het goedgekeurde Fbp dat ten grondslag ligt aan de verleende ontheffing, is gebaseerd op uitgebreid onderzoek waarbij alle voor de Ffw relevante belangen kenbaar zijn betrokken en zorgvuldig zijn gewogen. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de in het plan gehanteerde uitgangspunten niet als onredelijk worden beschouwd. Hierbij wordt onder meer gestreefd naar één groot leefgebied voor grote hoefdieren op de Veluwe, waarbinnen de dieren natuurlijk trekgedrag kunnen vertonen. Ter voorkoming van schade aan bedrijfsmatige landbouw is gemotiveerd gekozen voor de integratie van belangen en niet voor het, waar mogelijk, aanbrengen van rasters, hetgeen populatiebeheer noodzakelijk maakt. Populatiebeheer ten aanzien van de bedoelde diersoorten wordt ingezet ter voorkoming van onacceptabele schade aan wettelijke belangen, gericht op het realiseren en handhaven van een bepaalde dichtheid aan dieren die past bij de omstandigheden ter plaatse. Daarbij wordt gekeken naar de lokale situatie, zoals doelstellingen van terreineigenaren, kwaliteit van het leefgebied, medegebruik van landbouwgronden en aantal wildaanrijdingen. De motivering van de streefstanden is gebaseerd op het vinden van een compromis tussen enerzijds de belangen van en de aantallen grote wilde hoefdieren en anderzijds alle andere functies en doelstellingen die aan de lokale delen van de Veluwe (of delen daarvan) zijn toegekend.

Naar het oordeel van de rechtbank is aldus wat betreft de grondslag van het bestreden besluit sprake van een zorgvuldige belangenafweging die in beginsel blijft binnen de wettelijke kaders van de Ffw. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat, gegeven de niet onredelijke beleidskeuzes voor populatiebeheer, streefstanden van de dieren en een terughoudende toepassing van wildrasters, verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere bevredigende oplossing was die voorging boven de ontheffingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/6958

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

Stichting De Faunabescherming, te Amstelveen, eiseres,

en

het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland te Arnhem, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting Faunabeheereenheid Gelderland te Deventer.

Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2014 heeft verweerder het door derde-partij ingediende Faunabeheerplan grofwild 2014-2019 goedgekeurd en op grond hiervan onder voorwaarden ontheffing verleend krachtens artikel 68, eerste lid, van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) voor het doden, verwonden, bemachtigen en opzettelijk verontrusten van edelhert, damhert, wild zwijn en ree in Gelderland voor het tijdvak van 1 oktober 2014 tot 1 oktober 2019.

Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 6 november 2014 een verweerschrift ingediend. Derde-partij heeft op 18 november 2014 een schriftelijke reactie ingediend.

Bij besluit van 16 december 2014 heeft verweerder op verzoek van derde-partij de aan de verleende ontheffing verbonden voorschriften gewijzigd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2015. Namens eiseres is verschenen [naam 1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door T.A.M. Dikker en G. van Thiel. Namens derde-partij zijn verschenen [naam 2] en [naam 3].

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen gronden heeft aangevoerd tegen de voorschriften waaronder de ontheffing is verleend zodat het besluit van 16 december 2014, waarin uitsluitend de aan de ontheffing verbonden voorwaarden zijn gewijzigd, buiten de omvang van het geding valt. Het beroep van eiseres beperkt zich aldus tot het besluit van

9 september 2014. Eiseres heeft ter zitting aangegeven dat haar beroep zich voorts in die zin beperkt dat het uitsluitend ziet op de gehandhaafde ontheffing en op het goedkeuringsplan voor zover de motivering om ontheffing te verlenen aan dit plan is ontleend.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Bij brief van 6 maart 2014 heeft derde-partij, onder overlegging van het Faunabeheerplan grofwild 2014-2019 (hierna: Fbp), onder meer verzocht om verlening van ontheffing voor het doden, verwonden, opzettelijk verontrusten, bemachtigen, of met het oog daarop op te sporen van edelhert, damhert, wild zwijn en ree in de provincie Gelderland met het oog op populatiebeheer en het bestrijden van diverse schade veroorzaakt door voornoemde dierensoorten, die niet anderszins voorkomen kan worden.

Het Faunafonds heeft op 17 april 2014 een positief advies uitgebracht als bedoeld in artikel 30 van de Ffw en is tevens gehoord. Bij brief van 18 april 2014 heeft derde-partij een aanvulling gegeven op het op 6 maart 2013 ingediende Fbp. Op 23 april 2014 heeft verweerder een ontwerpbesluit genomen waarin het door derde-partij ingediende Fbp is goedgekeurd en het ontheffingsverzoek onder voorwaarden is ingewilligd op grond van artikel 68, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e van de Ffw, juncto artikel 4, eerste lid, onder c en e, van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren (hierna: Bbsd). De ontheffing is aldus verleend ter regulering van de populatieomvang van de diersoorten, ter voorkoming en bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren, in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid en ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, flora en fauna. Op 2 juni 2014 heeft eiseres hiertegen een zienswijze ingediend.

3. In het bestreden besluit heeft verweerder de ontheffing gehandhaafd en hieraan, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

Verweerder heeft in de eerste plaats uiteengezet dat de grondslag en onderbouwing van de in geding zijnde ontheffingen is gelegen in het goedgekeurde Fbp.

In het Fbp dat ten grondslag ligt aan de aanvraag, is volgens verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat zowel de schadehistorie als de draagkracht van de leefgebieden van de diersoorten in het geding komt, wanneer geen schadebestrijding en beheer wordt uitgevoerd zoals beoogd. Op grond van taxatiegegevens van het Faunafonds is over een grote reeks van jaren voldoende onderbouwd dat er binnen en buiten de leefgebieden waar de verzochte vrijstelling zal worden ingezet zich belangrijke schade aan gewassen heeft voorgedaan dan wel dreigt, alsmede dat de openbare veiligheid in het geding is, die middels registratie van verkeersslachtoffers over meerdere jaren provinciebreed in beeld is gebracht.

Populatiebeheer vormt – zie paragraaf 2.3 van het Fbp - de basis voor het voorkomen van onacceptabele schade aan wettelijke belangen. Daarbij is per leefgebied in samenspraak met de terreinbeheerders gekozen voor een meer natuurlijk beheer met afschotvrije zones of meer cultuurlijk beheer.

De (principiële) keuze voor populatiebeheer in het Fbp steunt onder meer op de, op 21 augustus 2012 vastgestelde, provinciale Kadernota Faunabeleid, waarin is bepaald dat populatiebeheer wordt ingezet ten behoeve van het beperken van belangrijke schade aan landbouwgewassen en bossen en de openbare veiligheid (verkeer) met inbegrip van schade aan inheemse flora en fauna door herten, zwijnen en reeën.

Die keuze in het Fbp is ook gebaseerd op het door verweerder op 11 maart 2014 vastgestelde Rasterbeleid. Volgens dat beleid streeft de provincie Gelderland naar één groot leefgebied Veluwe met vrije migratie voor edelherten, damherten en wilde zwijnen en is gekozen voor terughouden toepassing van wildkerende rasters vanwege de aantasting van de landschappelijke en recreatieve kwaliteiten van de Veluwe en de negatieve effecten op dieren. Ter voorkoming van schade aan wettelijke belangen wordt op de Veluwe een populatiebeheer van wilde hoefdieren gevoerd. Dit beheer is gericht op het handhaven van een populatieomvang waarbij de schade op een acceptabel niveau blijft. Wanneer ondanks de inzet van populatiebeheer schade optreedt aan wezenlijke belangen, wordt eerst gekeken of deze schade is op te lossen door preventieve maatregelen (zoals weginrichting) of gerichte schadebestrijding (plaatselijk en tijdelijk extra afschot). Wanneer ondanks die maatregelen sprake is van voortdurende schade aan wettelijke belangen kan de aanleg van rasters worden overwogen om de schade te beperken of te beëindigen.

4. Eiseres heeft kort gezegd aangevoerd dat de verleende ontheffing niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 68, eerste lid, van de Ffw. Op hetgeen zij in dit verband naar voren heeft gebracht zal, voor zover van belang, in het navolgende worden ingegaan.

5. Artikel 68, eerste lid, aanhef, van de Ffw luidt als volgt:

Wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, kunnen gedeputeerde staten, voorzover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten, het Faunafonds gehoord, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9 tot en met 15, 15a, 15b, tweede lid in samenhang met het eerste lid, 16, 17, 18, 53, eerste lid, onderdelen c en d, 72, vijfde lid, en 74:

a. in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid; (…)

c. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren;

d. ter voorkoming van schade aan flora en fauna of

e. met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen

Ingevolge het vierde lid wordt de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, slechts verleend aan een faunabeheereenheid op basis van een faunabeheerplan.

Ingevolge het vijfde artikellid worden ontheffingen als bedoeld in het eerste lid, onverminderd het bepaalde in artikel 80, onderdeel e, verleend voor een periode van ten hoogste vijf jaren.

Als andere belangen in de zin van artikel 68, eerste lid, aanhef en onder e, van de Ffw zijn krachtens artikel 4, eerste lid, van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren (hierna: het Bbsd), voor zover thans van belang, aangewezen:

c. de voorkoming en bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren, behorende tot de diersoorten edelhert, ree, damhert of wild zwijn;

e. het reguleren van de populatieomvang van dieren, behorende tot de diersoorten edelhert, ree, damhert of wild zwijn, met dien verstande dat vanwege dit belang slechts ontheffing kan worden verleend indien de aanleiding is gelegen in de schadehistorie ter plaatse en van het omringende gebied of de maximale populatieomvang in relatie tot de draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden.

6. De rechtbank stelt vast dat het goedgekeurde Fbp dat ten grondslag ligt aan de verleende ontheffing, is gebaseerd op uitgebreid onderzoek waarbij alle voor de Ffw relevante belangen kenbaar zijn betrokken en zorgvuldig zijn gewogen. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de in het plan gehanteerde uitgangspunten niet als onredelijk worden beschouwd. Hierbij wordt onder meer gestreefd naar één groot leefgebied voor grote hoefdieren op de Veluwe, waarbinnen de dieren natuurlijk trekgedrag kunnen vertonen. Ter voorkoming van schade aan bedrijfsmatige landbouw is gemotiveerd gekozen voor de integratie van belangen en niet voor het, waar mogelijk, aanbrengen van rasters, hetgeen populatiebeheer noodzakelijk maakt. Populatiebeheer ten aanzien van de bedoelde diersoorten wordt ingezet ter voorkoming van onacceptabele schade aan wettelijke belangen, gericht op het realiseren en handhaven van een bepaalde dichtheid aan dieren die past bij de omstandigheden ter plaatse. Daarbij wordt gekeken naar de lokale situatie, zoals doelstellingen van terreineigenaren, kwaliteit van het leefgebied, medegebruik van landbouwgronden en aantal wildaanrijdingen. De motivering van de streefstanden is gebaseerd op het vinden van een compromis tussen enerzijds de belangen van en de aantallen grote wilde hoefdieren en anderzijds alle andere functies en doelstellingen die aan de lokale delen van de Veluwe (of delen daarvan) zijn toegekend.

Naar het oordeel van de rechtbank is aldus wat betreft de grondslag van het bestreden besluit sprake van een zorgvuldige belangenafweging die in beginsel blijft binnen de wettelijke kaders van de Ffw. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat, gegeven de niet onredelijke beleidskeuzes voor populatiebeheer, streefstanden van de dieren en een terughoudende toepassing van wildrasters, verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere bevredigende oplossing was die voorging boven de ontheffingen.

De vraag of dat in concreto, in het licht van de aangevoerde beroepsgronden, ook zo is zal de rechtbank hieronder behandelen.

7. Eiseres heeft onder meer aangevoerd dat de onderhavige heffing is verleend ten behoeve van schadebestrijding, maar dat de omvang van de schade niet of onvoldoende is aangetoond. De rechtbank stelt vast dat in hoofdstuk 3 van het Fbp uitvoerig is ingegaan op de historische schade aan belangen. Hierbij is onder meer gedetailleerd ingezoomd op verkeersschade als gevolg van aanrijdingen met de betreffende diersoorten, op de getaxeerde schade aan landbouwgewassen als gevolg van (over)begrazing, op de schade aan bossen en bomen en de schade aan andere diersoorten dan wel de eigen soort door met name voedselstress. Gelet hierop, heeft eiseres zonder nadere onderbouwing die ontbreekt, onvoldoende geconcretiseerd dat het verrichte onderzoek niet volledig is geweest. Voorts merkt de rechtbank in dit verband nog op dat eiseres zelf geen deskundigenonderzoek heeft ingebracht ter weerlegging van de in het Fbp opgenomen informatie.

8. Onder overlegging van de uitspraak van de (toenmalige) rechtbank Middelburg van 26 januari 2012 (AWB 11/288) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 19 juni 2013, zaaknr. 201202534/1/A3, waarin eerstgenoemde uitspraak is bevestigd, heeft eiseres voorts gesteld dat verweerder op geen enkele manier heeft aangetoond dat in de provincie Gelderland sprake is van problemen met het welzijn van de populaties van de betreffende diersoorten zodat het bestreden besluit geen stand kan houden. De rechtbank stelt vast dat in de door eiseres aangehaalde uitspraken kort gezegd is geoordeeld dat onvoldoende is gemotiveerd dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 68, eerste lid, aanhef en onder e, van de Ffw, gelezen in samenhang met artikel 4, eerste lid, van het Bbsd, nu verweerder daarin heeft erkend dat er thans geen problemen zijn met het welzijn van de betreffende dierenpopulaties, terwijl de ontheffing enkel en alleen is verleend in het belang van het reguleren van de populatieomvang in relatie tot de draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden. Dientengevolge is het bestreden besluit in die zaak vernietigd.

In de onderhavige zaak heeft verweerder, naast de maximale populatieomvang in relatie tot de draagkracht van het leefgebied, met name de schadehistorie ter plaatse en van het omringende gebied bij de beoordeling van artikel 4, eerste lid, van het Bbsd betrokken zodat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van vergelijkbare zaken. Voorts acht de rechtbank, onder verwijzing naar rechtsoverweging 7, de schadehistorie in het Fbp deugdelijk en afdoende gemotiveerd. Derhalve slaagt de beroepsgrond niet.

9. Tot slot volgt, anders dan door eiseres is betoogd, uit artikel 68 van de Ffw niet dat rekening moet worden gehouden met de intrinsieke waarde van alle dieren, en dat dit mee kan brengen dat in geval van twijfel over de noodzaak van ingrijpen in dierpopulaties, of over de effectiviteit daarvan, het voordeel van de twijfel aan het schadeveroorzakende dier wordt gegeven. Bedoelde intrinsieke waarde, die in de considerans van de Ffw is erkend, ligt mede ten grondslag aan de in artikel 68 van de Ffw opgenomen criteria voor ontheffingverlening. De rechtbank ziet zich in dit oordeel gesteund door de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2005, zaaknr. 200403391/1 (ECLI:NL:RVS:2005:AS5527).

10. Gezien het voorgaande is het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Penning, voorzitter, mr. D.J. Post en mr. S.E.M. Lichtenberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.H. Verzijl, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.