Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:1344

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-02-2015
Datum publicatie
03-03-2015
Zaaknummer
05/820668-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte reed met een aanhanger, terwijl hij onder invloed van softdrugs verkeerde. Bij het rechts afslaan heeft hij een fietser niet waargenomen, waarbij deze in aanrijding is gekomen met de aanhanger. Het slachtoffer heeft hierbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De rechtbank legt op een deels voorwaardelijke werkstraf en een rijontzegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/820668-14

Datum zitting : 13 februari 2015

Datum uitspraak : 27 februari 2015

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

ter terechtzitting opgegeven postadres

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

Raadsman : mr. C.C.J.M. Weijers, advocaat te Nijmegen.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 24 april 2014 te Nijmegen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Opel met aanhangwagen), daarmede rijdende over de weg, de Coehoornstraat (ter hoogte van de kruising met de Groesbeekseweg) zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft

gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl hij onder invloed verkeerde van drugs, te weten amfetamine en cannabinoïden, althans na het gebruik van een hoeveelheid hard- en/of softdrugs, en/of

aldaar voornemens was om middels de aparte mogelijkheid bestemd voor rechtsafslaand verkeer de Groesbeekseweg op te rijden, en/of

bij het naderen van die mogelijkheid tot rechts afslaan, een fietser, welke in dezelfde rijrichting als verdachte (op het fietspad) fietste, niet (tijdig) heeft waargenomen, en/of

(vervolgens) naar rechts is afgeslagen in de richting van de Groesbeekseweg, en/of

(daarbij) in strijd met artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, bij het naar rechts afslaan, een op die weg fietsende fietser die zich rechts naast, dan wel rechts dicht achter hem bevond, niet voor heeft laten gaan, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die fietser, tengevolge waarvan deze ten val is gekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander ([slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 24 april 2014 te Nijmegen als bestuurder van een voertuig (personenauto, Opel met aanhangwagen), daarmee rijdende op de weg, Coehoornstraat (ter hoogte van de kruising met de Groesbeekseweg),

terwijl hij onder invloed verkeerde van drugs, te weten amfetamine en cannabinoïden, althans na het gebruik van een hoeveelheid hard- en/of softdrugs,

en/of aldaar voornemens was om middels de aparte mogelijkheid bestemd voor rechtsafslaand verkeer de Groesbeekseweg op te rijden, en/of

bij het naderen van die mogelijkheid tot rechts afslaan, een fietser, welke in dezelfde rijrichting als verdachte (op het fietspad) fietste, niet (tijdig) heeft waargenomen, en/of

(vervolgens) naar rechts is afgeslagen in de richting van de Groesbeekseweg, en/of

(daarbij) in strijd met artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, bij het naar rechts afslaan, een op die weg fietsende fietser die zich rechts naast, dan wel rechts dicht achter hem bevond, niet voor heeft laten gaan, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die fietser, tengevolge waarvan deze ten val is gekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 24 april 2014 te Nijmegen als bestuurder van een voertuig, (personenauto, Opel met aanhangwagen), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof en/of stoffen, te weten amfetamine en cannabinoïden, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk

besturen in staat moest worden geacht.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 13 februari 2015 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. C.C.J.M. Weijers, advocaat te Nijmegen.

De officier van justitie, mr. A. Reah, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3 De beslissing inzake het bewijs1

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 24 april 2014 reed verdachte als bestuurder van zijn personenauto met aanhangwagen over de Coehoornstraat te Nijmegen. Bij het rechts afslaan in de richting van de Groesbeekseweg, heeft hij een fietspad gekruist. Daarbij heeft verdachte de fietsster [slachtoffer], die op dat moment in dezelfde rijrichting als verdachte op dat fietspad fietste, niet (tijdig) waargenomen en haar daarmee niet voor laten gaan. Vervolgens zijn beiden in aanrijding gekomen met elkaar, ten gevolge waarvan [slachtoffer] letsel heeft opgelopen.2 Dit letsel bestaat uit onder meer een breuk in de schedelbasis3, een handfractuur en hersenletsel, waarvoor gedurende een periode van circa vier maanden dag-revalidatie moest plaatsvinden.4

Verdachte heeft de avond voor het ongeval amfetaminen geslikt en enkele uren voor het ongeval cannabinoïden gerookt.5

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak voor het primair tenlastegelegde bepleit. Hoewel verdachte de fietsster - aan wie hij voorrang had moeten verlenen - niet heeft gezien ondanks dat deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest, is geen sprake van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedrag. Daarbij merkt de raadsman op dat uit de verklaringen van verdachte en de diverse getuigen volgt dat verdachte rustig en niet op een opvallende manier heeft gereden. Hoewel in het bloed van verdachte drugs zijn aangetroffen, kan niet zonder meer worden geconcludeerd dat deze drugs zijn oplettendheid en/of rijvaardigheid daadwerkelijk hebben beïnvloed.

Volgens de raadsman kan het subsidiair tenlastegelegde bewezen worden verklaard nu vast staat dat verdachte voorschriften uit het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 heeft geschonden en verkeer heeft gehinderd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem primair tenlastegelegde.

Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW 1994 moeten de gedragingen van verdachte zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam zijn geweest. Daarvoor moet worden beoordeeld of sprake is van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt daarbij dat in zijn algemeenheid niet is aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor een bewezenverklaring van de vereiste schuld. Gekeken dient te worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Daarbij geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW 1994.

De rechtbank stelt vast dat verdachte op grond van artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: het RVV 1990) voorrang had moeten verlenen aan de fietsster die zich op – op het moment dat verdachte afsloeg – op dezelfde weg achter hem bevond. Verdachte heeft dit nagelaten, omdat hij haar, naar eigen zeggen, niet heeft waargenomen, terwijl hij toch erg goed had opgelet. Op foto 3 van het proces-verbaal verkeersongevallen analyse (verder: VOA)6 in het dossier is te zien dat verdachte over een langere weg onbeperkt zicht heeft gehad op het zich voor en naast hem bevindende verkeer. Getuige [getuige], die ter terechtzitting heeft verklaard dat hij ‘oplettend’ meereed, en dat hij de bewuste fietsster ruim voor de bewuste kruising heeft zien fietsen toen zij haar inhaalden. Gelet op het overzicht dat verdachte had op de bewuste weg, moet ook verdachte voldoende mogelijkheid hebben gehad om haar op te merken. Toen verdachte de kruising naderde en hij voornemens was rechts af te slaan, remde hij af en heeft hij gekeken of hij verkeer zag dat hij voorrang moest verlenen. Volgens verdachte was het op dat moment ook druk met verkeersdeelnemers.
Dit maakt dat op dat moment juist extra oplettendheid was geboden.
Daarbij komt dat verdachte extra werd geattendeerd op mogelijk passerend verkeer, doordat op de rijbaan blokmarkering is aangebracht.7 Ten slotte zij opgemerkt dat verdachte meer behoedzaamheid diende te betrachten, nu hij een auto met (beladen) aanhanger bestuurde, waardoor zijn voertuig verlengd was. Ondanks alle genoemde redenen voor extra oplettendheid, heeft verdachte de fietsster niet waargenomen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte daarmee onvoldoende de gelegenheid heeft genomen zich ervan te vergewissen of er verkeersdeelnemers aankwamen op het fietspad. Door een essentiële verkeersregel, het verlenen van voorrang, onder de hiervoor bedoelde omstandigheden te overtreden en zonder zich ervan in voldoende mate te vergewissen dat hij vrij kon doorrijden, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden.

Naast voornoemde omstandigheden speelt dat verdachte onder invloed van het gecombineerde gebruik van cannabis en amfetamine heeft gereden.8 Verdachte is ermee bekend dat het gebruik van dergelijke middelen de rijvaardigheid kan beïnvloeden.9

Voor zover de raadsman van verdachte heeft willen betogen dat de fietsster, doordat zij van een lichte helling afreed, haar snelheid had moeten aanpassen, overweegt de rechtbank als volgt. Eventueel medeschuld van het slachtoffer disculpeert verdachte niet. Dit kan mogelijk anders zijn in die gevallen waarin het slachtoffer uitzonderlijk verwijtbaar verkeersgedrag heeft vertoond waarop verdachte in redelijkheid niet kon anticiperen. Niet aannemelijk is geworden dat de fietsster met een buitengewone snelheid heeft gereden, of in ieder geval zo snel dat verdachte haar hierdoor in alle redelijkheid niet heeft kunnen waarnemen. Dit verweer wordt dan ook verworpen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake is van aanmerkelijke schuld in die zin dat verdachte aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam heeft gereden.

Ten aanzien van het door de fietsster opgelopen letsel overweegt de rechtbank als volgt.

Volgens de geneeskundige verklaring d.d. 25 juli 2014 heeft de fietsster als gevolg van het ongeval lichamelijk letsel opgelopen, bestaande uit onder meer een breuk in de schedelbasis10, een handfractuur en hersenletsel, waarvoor gedurende een periode van circa vier maanden dag-revalidatie moest plaatsvinden.11 Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit letsel te kwalificeren is als zwaar lichamelijk letsel.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal misdrijf, p. 35 e.v.;

- een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, p. 62;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 februari 2015.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op of omstreeks 24 april 2014 te Nijmegen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Opel met aanhangwagen), daarmede rijdende over de weg, de Coehoornstraat (ter hoogte van de kruising met de Groesbeekseweg) aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl hij onder invloed verkeerde van drugs, te weten amfetamine en cannabinoïden en

aldaar voornemens was om middels de aparte mogelijkheid bestemd voor rechts afslaand verkeer de Groesbeekseweg op te rijden, en

bij het naderen van die mogelijkheid tot rechts afslaan, een fietser, welke in dezelfde rijrichting als verdachte (op het fietspad) fietste, niet (tijdig) heeft waargenomen, en

(vervolgens) naar rechts is afgeslagen in de richting van de Groesbeekseweg, en

(daarbij) in strijd met artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, bij het naar rechts afslaan, een op die weg fietsende fietser die zich rechts dicht achter hem bevond, niet voor heeft laten gaan, en

(vervolgens) in aanrijding is gekomen met die fietser, ten gevolge waarvan deze ten val is gekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander ([slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

hij op 24 april 2014 te Nijmegen als bestuurder van een voertuig, (personenauto, Opel met aanhangwagen), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van stoffen, te weten amfetamine en cannabinoïden, waarvan hij wist dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 telkens:

Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

De feiten zijn strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van 3 jaren, en voorts tot het verrichten van honderdzestig uren werkstraf, te vervangen door tachtig dagen hechtenis. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vijftien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de tijd dat veroordeelde zijn rijbewijs op strafrechtelijke gronden is kwijt geweest.

De officier van justitie is tot deze eis gekomen vanwege de ernst van de feiten, alsmede de persoon van verdachte, zoals gebleken ter terechtzitting.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft opgemerkt dat verdachte nog altijd te maken heeft met de gevolgen van het ongeluk. Zo ervaart hij veel schuldgevoelens richting het slachtoffer en valt het hem zwaar dat hij geen contact heeft kunnen opnemen met het slachtoffer. Daarnaast heeft het ertoe geleid dat hij al langere tijd geen rijbewijs meer heeft, omdat deze ongeldig is verklaard door het CBR. Verdachte heeft niet de financiële middelen om zijn rijbewijs weer te krijgen, waardoor ook in zijn gewone leven de gevolgen merkbaar zijn.

De raadsman verzoekt te volstaan met een werkstraf van passende duur. Oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid voegt gelet op het voorgaande niets toe.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

 het Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte, gedateerd 5 januari 2015.

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft onder invloed van amfetamine en cannabinoïden, rijdend met een aanhangwagen binnen de bebouwde kom van Nijmegen en ter hoogte van een kruising onvoldoende oplettendheid betracht bij het rechts afslaan. Als gevolg hiervan heeft hij een fietsster niet (tijdig) gezien. Ondanks een overzichtelijke situatie heeft verdachte een aanrijding niet kunnen voorkomen en is hij in aanrijding gekomen met de fietsster die hierdoor zwaar lichamelijk letsel opliep. Uit met name het e-mailbericht van het slachtoffer aan de officier van justitie volgt dat zij na bijna tien maanden na de aanrijding nog steeds de fysieke- en emotionele gevolgen van het ongeval ervaart. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf van aanzienlijke duur passend en geboden is. Anders dan de officier van justitie zal de rechtbank een deel van de werkstraf voorwaardelijk opleggen, nu een voorwaardelijke gevangenisstraf niet aan de orde is. Daarnaast acht de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid gerechtvaardigd. Een voorwaardelijk deel acht de rechtbank onder de gegeven omstandigheden, zoals door de raadsman uiteen gezet, niet opportuun. Bij de vaststelling van de hoogte van de straf is tevens rekening gehouden met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en zijn de daarvoor vastgestelde oriëntatiepunten in aanmerking genomen.

Alles afwegend worden na te noemen straf en maatregel passend en geboden geacht.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht alsmede de artikelen 6, 8, 175, 176, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot het verrichten van een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren.

Bepaalt dat van deze werkstraf 80 (tachtig) uren niet zullen worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Bepaalt dat het onvoorwaardelijk deel van de werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden verricht. De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast en stelt deze vervangende hechtenis vast op 120 (honderdtwintig) dagen, waarvan 80 (tachtig) dagen zien op het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de werkstraf en 40 (veertig) dagen op het voorwaardelijk deel van de opgelegde werkstraf.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 12 (twaalf) maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 179, lid 6, van de Wegenverkeerswet 1994.

Aldus gewezen door:

mr. E. de Boer (voorzitter), mr. A.M. van Gorp en mr. B.F.M. Klappe, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.J.W. Lambregts, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 februari 2015.

Zijnde mr. B.F.M. Klappe buiten staat
dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in:
- het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Gelderland-Zuid, district Stad Nijmegen, Team Nijmegen Centrum, opgemaakte proces-verbaal, PV-nummer PL081A 2014039494-1, gesloten op 23 juli 2014 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld;
- de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 13 februari 2015; - een schriftelijk bescheid, te weten een e-mailcorrespondentie tussen [slachtoffer] en officier van justitie
mr. A. Reah.

2 Het proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 27; de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting 13 februari 2015.

3 Een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring, p. 39.

4 Een schriftelijk bescheid, te weten een e-mailcorrespondentie tussen [slachtoffer] en officier van justitie mr. A. Reah.

5 Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, p. 62; de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 13 februari 2015.

6 Het proces-verbaal verkeersongevallen analyse, p. 21.

7 Het proces-verbaal verkeersongevallen analyse, p. 19.

8 Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, p. 57 e.v.; de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 13 februari 2015.

9 De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 13 februari 2015.

10 Een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring, p. 39.

11 Een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring, p. 39.