Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:1260

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-02-2015
Datum publicatie
27-02-2015
Zaaknummer
05/901208-12 en 05/820252-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:3304, Overig
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2018:10419, Overig
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2020:10368, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met anderen in een periode van twee maanden bij herhaling schuldig gemaakt aan diefstal van een groot aantal schapen uit de weide van in totaal 9 schapenhouders. Daarnaast hebben verdachte en zijn medeverdachten zich schuldig gemaakt aan het witwassen van deze schapen. Verdachte wordt bovendien veroordeeld voor heling van landbouwvoertuigen, verboden wapenbezit en betrokkenheid bij een hennepkwekerij. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummers : 05/901208-12 en 05/820252-13

Data zittingen : 18 juli 2013, 25 en 26 september 2014, 5 februari 2015, 6 februari 2015 en 13 februari 2015.

Datum uitspraak : 27 februari 2015

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte] (hierna te noemen: verdachte of [verdachte]),

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres 1],

plaats : [woonplaats],

raadsman : mr. J.P.J. Botterblom, advocaat te Nijkerk.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan [verdachte] is, na een toegestane wijziging van de tenlastelegging, onder parketnummer 05/901208-12 ten laste gelegd dat:

1. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 juli 2012 tot en met 27 september 2012 te Bern en/of Well (buitengebied Ammerzoden) en/of Linden (Noord-Brabant) en/of Nieuwegein en/of Lopik en/of Erlecom en/of andere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), steeds met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere schapen, die zich ten tijde van de diefstal(len) in de weide

bevonden, welke schapen toebehoorden aan:

- [benadeelde 1] (zaaksdossier 1, 189 schapen) en/of

- [benadeelde 2]/[benadeelde 3] (zaaksdossier 1, 54 schapen) en/of

- [benadeelde 4] (zaaksdossier 2, 28 schapen) en/of

- [benadeelde 5] (zaaksdossier 2, 5 schapen) en/of

- [benadeelde 6] (zaaksdossier 2, 31 schapen) en/of

- [benadeelde 7] (zaaksdossier 3, 40 schapen) en/of

- [benadeelde 8] (zaaksdossier 4, 34 schapen) en/of

- [benadeelde 9] (zaaksdossier 4, 2 schapen) en/of

- [benadeelde 10] (zaaksdossier 5, 41 schapen) en/of

anderen, in ieder geval niet aan verdachte en/of zijn mededader(s);

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 juli 2012 tot en met 23 oktober 2012 tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen te Opheusden en/of te Dodewaard en/of Kesteren, althans in Nederland, heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen 199 schapen ([adres 2] te Opheusden) en/of 113 schapen (Appelenburgseveldweg te Dodewaard) en/of 42 schapen (Waalbandijk te

Dodewaard) en/of 198 schapen (Waalbandijk te Dodewaard en Nieuwe Dijk te Kesteren), althans (telkens) een aantal/hoeveelheid schapen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voormeld(e) scha(a)p(en) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dit/deze sch(a)ap(en) door enig misdrijf was/waren verkregen;

2. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 juli 2012 tot en met 23 oktober 2012 te Opheusden en/of te Dodewaard en/of Kesteren, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), van (een) voorwerp(en), te weten (telkens) één of meerdere schapen, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de

verplaatsing heeft verborgen of verhuld, dan wel heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp is, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s):

- opzettelijk onjuiste meldingen gedaan in het zogenoemde I&R-systeem en/of opzettelijk de stallijsten onjuist ingevuld, onder meer door van misdrijf afkomstige schapen in het I&R-systeem te registreren als vrij merk en/of op de stallijsten deze schapen te noteren als vrij merk en/of

- de originele merken van de door misdrijf afkomstige schapen te verwijderen en deze schapen vervolgens fysiek te merken als vrij merk en/of

- de ingevolge regelgeving vereiste kennisgevingen voor aanvoer, vervoer en afvoer van schapen niet of te laat te verrichten,

terwijl hij wist dat deze schapen -onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

3. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 juli 2012 tot en met 23 oktober 2012 te Dodewaard, althans in Nederland, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen:

- een shovel (Caterpillar met voetschuif) (zaaksdossier 7) en/of

- een tractor (merk John Deere, type 6630) (zaaksdossier 6) en/of

- één of twee tractoren van het merk Fendt (zaaksdossier 8 en 9) en/of

- een grasmaaimachine (merk Kuhn) (zaaksdossier 10) en/of

- twee tractoren (merk New Holland, type TN4050V) (zaaksdossier 11) en/of

- een tractor (merk New Holland, type TL90) (zaaksdossier 12) en/of

- een tractor (merk John Deere, type 1120) (zaaksdossier 13)

terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voormeld(e) goed(eren) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dit/deze door diefstal in elk geval door enig misdrijf was/waren verkregen;

althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 juli 2012 tot en met 25 september 2012 te Beneden-Leeuwen, Renswoude, Giessenwoude, Werkhoven, Valburg, Goy, Wijnbergen, Waardenburg en/of andere plekken in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, steeds met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere landbouwvoertuigen, namelijk:

- Tractor John Deere 6330 (zaak 6)

- Shovel Caterpillar 906 inclusief voerschuif (zaak 7)

- Tractor Fendt 307 Ci (zaak 8)

- Tractor Fendt 307 (zaak 9)

- Grasmaaier Kuhn GMD 702F (zaak 10)

- Twee tractoren New Holland Tn 40-50-V (zaak 11)

- Tractor New Holland met aanhanger (zaak 12)

- Tractor John Deere 1120 (zaak 13),

welke voertuigen toebehoorden aan een ander dan verdachte en/of zijn mededader(s);

4. hij op of omstreeks 23 oktober 2012 te Opheusden, een (vuur)wapen van categorie III, te weten een kogelgeweer (van het merk Glenfield model 25, kaliber .22) en/of munitie van categorie III, te weten 123 (honderddrieentwintig) patronen (van het merk Blazer met het kaliber .22 longrifle) en/of 1 patroon (van het merk Ruag Ammotec, kaliber .22 longrifle), voorhanden heeft gehad;

5. hij in of omstreeks de periode van 1 november 2009 tot en met 23 oktober 2012 te Opheusden, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (op 23 oktober 2012)een hoeveelheid van ongeveer 39 (negenendertig) hennepplanten en/of een hoeveelheid geoogste planten en/of henneptoppen, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel, vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Aan verdachte is onder parketnummer 05/820252-13 ten laste gelegd dat:

1. hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 oktober 2012 tot en met 03 januari 2013 te Dodewaard, gemeente Neder-Betuwe, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de Bonegraafseweg 26) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 195 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

een of meer onbekend gebleven personen op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 oktober 2012 tot en met 03 januari 2013 te Dodewaard, gemeente Neder-Betuwe, met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad in een pand aan de Bonegraafseweg 26 (een) hoeveelheid/hoeveelheden van (in totaal) ongeveer 195 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval

(telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 oktober 2012 tot en met 03 januari 2013 te Dodewaard, gemeente Neder-Betuwe, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is

geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen apparatuur (te weten een of meerdere lamp(en) en/of armatu(u)r(en) en/of koolstoffilter(s) en/of transformator(en) en/of tafelventilator(en) en/of schakelbord(en) en/of dompelpomp(en) en/of thermometer(s) en/of hydrometer(s)) en/of hennepstek(ken) voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 6 februari 2015 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is [verdachte] verschenen. [verdachte] is bijgestaan door mr. J.P.J. Botterblom, advocaat te Nijkerk. Vervolgens is het onderzoek op 13 februari 2015 gesloten.

De volgende personen hebben zich ter zake van feit 1 (parketnummer 05/901208-12) als benadeelde partij in het geding gevoegd:

  • -

    Mts. [benadeelde 8] en [benadeelde 11];

  • -

    [benadeelde 3];

  • -

    [benadeelde 10];

  • -

    [benadeelde 1];

  • -

    [benadeelde 6] & [benadeelde 12];

  • -

    [benadeelde 5];

  • -

    Mts. [benadeelde 7] en [benadeelde 13] en

  • -

    Mts. [benadeelde 4] en [benadeelde 14]

Voornoemde benadeelde partijen hebben zich ter terechtzitting van 5 februari 2015 laten bijstaan, dan wel vertegenwoordigen, door [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] en op 6 februari 2015 door [gemachtigde 1].

Voorts hebben de volgende personen zich als benadeelde partij ter zake van feit 3 in het geding gevoegd:

  • -

    [benadeelde 15];

  • -

    [benadeelde 16];

  • -

    [benadeelde 17];

  • -

    [benadeelde 18];

  • -

    [benadeelde 19] (aanwezig ter terechtzitting d.d. 5 februari 2015).

De officier van justitie, mr. A.K. Kooij, heeft gerekwireerd.

[verdachte] en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

De onderhavige zaken zijn gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (05/901209-12) en [medeverdachte 2] (05/901210-12).

3 De voorvragen

3.1

De geldigheid van de dagvaarding

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging van feit 2 onvoldoende feitelijk is en dat de dagvaarding voor wat betreft dat feit daarmee nietig is. De rechtbank volgt de verdediging daarin niet.

Naar het oordeel van de rechtbank is de tenlastelegging, gelezen in samenhang met het eerste ten laste gelegde feit en het dossier, voldoende duidelijk. Daarbij komt dat onder de gedachtestreepjes in de tenlastelegging de verweten gedragingen nader zijn gespecificeerd. Het moest voor [verdachte] dan ook voldoende duidelijk zijn waartegen hij zich diende te verweren. Dat niet expliciet aangegeven staat op welk specifiek schaap de tenlastelegging betrekking heeft, doet aan het voorgaande niet af.

3.2

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de feiten 1 en 2. Daartoe heeft de verdediging gewezen op de (onzorgvuldige) wijze waarop met de in beslag genomen schapen is omgegaan, op de omstandigheid dat het aanvullend onderzoek (dat op verzoek van verdachte plaatsvond) is gefrustreerd, op het verzwijgen van het verrichten van aanvullend DNA-onderzoek op initiatief van de aangevers en betaald door de aangevers en op de omstandigheid dat de ‘chain of custody’ in het bloedonderzoek niet sluitend is.

De raadsman concludeert dat de combinatie van deze vier omstandigheden een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv oplevert, op grond waarvan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de verdediging dient te worden verworpen. Hiertoe heeft de officier van justitie gesteld dat de inbeslagname en de registratie van de in beslag genomen schapen voldoende duidelijk en transparant in de processen-verbaal zijn opgenomen. Het is zeer onaannemelijk dat de schapen in de opslag zijn verwisseld met andere schapen.

Het aanvullend onderzoek door de betreffende ambtenaren is naar eer en geweten verricht en de werkwijze is inzichtelijk geverbaliseerd. De verdediging is in staat gesteld om aan te tonen wat zij beoogden, namelijk dat zich tussen de in beslag genomen schapen ook schapen van [verdachte] bevonden. Dit wordt door het openbaar ministerie ook niet betwist en volgt ook uit het feit dat er meer schapen in beslag zijn genomen dan dat er gestolen zijn.

Het laatste DNA-onderzoek is niet verzwegen. Het onderzoek is op dezelfde wijze gegaan als eerdere onderzoeken, het enige verschil is dat de aangevers de kosten hebben gedragen.

Tot slot heeft de officier van justitie gesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat er monsters door elkaar zijn gehaald.

Beoordeling door de rechtbank

Op grond van artikel 359a Sv kan de rechtbank, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat (…) (c.) het openbaar ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (Hoge Raad, 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533).

De verdediging heeft aangevoerd dat zij in haar verdedigingsbelangen is geschaad doordat de mogelijkheden om aan te tonen dat de inbeslaggenomen schapen verdachte of diens medeverdachten toebehoren, zijn ontnomen. De rechtbank volgt de verdediging hierin niet.

Door het openbaar ministerie is een verwantschapsonderzoek verricht naar bij de verdachten in beslag genomen schapen en schapen van aangevers. Hieruit zijn resultaten naar voren gekomen, te weten dat sprake is van mogelijk ouder-nakomeling verwantschap tussen de schapen in beslag genomen bij de verdachten en schapen van aangevers. De verdediging heeft nimmer gevraagd om een contra-expertise ten aanzien van dit verwantschapsonderzoek.

De verzoeken van de verdediging om aanvullend onderzoek te mogen doen waren er op gericht aan te tonen dat zich tussen de in beslag genomen schapen ook schapen bevonden die aan hem toebehoorden (verwantschap tussen schapen van verdachte(n) en de inbeslaggenomen schapen).

Allereerst stelt de rechtbank vast dat de stelling dat onder de inbeslaggenomen schapen ook schapen van verdachte waren, door het openbaar ministerie niet is betwist. Ook de rechtbank gaat ervan uit dat zich onder de inbeslaggenomen schapen ook schapen bevonden die aan verdachte dan wel aan zijn medeverdachten toebehoorden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat, zo het door de verdediging gewenste aanvullend onderzoek al zou zijn tegengewerkt, de verdediging niet in haar belangen is geschaad.

Voorts is de rechtbank, zo het door de verdediging gewenste aanvullend onderzoek al zou zijn tegengewerkt, niet gebleken dat van de zijde van het openbaar ministerie doelbewust is getracht dit onderzoek door de verdediging te frustreren. Er is uitvoering gegeven aan de opdracht van de rechter-commissaris om schapen aan te wijzen van de kudde die destijds in beslag is genomen. Ten tijde van het aanvullend onderzoek waren nog een voldoende representatief aantal van de in beslag genomen schapen voorhanden en verdachten hebben uiteindelijk ook schapen kunnen selecteren voor het door hen gewenste onderzoek. De gang van zaken rondom dit onderzoek is helder en inzichtelijk geverbaliseerd. Er is de rechtbank daarbij niet gebleken van enig vormverzuim dan wel van het doelbewust schenden van enig verdedigingsbelang.

De verdediging wordt eveneens niet gevolgd in haar betoog dat verzwegen zou zijn dat een DNA-onderzoek op initiatief en op kosten van de schapenhouders zou zijn verricht. Immers, op pagina 660 van het dossier staat vermeld dat aangever [benadeelde 10] heeft opgemerkt: ‘Het laatste verwantschapsonderzoek is opgezet door de gedupeerde schapenhouders zelf en ook gefinancierd door de schapenhouders, met hulp van ZLTO en ook gedeeltelijke gefinancierd door ZLTO’. Nu in deze zaak geen andere laboratorium een verwantschapsonderzoek heeft verricht, is voor de rechtbank voldoende duidelijk dat [benadeelde 10] doelde op het onderzoek bij het [laboratorium].

Daarbij komt dat naar het oordeel van de rechtbank (zeker in het kader van het onderhavige verweer) niet relevant is wie het initiatief heeft genomen tot dit onderzoek, dan wel de kosten daarvoor heeft gedragen. Dit temeer nu de verbalisant van de NVWA, die de eerdere onderzoeken heeft begeleid, ook dit laatste onderzoek heeft begeleid en dat heeft geverbaliseerd.

Een niet-sluitende ‘chain of custody’ kan (mogelijk verstrekkende) gevolgen hebben voor de bewijswaarde van uiteindelijk in een onderzoek verkregen resultaten. Een eventuele niet-sluitende ‘chain of custody’ op zich kan echter, zonder nadere toelichting, die evenwel ontbreekt, niet een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a Sv opleveren.

Voor zover de verdediging in dit kader heeft verwezen naar (artikel 2 van) het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen treft dit geen doel. Onder de hierna volgende bewijsoverwegingen komt de rechtbank tot de conclusie dat de ‘chain of custody’ sluitend is. Hieruit volgt tevens dat met een voldoende mate van zorgvuldigheid over de inbeslagneming van de schapen is geverbaliseerd, waardoor het mogelijk is geweest te allen tijde de aard, de herkomst en de reden van in beslagneming van de schapen vast te stellen. Uit de hierna volgende overwegingen onder het kopje bewijs over de inbeslagname van de schapen volgt voorts dat bij die inbeslagname naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een vormverzuim.

De conclusie moet gelet op het vorenstaande dan ook zijn dat de aangevoerde onderdelen noch op zichzelf noch in onderling verband en samenhang bezien kunnen leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De rechtbank heeft ook overigens geen feiten of omstandigheden kunnen vaststellen die met zich zouden brengen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou behoren te worden verklaard. Het verweer wordt dan ook verworpen.

4 De beslissing inzake het bewijs

4.1

Het begrip ‘goed’ in de zin van artikel 310 wetboek van strafrecht (Sr)

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een dier niet als ‘goed’ in de zin van artikel 310 Sr kan worden gekwalificeerd. Daartoe is onder meer verwezen naar het wijzigen van artikel 3:2a van het Burgerlijk Wetboek. Dit artikel is als volgt komen te luiden:

1. Dieren zijn geen zaken.

2. Bepalingen met betrekking tot zaken zijn op dieren van toepassing, met in achtneming van de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen, verplichtingen en rechtsbeginselen, alsmede de openbare orde en de goede zeden.

De rechtbank overweegt als volgt. De Hoge Raad heeft in het arrest van 31 januari 2012 (NJ 2012/536) het volgende uiteengezet: ‘De wetgever heeft door middel van verschillende strafbepalingen beoogd de beschikkingsmacht van de rechthebbende op enig goed te beschermen. In artikel 310 Sr is strafbaar gesteld het opzettelijk onttrekken aan de feitelijke heerschappij van enig goed dat aan een ander toebehoort met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Het begrip enig goed komt daarbij een autonome strafrechtelijke betekenis toe.’

Gelet op deze autonome strafrechtelijke betekenis ziet de rechtbank niet in dat veranderingen in het Burgerlijk Wetboek zonder meer rechtstreeks gevolgen zouden hebben voor de uitleg van het begrip ‘enig goed’ in artikel 310 Sr. Daarbij komt dat de wetgever bij de invoering van artikel 3:2a, volgens de wetsgeschiedenis daarvan, de gevolgen voor het strafrecht en andere wetten nadrukkelijk heeft besproken, maar daarbij niet de artikelen 310 en 311 Sr heeft gewijzigd. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de wetgever niet de bedoeling heeft gehad het wegnemen van dieren buiten het bereik van de artikelen 310 en 311 Sr te brengen. Zulks te meer nu de wetgever in artikel 311 Sr expliciet diefstal van vee uit de weide als strafverzwarende omstandigheid heeft opgenomen. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat de wetgever, reeds gelet op de in artikel 311 opgenomen strafverzwarende omstandigheid, vee oftewel dieren onder het bereik van het begrip ‘enig goed’ in de zin van artikel 310 Sr heeft gebracht en dat de wetgever hierin geen verandering heeft willen brengen bij de aanpassingen van het Burgerlijk Wetboek door de opname van artikel 3:2a. De rechtbank volgt het verweer van de verdediging dan ook niet.

4.2

Verklaringen van [verdachte]

De verdediging heeft erop gewezen dat [verdachte] de processen-verbaal van zijn verhoren niet heeft ondertekend en dat hij tijdens die verhoren te kampen had met de gevolgen van een hersenvliesontsteking. Dit zou volgens de verdediging ertoe leiden dat deze processen-verbaal ‘niet echt’ bruikbaar zijn voor het bewijs.

Voor zover dit al als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan worden beschouwd, bestaat volgens de rechtbank geen aanleiding de processen-verbaal van de verhoren van [verdachte] niet tot bewijs te bezigen. Er is niet (met bijvoorbeeld medische verklaringen) onderbouwd dat [verdachte] wegens medische redenen niet in staat was een verklaring af te leggen. Daarbij komt nog dat niet is aangedragen welke (onderdelen van) verklaringen van verdachte door de verbalisanten onjuist zouden zijn weergegeven. De rechtbank zal de verklaringen dan ook gebruiken voor het bewijs.

4.3

Ten aanzien van feiten 1 en 2 van het onder parketnummer 05/901208-12 tenlastegelegde 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal van schapen uit de weide en aan het medeplegen van witwassen. Hij baseert dit, kort samengevat, op de herkenning van de schapen door de aangevers, de DNA-matches, de telecomgegevens, de camera-beelden, een aantal getuigenverklaringen en het feit dat de verdachte leugenachtige verklaringen heeft afgelegd en foutieve registraties heeft gedaan in het I&R systeem. De officier van justitie heeft verder aangevoerd dat voor de zaken 4 en 5 onder feit 1 gebruik kan worden gemaakt van schakelbewijs, nu sprake is van bijzondere delicten met een duidelijk patroon, dat zich in alle zaken herhaalt. Deze bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien, leveren voldoende bewijs op voor de feiten 1 primair en 2, aldus de officier van justitie.

Het standpunt van de verdediging

[verdachte] heeft het hem tenlastegelegde ontkend. De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit. Daartoe is het volgende, kort samengevat, aangevoerd. Er is onvoldoende bewijs dat alle in beslag genomen schapen gestolen waren. Er is geen nauwkeurige registratie geweest rondom de inbeslagneming van de schapen en rondom het afnemen van bloed voor het verwantschapsonderzoek. Er is geen garantie dat de schapen waarop het bloedonderzoek is verricht, ook daadwerkelijk die schapen zijn die onder [verdachte] in beslag zijn genomen. Verder is gehandeld in strijd met het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen. Dit samen maakt dat sprake is van een vormverzuim en dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting van de resultaten van het verwantschapsonderzoek.

Verder heeft de verdediging aangevoerd dat een eventueel verwantschap tussen bij [verdachte] aangetroffen schapen en de schapen van aangevers niet zegt dat de betreffende schapen van [verdachte] van diefstal afkomstig zijn. Dit verwantschap kan bijvoorbeeld ook worden verklaard doordat aangevers schapen aan derden hebben verkocht.

De overige door de officier van justitie gepresenteerde bewijsmiddelen zijn onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen van diefstal dan wel van heling van de schapen, aldus de verdediging.

Beoordeling door de rechtbank

4.3.1

Aanleiding van het onderzoek

In de nacht van 12 op 13 september 2012 zijn uit weiden op meerdere locaties grote groepen schapen gestolen. Naar aanleiding van aangiften hiervan is een strafrechtelijk onderzoek onder de naam ‘Ragout’ opgestart. In dit onderzoek hebben de volgende personen aangifte gedaan van diefstal van schapen uit de weide:

- [benadeelde 1]: aangifte van diefstal van 189 schapen tussen 12 september 2012 16.30 uur en 13 september 2012 13.00 uur uit een weiland gelegen aan de Bergsche Maasdijk ter hoogte van Bern;2

- [benadeelde 2] mede namens [benadeelde 3]: aangifte van diefstal van 54 schapen tussen 12 september 20.30 uur en 13 september 2012 8.30 uur uit een wei aan de Weigraaf te Well;3

- [benadeelde 4]: aangifte van diefstal van 28 schapen tussen 11 juli 2012 te 17:00 uur en 12 juli 2012 te 11:00 uur uit een weiland aan de oever van de Maas aan de Hooge Voort te Linden nb (rechtbank leest hier: Noord-Brabant);4

- [benadeelde 5]: aangifte van diefstal van 5 schapen tussen 11 juli 2012 te 17:00 uur en 12 juli 2012 te 11:00 uur uit een weiland aan de oever van de Maas aan de Hooge Voort te Linden NB (rechtbank leest hier: Noord-Brabant);5

- [benadeelde 6]: aangifte van diefstal van 31 schapen tussen 11 juli 2012 te 17:00 uur en 12 juli 2012 te 11:00 uur uit een weiland aan de oever van de Maas aan de Hooge Voort te Linden nb (rechtbank leest hier: Noord-Brabant);6

- [benadeelde 7]: aangifte van diefstal van 40 schapen tussen 10 juli 2012 omstreeks 18:00 uur en 11 juli 2012 omstreeks 06:30 uur uit een weiland aan de Lekdijk Oost te Nieuwegein;7

- [benadeelde 8]: aangifte van diefstal van 34 schapen tussen 6 augustus 2012 te 18:30 uur en 7 augustus 2012 te 10:00 uur uit een weiland aan de Lekdijk Oost te Lopik en
aangifte namens [benadeelde 9] van diefstal van 2 schapen tussen 6 augustus 2012 te 18:30 uur en 7 augustus 2012 te 10:00 uur uit een weiland aan de Lekdijk Oost te Lopik;8

- [benadeelde 10]: aangifte van diefstal van 41 schapen tussen 26 september 2012 te 20:00 uur en 28 september 2012 te 11:00 uur uit een weiland aan de Kerkdijk te Erlecom (gemeente Ubbergen).9

4.3.2

Inbeslagname van schapen

Naar aanleiding van informatie van getuige [getuige 3] (onder andere gedeeld met aangever [benadeelde 1]) is door de politie, tezamen met de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) onderzoek gedaan op het bedrijf van [verdachte].

Op het terrein van [verdachte] zijn 199 schapen aangetroffen en in beslag genomen.10

Mede op grond van informatie van aangever [benadeelde 1] heeft de politie op een weiland aan de Appelenburgseveldweg in Dodewaard 113 schapen aangetroffen en in beslag genomen. Dit weiland is in gebruik bij de maatschap van medeverdachten [medeverdachten 1 + 2].11

Van deze 312 schapen stonden 60 schapen vermeld op de stallijst van [verdachte], 90 schapen stonden in de voorraad vrije merken op de stallijst van [verdachte], 161 schapen stonden niet op de stallijst van [verdachte] geregistreerd. Van deze laatste 161 schapen stonden 52 op de stallijst van de maatschap van medeverdachten [medeverdachten 1 + 2] en 109 stonden in de voorraad vrije merken van de maatschap van medeverdachten [medeverdachten 1 + 2]. Van 1 schaap is geen merk bekend.12

Tijdens dit onderzoek heeft [verdachte] verklaard dat in Dodewaard in de polder nog meer schapen stonden. In een weiland aan de Waalbandijk in Dodewaard zijn nog 42 (levende) schapen aangetroffen en in beslag genomen.13 Deze schapen stonden in de voorraad vrije merken op de stallijst van [verdachte].14

Lopende het onderzoek zijn 198 schapen onder medeverdachten [medeverdachten 1 + 2] in beslag genomen. Zo zijn 100 schapen uit een weiland aan de Waalbandijk te Kesteren en 98 schapen uit een weiland aan de Nieuwe Dijk te Kesteren in beslag genomen.15

De inbeslaggenomen schapen zijn in bewaring gegeven bij een opslaghouder.16 Met betrekking tot de groepen van 19917 en 11318 onder [verdachte] in beslag genomen schapen bevinden zich in het dossier aanvoerbonnen van de aanvoer op 28 september 2012 bij opslaghouder [betrokkene 6].

De 198 onder medeverdachten [medeverdachten 1 + 2] in beslag genomen schapen zijn eveneens bij opslaghouder [betrokkene 6] opgeslagen, zoals blijkt uit de betreffende aanvoerbonnen.19

Gelet op voormelde bewijsmiddelen is, naar het oordeel van de rechtbank, voldoende duidelijk geverbaliseerd dat de 312 onder [verdachte] inbeslaggenomen schapen en de 198 onder medeverdachten [medeverdachten 1 + 2] in beslag genomen schapen aan opslaghouder [betrokkene 6] in bewaring zijn gegeven, waarbij de registratienummers van de in beslag genomen schapen op de aanvoerlijsten zijn vermeld. Voorts is in het (hierna te bespreken) bloedonderzoek telkens gebruik gemaakt van een uniek registratienummer van elk schaap, welke nummers telkens terug te vinden zijn op de aanvoerlijsten. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de bloedmonsters zijn genomen van de onder [verdachte] en onder medeverdachten [medeverdachten 1 + 2] in beslag genomen schapen. Deze registratienummers staan bovendien, op één niet geregistreerd schaap na, op de stallijsten dan wel de vrije merken van [verdachte] of van medeverdachten [medeverdachten 1 + 2]. Er is dan ook geen reden te veronderstellen dat andere dan de inbeslaggenomen schapen (bijvoorbeeld na vermenging) zouden zijn onderzocht op verwantschap.

Ten aanzien van de groep van 42 schapen die in Dodewaard in beslag zijn genomen, geldt dat in een proces-verbaal van bevindingen staat dat deze schapen zijn opgeslagen bij een opslaghouder20 en na een maand zijn overgebracht naar aangever [benadeelde 17].21 Uit het dossier blijkt niet waar deze schapen die maand waren opgeslagen, mede nu geen aanvoerbonnen naar een opslaghouder in het dossier voorhanden zijn. Voor zover dit een (onherstelbaar) vormverzuim zou opleveren, behoeft daaraan geen verdergaande consequentie, dan die enkele constatering daarvan, te worden verbonden. Daartoe overweegt de rechtbank dat direct in het weiland aan de Waalbandijk bloedmonsters zijn genomen (zie nader te noemen verwijzingen), zodat de daarop volgende bewaarplaats van deze schapen niet meer relevant is voor de vraag of de bloedmonsters waarop het verwantschapsonderzoek is verricht afkomstig zijn van de in beslag genomen schapen.

4.3.3

Bloedonderzoek

Bij diverse uit de verschillende groepen geselecteerde schapen is bloed afgenomen voor te verrichten DNA-verwantschapsonderzoek. Hiervoor hebben de verschillende aangevers schapen herkend tussen de inbeslaggenomen schapen (verwijzingen in de hieronder opgenomen tabel).

Verbalisant [verbalisant 3] heeft verklaard dat alle bloedafnamen bij de onderzochte schapen onder zijn toezicht door een dierenarts hebben plaatsgevonden en dat de buisjes bloed onder zijn toezicht zijn afgeleverd bij het laboratorium.22 Dit komt overeen met hetgeen door deze verbalisant is gerelateerd in de verschillende processen-verbaal van bevindingen rondom de bloedafnamen.23 Nu voorts in de (relevante) resultaten van het bloedonderzoek door het laboratorium, telkens de unieke registratienummers van de schapen worden vermeld, welke nummers voorkwamen op de stallijsten van [verdachte] en zijn medeverdachten alsook op de aanvoerlijsten van de in beslag genomen schapen, is de rechtbank van oordeel dat de inbeslagname van het bloed en het verbaliseren daarover met voldoende zorgvuldigheid heeft plaatsgevonden.

4.3.4

DNA-verwantschapsonderzoek

Uit het bloed van de inbeslaggenomen schapen zijn DNA-profielen afgeleid.

Aangevers hebben ter onderbouwing van het standpunt dat zich onder de inbeslaggenomen schapen, schapen bevonden die aan hen toebehoorden, eigen, niet-inbeslaggenomen schapen aangewezen, welke schapen ouder dan wel nakomeling zouden zijn van de onder van aangevers gestolen schapen. Van deze geselecteerde schapen is eveneens bloed afgenomen en zijn DNA-profielen afgeleid. De DNA-profielen van inbeslaggenomen schapen zijn met de DNA-profielen van door aangevers aangewezen ‘derde’-schapen vergeleken en bezien is of verwantschap kon worden vastgesteld.

In de hieronder opgenomen tabel zijn de resultaten van dit onderzoek opgenomen. Van schapen waarvan geen mogelijke verwantschap is gebleken zijn geen resultaten opgenomen. De paginanummers verwijzen naar de onderliggende bewijsmiddelen in het dossier, zijnde de processen-verbaal van bevindingen, de rapportages van het [laboratorium], de aanvoerbonnen en de stallijsten.

Registratienr.

schaap

Vermeld op stallijst

Locatie bloedafname / inbeslagname

Vergeleken met

Verwantschap

NL1000471

52946

[verdachte] (p.521)

Weiland Waalbandijk (p. 521)

NL1000150 76113 &

NL1000542 78691:

Afkomstig van bedrijf [bedrijf 1] (p.522)

Mogelijke moeder-nakomelingen

(p. 525)

NL1000471

52946

[verdachte] (p.521)

Weiland Waalbandijk (p. 521)

NL1000474 52947:

Aangetroffen op het weiland aan de Waalbandijk (p.413)

Mogelijke ouder-nakomeling (p. 571)

NL 1000530

68468

[medeverdachten 1 + 2]

(p. 563)

Opslaghouder (p. 561);

Eén van de 98 onder [medeverdachten 1 + 2] inbeslaggenomen schapen (p. 561 en 563)

NL1000471 52946:

Aangetroffen op het weiland aan de Waalbandijk (p.413)

Mogelijke ouder-nakomeling (p. 571)

NL 1000530

68468

[medeverdachten 1 + 2]

(p. 563)

Opslaghouder (p. 561);

Eén van de 98 onder [medeverdachten 1 + 2] inbeslaggenomen schapen (p. 561)

NL 1000540 63035:

Eén van de 100 onder [medeverdachten 1 + 2] inbeslaggenomen schapen (p. 561 en 563)

Mogelijk ouder- nakomeling (p. 571)

NL 1000538

68440

[medeverdachten 1 + 2]

(p. 561)

Opslaghouder (p. 561);

Eén van de 100 onder [medeverdachten 1 + 2] inbeslaggenomen schapen (p. 561 en 563)

NL 1000142 72372 &

NL 1000151 76088:

Afkomstig van bedrijf [bedrijf 1] (p.561)

Mogelijke ouder-nakomeling (p. 570)

NL 1000537

68429

[medeverdachten 1 + 2]

(p. 561)

Opslaghouder (p. 561);

Eén van de 100 onder [medeverdachten 1 + 2] inbeslaggenomen schapen (p. 561 en 563)

NL 1000157 76105:

Afkomstig van bedrijf [bedrijf 1] (p.561)

Mogelijke ouder-nakomeling (p. 570)

NL 1000486

63731

[verdachte] (p. 414)

Opslaghouder (p. 406);

Eén van de 113 inbeslaggenomen schapen bij [verdachte] (p. 406 en p. 1046)

NL 1000088 94142;

Dekram afkomstig van bedrijf [benadeelde 1] (p. 405)

Mogelijke vader-nakomeling (p. 410)

NL 1000536

68693

[medeverdachten 1 + 2]

(p. 414)

Opslaghouder (p. 406);

Eén van de 113 inbeslaggenomen schapen bij [verdachte] (p. 406 en p. 1048)

NL 1000088 94142;

Dekram afkomstig van bedrijf [benadeelde 1] (p. 405)

Mogelijke vader-nakomeling (p. 410)

NL 1000480

63708

[verdachte] (p. 414)

Opslaghouder (p. 406);

Eén van de 113 inbeslaggenomen schapen bij [verdachte] (p. 406 en p. 1045)

NL 1000088 94142;

Dekram afkomstig van bedrijf [benadeelde 1] (p. 405)

Mogelijke vader-nakomeling (p. 410)

NL 1000531

68681

[medeverdachten 1 + 2]

(p. 414)

Opslaghouder (p. 406);

Eén van de 113 inbeslaggenomen schapen bij [verdachte] (p. 406 en p. 1047)

NL 1099820 39608;

Dekram afkomstig van bedrijf [benadeelde 1] (p. 405)

Mogelijke vader-nakomeling (p. 410)

NL 1000533

68678

[medeverdachten 1 + 2]

(p. 414)

Opslaghouder (p. 406);

Eén van de 113 inbeslaggenomen schapen bij [verdachte] (p. 406 en p. 1047)

NL 1099820 39608;

Dekram afkomstig van bedrijf [benadeelde 1] (p. 405)

Mogelijke vader-nakomeling (p. 410)

NL 1000539

68618

[medeverdachten 1 + 2]

(p. 414)

Opslaghouder (p. 406);

Eén van de 113 inbeslaggenomen schapen bij [verdachte] (p. 406 en p. 1046)

NL 1099820 39608;

Dekram afkomstig van bedrijf [benadeelde 1] (p. 405)

Mogelijke vader-nakomeling (p. 410)

NL 1000480

63722

[verdachte] (p. 414)

Opslaghouder (p. 406);

Eén van de 113 inbeslaggenomen schapen bij [verdachte] (p. 406 en p. 1046)

NL 1000083 94611;

Dekram afkomstig van bedrijf [benadeelde 1] (p. 405)

Mogelijke vader-nakomeling (p. 410)

NL 1000489

63718

[verdachte] (p. 414)

Opslaghouder (p. 406);

Eén van de 113 inbeslaggenomen schapen bij [verdachte] (p. 406 en p. 1046)

NL 1000083 94433;

Dekram afkomstig van bedrijf [benadeelde 1] (p. 405)

Mogelijke vader-nakomeling (p. 410)

NL 1000536

68679

[medeverdachten 1 + 2]

(p. 414)

Opslaghouder (p. 406);

Eén van de 113 inbeslaggenomen schapen bij [verdachte] (p. 406 en p. 1046)

NL 1000083 94433;

Dekram afkomstig van bedrijf [benadeelde 1] (p. 405)

Mogelijke vader-nakomeling (p. 410)

NL 1000480

63683

[verdachte] (p. 414)

Opslaghouder (p. 399);

Eén van de 113 inbeslaggenomen schapen bij [verdachte] (p. 406 en p. 1047)

NL 1099980 71348;

Fokram afkomstig van bedrijf [benadeelde 3] (p. 398)

Mogelijke vader-nakomeling (p. 404)

NL 1000483

63684

[verdachte] (p. 414)

Opslaghouder (p. 399);

Eén van de 113 inbeslaggenomen schapen bij [verdachte] (p. 406 en p. 1047)

NL 1099980 71348;

Fokram afkomstig van bedrijf [benadeelde 3] (p. 398)

Mogelijke vader-nakomeling (p. 404)

NL 1000537

68645

[medeverdachten 1 + 2]

(p. 414)

Opslaghouder (p. 399);

Eén van de 199 inbeslaggenomen schapen bij [verdachte] (p. 406 en p. 1043)

NL 1099980 71348;

Fokram afkomstig van bedrijf [benadeelde 3] (p. 398)

Mogelijke vader-nakomeling (p. 404)

NL 1000487 63745

[verdachte] (p. 919)

Opslaghouder (p. 655);

Eén van de 199 inbeslaggenomen schapen bij [verdachte] (p. 655 en p. 1041)

NL 1000497 33055;

Dekram afkomstig van zorgboerderij [bedrijf 2] (p. 655) (aangever [benadeelde 10] p. 655)

Mogelijke ouder-nakomeling (p. 669)

NL 1000534 68675

[medeverdachten 1 + 2]

(p. 937)

Opslaghouder (p. 655);

Eén van de 199 inbeslaggenomen schapen bij [verdachte] (p. 655 en p. 1044)

DNA-reconstructie van vaderdier aan de hand van 10 vermeende nakomelingen op het bedrijf van [benadeelde 10] (p. 658 en 664)

Mogelijk vader-nakomeling (p. 670)

NL 1000544 62876

[medeverdachten 1 + 2]

(p. 931)

Opslaghouder (p. 593)

Eén van de 198 inbeslaggenomen schapen bij [medeverdachten 1 + 2] (p. 593 en p. 1145)

NL 1000140 56675;

Lam afkomstig van bedrijf [bedrijf 3] (p. 598)

Mogelijk ouder-nakomeling (p. 607)

Bij drie verwantschapsonderzoeken, te weten die met betrekking tot de schapen met nummers NL 1000487 63745, NL 1000534 68675 en NL 1000536 68679, wordt in het rapport van het [laboratorium] opgemerkt dat op slechts één van de 18 getypeerde erfelijke kenmerken de mogelijke ouder-nakomeling relatie niet past, maar dat dat volgens internationale richtlijnen niet voldoende is om een ouder-nakomeling relatie uit te sluiten. De rechtbank concludeert dat hieruit kan worden afgeleid dat voor de overig vastgestelde mogelijke ouder-nakomeling relaties sprake is van een match op alle 18 erfelijke kenmerken.

4.3.5

Deskundigenonderzoek ing. [deskundige]

De verdediging heeft de deskundigheid van ing. [deskundige] betwist.

De rechtbank overweegt dat het onderzoek dat door [deskundige] is verricht op verzoek van de verdediging is geïnitieerd. De rechter-commissaris heeft ing. [deskundige], ondanks dat hij niet is geregistreerd in het register van het NRGD op het deskundigengebied waarvoor het onderzoek werd gevorderd, gelet op zijn opleiding, ervaring en het feit dat hij eerder als vaste gerechtelijke deskundige heeft opgetreden tot deskundige benoemd. Gelet hierop ziet de rechtbank in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, te weten de enkele mededeling dat [deskundige] zou hebben aangegeven geen bijzondere expertise op het gebied van niet-humaan DNA te hebben, geen aanleiding aan de deskundigheid van ing. [deskundige] te twijfelen. De rechtbank acht zijn rapport dan ook bruikbaar voor het bewijs.

Deskundige ing. [deskundige] heeft opgemerkt dat bij een kritische bestudering van het verstrekte onderzoeksmateriaal geen indicatoren zijn waargenomen die steun geven aan de hypothese dat er niet is gewerkt volgens de forensische basisprincipes/normeringen. De ‘chain of custody’ is naar de mening van ing. [deskundige] te betitelen als sluitend. Deskundige ing. [deskundige] heeft in zijn rapport opgemerkt dat in het onderzoek 18 DNA-markers getypeerd zijn en dat dit resulteert bij volledig verklaarbare DNA-overeenkomsten tot een betrouwbaarheid van tenminste 95%.24

4.3.6

Aanvullend onderzoek I&R systeem

Er is aanvullend onderzoek verricht in het identificatie en registratiesysteem schaap (I&R systeem) naar de afvoer van schapen van de in het hierboven opgenomen schema genoemde aangevers. In dit proces-verbaal van bevindingen staat ten aanzien van al deze aangevers vermeld dat geen van hun schapen, anders dan door diefstal (rechtbank leest: illegale vervreemding), is afgevoerd naar de schapenhouderij van [verdachte], dan wel die van zijn medeverdachten.25

4.3.7

Tussenconclusie

Naar het oordeel van de rechtbank is in voldoende mate zorgvuldig gerelateerd op welk moment, welke hoeveelheid schapen in beslag is genomen, van welk schaap op welke locatie bloed is afgenomen en met welk bloed vervolgens een DNA-verwantschapsonderzoek is verricht. Er zijn (in hetgeen door de verdediging is aangevoerd, dan wel anderszins) geen redenen voor het oordeel dat bij de inbeslagname en het bloedonderzoek niet de daarvoor geldende zorgvuldigheidsnormen in acht zijn genomen. De rechtbank acht de zogenoemde ‘chain of custody’ dan ook sluitend.

Door de verdediging is aangevoerd dat geen bewijswaarde van de mogelijke ouder-nakomeling relaties is berekend en dat daarom ook geen bewijswaarde hieraan kan worden toegekend.

De rechtbank volgt de verdediging hierin niet en is van oordeel dat wel degelijk bewijswaarde kan worden toegekend aan de uitkomsten van het verwantschapsonderzoek nu het merendeel van de mogelijke ouder-nakomelingrelaties is gebaseerd op 18 overeenkomende getypeerde erfelijke kenmerken, bij drie slechts één kenmerk niet past en een betrouwbaarheidspercentage van 95% door [deskundige] wordt gegeven aan de conclusie dat het daarom ouder-nakomelingrelaties betreffen. Daar komt bij dat sprake is van in totaal 21 mogelijke ouder-nakomeling relaties met schapen van meerdere aangevers. Naar het oordeel van de rechtbank is de kans te verwaarlozen en is het daarmee ook niet aannemelijk dat in al die gevallen sprake is van een toeval en niet van een ware ouder-nakomeling relatie. Bovendien acht de rechtbank het gelet op de aangiftes en de I&R gegevens betreffende de bedrijven van de aangevers niet aannemelijk dat de aan de schapen van de aangevers verwante schapen zijn verkocht en bij de bedrijven van [verdachte] en [medeverdachten 1 + 2] terecht zijn gekomen. De I&R gegevens van de bedrijven van [verdachte] en [medeverdachten 1 + 2] geven hiervoor evenmin aanknopingspunten.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het voorgaande buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat [verdachte] en medeverdachten [medeverdachten 1 + 2] schapen afkomstig van verschillende diefstallen onder zich hadden.

Voorts ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of [verdachte] zich (met zijn medeverdachten) schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van de schapen.

4.3.8

Telefoongegevens

Van [verdachte] en zijn medeverdachten zijn de historische telefoongegevens van hun telefoonnummers geanalyseerd.

[verdachte] heeft verklaard dat hij gebruik maakte van telefoonnummer [nr 1] en dat hij in de tijd dat hij op de vrachtwagen zat zijn telefoon incidenteel aan een chauffeur afgaf. Voorts heeft hij verklaard dat hij op een asfalteerwagen heeft gewerkt. Dit deed hij vooral ’s nachts. Hij heeft al maanden geen nachtdienst meer gedaan, aldus zijn op 23 oktober 2012 afgelegde verklaringen.26

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij gebruik maakte van telefoonnummer [nr 4], dat niemand anders zijn telefoon gebruikt en dat hij zijn telefoon bijna altijd bij zich heeft.27

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij gebruik maakte van telefoonnummer [nr 2], dat in principe niemand anders zijn telefoon gebruikt en dat hij probeert zijn telefoon bij zich te hebben.28

[benadeelde 1] en [benadeelde 2] (namens [benadeelde 3]) hebben aangifte gedaan van diefstal van schapen tussen 12 september 2012 16.30 uur en 13 september 2012 13.00 uur uit weilanden gelegen te Bern en Well.

Op 12 september 2012 omstreeks 02.07.53 uur heeft de telefoon van [verdachte], via een zendmast te Echteld, contact met de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1]. In diezelfde nacht omstreeks 02.23.49 uur heeft de telefoon van [medeverdachte 1], via een zendmast te Hedel, contact met de telefoon van [verdachte], via een zendmast Velddriel. Omstreeks 02.36.33 en 03.03.18 uur diezelfde nacht heeft de telefoon van [medeverdachte 1], via een zendmast te Delwijnen, contact met [medeverdachte 2]. Verbalisanten relateren dat Velddriel, Hedel en Delwijnen locaties zijn in de omgeving van Bern en Well.29 In het dossier zit ook een kaart waarop de locaties van genoemde zendmasten en locaties van de diefstallen zijn weergegeven.30

[benadeelde 4], [benadeelde 5] en [benadeelde 6] hebben aangifte gedaan van diefstal van schapen tussen 11 juli 2012 te 17.00 uur en 12 juli 2012 te 11.00 uur uit weilanden te Linden (Noord-Brabant).

Op 12 juli 2012 omstreeks 00.03.46 uur heeft de telefoon van [verdachte], via een zendmast te Veenendaal, contact met de telefoon van [medeverdachte 1]. De telefoon van [medeverdachte 1] heeft die nacht omstreeks 00.07.22 uur, via een zendmast te Grave, contact met de telefoon van [medeverdachte 2]. In die nacht omstreeks 00.08.09 en 00.09.01 uur heeft de telefoon van [medeverdachte 2], via een zendmast te Dodewaard, contact met de telefoon van [medeverdachte 1]. Omstreeks 02.35.51 uur heeft de telefoon van [medeverdachte 1], via een zendmast te Heumen, contact met de telefoon van [medeverdachte 2]. Een verbalisant heeft gerelateerd dat de locaties Grave en Heumen gelegen zijn in de omgeving van de plaats van de diefstallen te Linden.31 In het dossier zit ook een kaart waarop de locaties van genoemde zendmasten en locaties van de diefstallen zijn weergegeven.32

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft op 11 juli 2012 overdag aan [verdachte] een sms-bericht verstuurd met de tekst ‘hoe heet die plek’. [verdachte] antwoordde hierop per sms-bericht ‘weet ik niet, gewoon tussen afrit drie en vier. Beers’. Een verbalisant heeft gerelateerd dat Beers een plaats in de omgeving van Cuijk is en dat in de nacht van 11 juli 2012 schapen zijn gestolen in Linden op een locatie gelegen tussen de afritten 3 en 4 van de A73. Voorts stuurt medeverdachte [medeverdachte 1] op 11 juli 2012 om 22:27:24 uur een sms-bericht aan medeverdachte [medeverdachte 2] ‘afrit onderaan links richting Cuijk dan naar de Mac weer links richting de havens die weg alsmaar volgen dan zie je mij heel eind verderop staan succes’. Die nacht om 01:15:01 uur krijgt medeverdachte [medeverdachte 1] van medeverdachte [medeverdachte 2] een sms-bericht ‘Draai m in de wei!’. Door de verbalisant wordt opgemerkt dat men 2 uur moet optellen bij de genoemde tijden die bij de sms zijn vermeld om de daadwerkelijke te tijd te hebben.33

[benadeelde 7] heeft aangifte gedaan van diefstal van schapen tussen 10 juli 2012 omstreeks 18:00 uur en 11 juli 2012 omstreeks 06:30 uur uit een weiland aan de Lekdijk Oost te Nieuwegein.

Op 11 juli 2012 op de tijdstippen 00.18.40, 00.34.58, 00.35.40, 00.47.09 01.37.14 en 01.41.30 uur hebben de telefoons van [verdachte] en zijn medeverdachten [medeverdachten 1 + 2] onderling contact, waarbij zendmasten aan de Hagenweg te Vianen, de Vijfherenlanden te Vianen, de Rijksweg A27 te Nieuwegein en de Stationsweg te Maarn zijn aangestraald. Deze locaties zijn, volgens een verbalisant, gelegen in de omgeving van de Lekdijk Oost te Nieuwegein.34 In het dossier zit ook een kaart waarop de locaties van genoemde zendmasten en locaties van de diefstallen zijn weergegeven.35

[benadeelde 8] heeft aangifte gedaan van diefstal van schapen tussen 6 augustus 2012 te 18:30 uur en 7 augustus 2012 te 10:00 uur uit weilanden aan de Lekdijk Oost te Lopik.

Op 6 augustus 2012 op de tijdstippen 20.10.54, 00.49.07, 01.47.00 en 01.47.42 uur hebben de telefoons van [verdachte] en zijn medeverdachten [medeverdachten 1 + 2] onderling contact, waarbij (onder andere) zendmasten te Benschop en Montfoort zijn aangestraald. Deze locaties zijn, volgens een verbalisant, gelegen in de omgeving van de Lekdijk Oost te Lopik.36 In het dossier zit ook een kaart waarop de locaties van genoemde zendmasten en locaties van de diefstallen zijn weergegeven.37

Verdachten hebben bij hun verhoren en ter terechtzitting geen verklaring willen geven voor de omstandigheid dat hun telefoons in de periodes waarin de diefstallen zijn gepleegd rondom locaties van die diefstallen zendmasten hebben aangestraald en evenmin hebben zij een verklaring gegeven over de aard, inhoud en context van de telefooncontacten. Dit ondanks dat hen meermalen is gewezen op het belang van dergelijke verklaringen.

Voor zover [verdachte] als verklaring heeft willen geven dat hij ook ’s nachts werkte, wordt dit weersproken door zijn verklaring bij de politie dat hij vanaf oktober 2012 al maanden niet meer ’s nachts werkte. Voorts is deze verklaring op geen enkele wijze geconcretiseerd.

Uit het vorenstaande concludeert de rechtbank dat verdachte en zijn medeverdachten aanwezig waren in de omgeving van genoemde diefstallen, op ongebruikelijke (namelijk nachtelijke) tijdstippen, binnen de tijdspanne waarin de diefstallen zouden zijn gepleegd, en/of dat zij rondom die tijd onderling (telefonisch) contact hadden.

4.3.9 (

(Camera)beelden

Aangever [benadeelde 6] heeft twee maal op eigen initiatief een USB-stick met daarop camerabeelden aan de politie overhandigd. Op deze camerabeelden heeft verbalisant [verbalisant 1] gezien dat op 12 juli 2012 om 00.43 uur een tractor met daaraan vast een grote gesloten veewagen en een witte/lichtkleurige bedrijfsauto met daarachter een kleine veewagen rijdt over de Havenlaan te Katwijk (Noord-Brabant). Dit is in de richting van de Hooge Voort te Linden. Tevens heeft de verbalisant op de beelden gezien dat op donderdag 12 juli 2012 om 02.18 uur de eerder genoemde witte/lichtkleurige bedrijfsauto met kleine veewagen in tegengestelde richting rijdt. Deze beelden zijn uitgezonden in het opsporingsprogramma Bureau Brabant.38 Zoals al aangegeven zijn in de periode van 11 juli 2012 tot 12 juli 2012 aan de Hooge Voort te Linden uit drie weiden schapen gestolen.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat ze op de camerabeelden de bedrijfsauto van [verdachte] (haar zwager) heeft herkend. Verder herkende ze de tractor en veewagens en wist ze deze toebehoorde aan medeverdachte [medeverdachte 2].39 Tegenover de rechter-commissaris heeft getuige [getuige 1] verklaard de auto van [verdachte] te hebben herkend aan het verlengde model, een fabrieksfout en aan een geblindeerd raam en door de combinatie met de veewagen die van de [medeverdachten 1 + 2] (de rechtbank begrijpt: medeverdachten [medeverdachten 1 + 2]) was met daarvoor de Fendt trekker en een grote vee-aanhanger. Op die vee-aanhanger is (mede door de vriend van getuige) een vrachtwagenklep gelast.40

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij de getoonde camerabeelden heeft gezien en daarop het busje van [verdachte] heeft herkend. De veewagen was ook van [verdachte] volgens getuige. Ook zag hij een tractor en aanhangwagen. Die aanhangwagen leek op die van [medeverdachten 1 + 2].41

Tegenover de rechter-commissaris heeft getuige [getuige 2] verklaard dat hij de broers [medeverdachten 1 + 2] kent, ook omdat hij ongeveer twee a drie jaren bij hen op de boerderij heeft gewerkt. Via deze broers kende getuige ook [verdachte]. De aanhangwagen van [medeverdachten 1 + 2] was een zelfgemaakte aanhanger. Getuige herkende deze aan de beugels die over de bovenkant heenlopen, een hydraulische klep achterop en de dranghekken aan de zijkant. Getuige heeft veel met die aanhanger gewerkt. Getuige volhardt in zijn verklaring dat hij het busje van [verdachte] en de veewagen heeft herkend. Dit busje en deze veewagen heeft hij veel zien staan in Opheusden.42

Op het terrein van [verdachte] is een grijze Peugeot Expert aangetroffen en in beslag genomen.43 [verdachte] heeft verklaard een 9 jaar oude grijze Peugeot bus te hebben44, naar de rechtbank begrijpt de aangetroffen Peugeot Expert. Op het terrein van medeverdachten [medeverdachten 1 + 2] is een veetrailer aangetroffen. Deze veetrailer stond op naam van [medeverdachte 2]. Op het terrein van medeverdachte [medeverdachten 1 + 2] is ook een Fendt tractor met veewagen aangetroffen.45 [medeverdachte 2] heeft verklaard ook gebruik te maken van een Fendt tractor en een veewagen voor achter de tractor, een zelfbouwkar die [medeverdachte 1] gebouwd heeft.46

Gelet op de herkenning door de getuigen van de voertuigen op de camerabeelden aan de hand van zeer specifieke kenmerken, trekt de rechtbank de conclusie dat de voertuigen (met veewagens) van verdachte en zijn medeverdachte aanwezig waren in de nabije omgeving van de diefstallen, rondom (nachtelijke) tijdstippen die vallen in de periode waarbinnen de diefstallen (in de nacht) van 11 juli 2012 op 12 juli 2012 aan de Hooge Voort te Linden zijn gepleegd. Daarbij stelt de rechtbank vast dat de tijdstippen waarop de voertuigen zijn waargenomen, kunnen passen binnen de tijden waarin de telefoons van de verdachten op de nacht van 11 en 12 juli 2012 zendmasten in diezelfde omgeving hebben aangestraald.

4.3.10

Getuigenverklaringen

De ouders van medeverdachten [medeverdachten 1 + 2] hebben verklaard dat zij zich zorgen maakten over de dingen die hun zoons deden. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren ’s nachts veel weg. De vader van de medeverdachte had er een slecht gevoel over dat de jongens met de veekar weg waren en hij vertrouwde het helemaal niet meer toen er hekken aan de zijkant van de veewagen waren gemaakt.47

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij in het weekend van 13 tot en met 16 september 2012 meerdere malen door [verdachte] werd gebeld.48 De eerste keer belde hij op 14 september, toen nam getuige niet op. Op 15 september belde [verdachte] weer en vroeg [verdachte] of getuige schapen wilde scheren. Dit moest zo snel mogelijk gebeuren.49 [getuige 3] heeft, op verzoek van [verdachte], op 21 september 2012 op diens perceel aan de [adres 2] te Opheusden 140 schapen geschoren. De wol zat helemaal onder de stro en kan getuige dus niet verkopen. De rest van de schapen waren al eerder geschoren.50 De schapen die [getuige 3] had geschoren hadden allemaal een roze stip op de rug. Onder die stip zat een rode verfstip. Na het scheren heeft [verdachte] tijdens een autorit aan [getuige 3] verteld dat de schapen die hij geschoren had, gestolen waren in Ammerzoden. Tevens heeft [verdachte] aan getuige verteld dat de oornummers van de schapen verwisseld waren. Op die dag reden zij ook langs een locatie in de buurt van het Industrieterrein in Dodewaard, waar de rammen uit hetzelfde koppel, als de schapen die zojuist waren geschoren, stonden. Ook die schapen waren volgens [verdachte] gestolen.51 [verdachte] heeft desgevraagd aan getuige verklaard dat hij met zijn kornuiten roze of blauwe verf op de schapen heeft aangebracht. Deze verf werd aangebracht om de merk-stippen niet zichtbaar te maken.52

Getuige [getuige 6] heeft verklaard dat hij samen met [getuige 3] aan de [adres 2] te Opheusden (rechtbank: het toenmalige adres van [verdachte]) bijna 150 schapen heeft geschoren. De lammeren waren bijna allemaal bespoten met rode verf en waren vies. De man, waarvoor geschoren moest worden en die op dat adres woonde, zei vreemde dingen. Zo gaf hij aan dat de schapen van de markt kwamen, maar dat kon volgens getuige niet kloppen. Getuige had bij dit alles een vreemd gevoel. Deze getuige is ook nog gebeld door de man, waarbij hem werd gezegd dat getuige een bon moest geven over het leveren van 150 schapen aan deze man.53 Getuige gaf aan dat de man belde met het telefoonnummer [nr 3] (rechtbank: het nummer van [verdachte]).54 Desgevraagd over de verf gaf [verdachte] aan dat hij twee jongens had die de schapen hadden behandeld. [verdachte] wilde de wol er zo snel mogelijk af om ze af te mesten en daarna voor de slacht te verkopen. Dit kwam op getuige over alsof hij de dieren onherkenbaar wilde maken.55

Aangever [benadeelde 1] heeft in zijn aangifte verklaard dat zijn schapen een duidelijke plek rode verf op hun schoft hebben en voorzien zijn van een groen oormerk.56

Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat zij op 13 september 2012 op een perceel aan de Nieuwendijk te Ochten was naast het perceel van medeverdachten [medeverdachten 1 + 2]. Het viel getuige na een tijd op dat er twee mannen en een kind liepen in die wei. Verder viel een grote groep lammeren op. Deze waren voorzien van een rode/roze verfstreep op de rug en waren allemaal erg vies. Vermoedelijk hebben ze dicht tegen elkaar in een stal of veekar gestaan, waardoor ze zo vies zijn geworden. In de wei worden de schapen nooit zo vies. Getuige schat dat het zo’n 100 schapen zijn geweest. Voorts heeft getuige verklaard mogelijk [verdachte] en zijn auto van [verdachte] te hebben herkend. Op 15 september 2012 waren deze schapen ineens verdwenen. Getuige heeft medeverdachte [medeverdachte 1] hierover gebeld, die aangaf dat de schapen er tijdelijk hadden gestaan omdat ze deze niet kwijt konden op de plaats waar ze naar toe moesten. Er zou die middag nog een koppel rammen geplaatst worden. Deze rammen heeft getuige ook gezien die middag.57

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [verdachte] altijd ongeveer 40 schapen in zijn bezit had, maar sinds een paar maanden (datum verhoor 30 september 2012) ineens veel meer schapen had.58 In augustus 2012 heeft [verdachte] tegen getuige gezegd dat hij de hele Betuwe had vollopen met schapen. Deze zou hij hebben gekocht van toevallig gestopte schapenboeren.59

Uit de hiervoor genoemde verklaringen concludeert de rechtbank dat verdachte in de dagen na de diefstal bij aangevers [benadeelde 1] en [benadeelde 3] over een groot aantal schapen beschikte, die van hem zo snel mogelijk geschoren moesten worden. Deze schapen hadden volgens de getuigen roze dan wel rode verf op de rug, wat een opvallende overeenkomst is met de schapen van aangever [benadeelde 1], die volgens hem een duidelijke plek rode verf op de schoft hadden.

Daar komt bij dat het getuige [getuige 1] was opgevallen dat verdachte in de periode dat de diefstallen zijn gepleegd ineens over veel meer schapen beschikte.

4.3.11

Verklaringen verdachten

[verdachte] heeft diverse verklaringen afgelegd in deze zaak. Zo heeft hij verklaard dat het vee zijn eigendom is en dat hij dit vee onder andere heeft gekocht van [medeverdachten 1 + 2].60 De 199 schapen die in beslag zijn genomen niet zijn gestolen, aldus [verdachte].61 Met betrekking tot de 42 schapen in het weiland aan De Werd heeft [verdachte] verklaard dat hij, nadat de NVWA hem erop wees dat schapen geen nummer hadden, dacht: dan ga ik alle schapen voorzien van een nieuw nummer.62

Voorts heeft [verdachte] verklaard dat hij op 17 september 2012 contact had met [getuige 5] en dat hij van hem 250 schapen heeft gekocht, waarbij hij een openstaande schuld van € 10.000,00 van het aankoopbedrag heeft afgetrokken. De schapen werden in twee ritten op 20 september 2012 geleverd. [verdachte] heeft zijn vrouw gevraagd van de aankoop van de schapen een bon te laten maken.63

Tegenover verbalisanten van de NVWA heeft [verdachte] verklaard dat hij in de polder in Dodewaard nog 40 á 50 ooien heeft lopen. In de stal van [verdachte] lopen schapen die door [verdachte] vorige week vrijdag (datum verklaring 27 september 2012) van [medeverdachten 1 + 2] zijn aangevoerd. Hiervan heeft verdachte geen vervoersdocumenten. De aanwezige lammeren had hij nog niet aangemeld en hij had geen rekening van de aanschaf van die lammeren.64

Voorts heeft verdachte verklaard dat [medeverdachte 1] bij de koop van de schapen van Roelof aanwezig was. Na de levering zou [medeverdachte 1] hebben gezegd dat de schapen geen goede nummers hadden. Samen met [medeverdachte 1] heeft [verdachte] de oude nummers eruit gehaald en nieuwe nummers van hem en van [medeverdachten 1 + 2] erin gedaan.65 Alle uitgeknipte merken zijn in de Kliko gegooid, aldus [verdachte].66

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft via de telefoon tegenover een verbalisant van de NVWA aangegeven dat hij 100-120 lammeren bij het bedrijf van [verdachte] heeft afgeleverd. Er zouden nog 50 tot 60 aanwezig zijn. 250 zijn er verkocht, omdat wij ook handel doen, aldus [medeverdachte 1].67

Op de vragen of hij wist waar [verdachte] de 250 schapen gekocht had, dan wel of hij [verdachte] heeft geholpen met omnummeren, geeft [medeverdachte 1] geen antwoord.68

[medeverdachte 1] heeft ontkend aan [verdachte] schapen te hebben verkocht. De lammeren die bij [verdachte] stonden heeft [medeverdachte 1] gebracht. Daar is geen vervoersdocument van opgemaakt.69

Toen de 250 schapen bij [verdachte] kwamen, heeft [medeverdachte 1] samen met [verdachte] de schapen gescheiden. De ooien kwamen in de stal van [verdachte] te staan en daar zijn ook ongeveer 50 ooien van [medeverdachte 1] bij gekomen. Deze 50 schapen heeft [medeverdachte 1] zelf geschoren.70

Ter terechtzitting hebben alle verdachten zich beroepen op hun zwijgrecht. Ook nadat door de rechtbank is aangegeven dat bijvoorbeeld de telefoongegevens, tapgesprekken en dna-matches om een verklaring vragen, hebben alle verdachten zich beroepen op hun zwijgrecht.

Getuige [getuige 5] heeft verklaard geen schapen te verhandelen en nooit schapen aan [verdachte] te hebben verkocht. De door de vrouw van [verdachte] gemaakte bon van aankoop van schapen herkende getuige niet. Als getuige al levend vee verhandelt, gaat dit via een ander bedrijf omdat via dat bedrijf geen BTW betaald hoeft te worden.71

Uit het vorenstaande concludeert de rechtbank dat [verdachte] wisselend heeft verklaard over de herkomst van onder hem inbeslaggenomen schapen en dat zijn verklaring niet overeenkomt met of aansluit bij de verklaring van [medeverdachte 1]. Gelet hierop en gelet op het ontbreken van enig schriftelijk bewijsstuk worden de verklaringen over verkoop van schapen van [medeverdachten 1 + 2] aan [verdachte] niet gevolgd. Dat geldt ook voor de verklaring van verdachte dat hij de schapen van [getuige 5] heeft gekocht, aangezien dit onvoldoende wordt ondersteund door objectieve en verifieerbare gegevens. Integendeel, het wordt ontkracht door de verklaring van [getuige 5] zelf. Bovendien heeft verdachte ook bij [getuige 6] geprobeerd om een bon te krijgen voor de aankoop van de schapen.

Van de zijde van de verdediging is (derhalve) geen aannemelijke verklaring gegeven voor de aanwezigheid van een grote hoeveelheid schapen onder [verdachte]. Evenmin is een aannemelijke verklaring gegeven voor de aanwezigheid van een aanmerkelijke groep schapen, aangetroffen op verschillende locaties en verschillende stallijsten, die van diefstal afkomstig zijn. Daar komt bij de getuige [getuige 3] heeft verklaard dat verdachte tegen hem heeft gezegd dat de schapen van diefstal afkomstig zijn.

4.3.12

Conclusie met betrekking tot de diefstal

Gelet op:

  • -

    het aantreffen van grote groepen schapen onder verdachten, welke over verschillende weiden van verschillende verdachten stonden geplaatst en op verschillende stallijsten (al dan niet op een vrij merk) stonden geregistreerd;

  • -

    het (onder die schapen) aantreffen van een aanmerkelijke groep gestolen schapen, welke schapen op meerdere momenten van verschillende aangevers en ook van verschillende locaties zijn gestolen;

  • -

    het aantreffen van de gestolen schapen betrekkelijk kort na de diefstallen;

  • -

    het ontbreken van enige aannemelijke verklaring voor de aanwezigheid van deze gestolen schapen;

  • -

    de aanwezigheid van en de onderlinge contacten met de telefoons van de drie verdachten in de omgeving van de diefstallen op ongebruikelijke nachtelijke tijdstippen waarbinnen de diefstallen zijn gepleegd;

  • -

    de aanwezigheid van de voertuigen van verdachten (met veewagens) in de omgeving van drie diefstallen op nachtelijke tijdstippen waarbinnen die diefstallen zijn gepleegd;

  • -

    het ontbreken van enige aannemelijke verklaring voor die telefoongegevens en de aanwezigheid van de voertuigen;

  • -

    de belastende verklaringen van de verschillende getuigen;

  • -

    de wisselende verklaringen door [verdachte] en de tegenstrijdigheden in de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 1],

alles in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte tezamen met zijn medeverdachten zich schuldig heeft gemaakt aan de hem tenlastegelegde diefstallen van schapen.

4.3.13

Nadere overwegingen ten aanzien van feit 2

Zoals hiervoor is overwogen, heeft verdachte tezamen met zijn medeverdachten schapen van diefstal afkomstig onder zich gehad. Uit hiervoor weergegeven getuigenverklaringen en de verklaringen van verdachten volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte [verdachte] en de gebroeders [medeverdachten 1 + 2] de oormerken van de gestolen schapen hebben verwijderd en nieuwe merken hebben aangebracht. Dit wordt ondersteund door de waarneming van verbalisanten van de NVWA, die gaten in de oren van schapen hebben gezien,72 wat op het verwijderen van oormerken kan duiden en door een telefoongesprek tussen medeverdachte [medeverdachte 2] en een derde, dat is afgetapt. Hierover is gerelateerd als volgt:

[medeverdachte 2] zegt dat ze wel met de schapen met de nummers aan het klooien geweest zijn, en dat hun dat ook weten, dat is makkelijk zat maar heeft niets met de diefstal te maken.

Nn man vraagt of ze [verdachte] hebben geholpen met omnummeren. [medeverdachte 2] zegt, ja precies. 73

De gestolen schapen hebben oormerken van (het bedrijf van de gebroeders) [medeverdachten 1 + 2] dan wel [verdachte] gekregen, waarbij ook gebruik is gemaakt van vrije merken van [medeverdachten 1 + 2] dan wel [verdachte].74 Gesteld noch gebleken is enige goede grond, welke grondslag vindt in de Regeling identificatie en registratie van dieren, om de oormerken te vervangen.

Van de aanvoer van de schapen zijn geen registraties bijgehouden.75

Voorts is na onderzoek door de NVWA (onder meer) gebleken dat bij diverse schapen kennisgevingen bij het I&R-systeem niet, onjuist dan wel te laat zijn geschied.76

Reeds door het omnummeren van de schapen en door deze vervolgens in het I&R-systeem aan te melden is opzettelijk gehandeld in strijd met strekking van de Regeling identificatie en registratie van dieren, dan wel het I&R-systeem. Immers, die regelingen en dat systeem strekt ertoe dieren van geboorte tot overlijden dan wel export te kunnen traceren. Mede gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachten door het omnummeren van de door hen gestolen schapen, door de nieuwe nummers op de verschillende stallijsten en in het I&R-systeem aan te melden en door van het vervoer geen aanvoerbonnen op te maken, zij de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, vervreemding en verplaatsing van die schapen hebben verhuld.

Daarbij komt dat uit de hierboven weergegeven verklaringen tevens volgt dat verdachten de schapen hebben geschoren, hebben vermengd met andere schapen en hebben verspreid over meerdere weilanden van verschillende verdachten. Ook deze handelingen merkt de rechtbank aan als handelingen ter verhullen van, kort gezegd, de werkelijke herkomst van die schapen.

Derhalve is de rechtbank van oordeel dat verdachte, tezamen met zijn medeverdachten, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

4.3.14

Conclusie ten aanzien van de feiten 1 en 2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 (primair) en onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1. hij op meer tijdstippen in de periode van 11 juli 2012 tot en met 27 september 2012 te Bern en Well (buitengebied Ammerzoden) en Linden (Noord-Brabant) en Nieuwegein en Lopik en Erlecom, tezamen en in vereniging met anderen, steeds met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen meerdere schapen, die zich ten tijde van de diefstallen in de weide

bevonden, welke schapen toebehoorden aan:

- [benadeelde 1] (zaaksdossier 1, 189 schapen) en

- [benadeelde 2]/[benadeelde 3] (zaaksdossier 1, 54 schapen) en

- [benadeelde 4] (zaaksdossier 2, 28 schapen) en

- [benadeelde 5] (zaaksdossier 2, 5 schapen) en

- [benadeelde 6] (zaaksdossier 2, 31 schapen) en

- [benadeelde 7] (zaaksdossier 3, 40 schapen) en

- [benadeelde 8] (zaaksdossier 4, 34 schapen) en

- [benadeelde 9] (zaaksdossier 4, 2 schapen) en

- [benadeelde 10] (zaaksdossier 5, 41 schapen) en

2. hij op meer tijdstippen in de periode van 11 juli 2012 tot en met 23 oktober 2012 te Opheusden en/of te Dodewaard en/of Kesteren, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, van voorwerpen, te weten (telkens) meerdere schapen, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing heeft verhuld, dan wel heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp is, hebbende verdachte en/of zijn mededaders:

- opzettelijk onjuiste meldingen gedaan in het zogenoemde I&R-systeem en opzettelijk de stallijsten onjuist ingevuld, onder meer door van misdrijf afkomstige schapen in het I&R-systeem te registreren als vrij merk en op de stallijsten deze schapen te noteren als vrij merk en

- de originele merken van de door misdrijf afkomstige schapen te verwijderen en deze schapen vervolgens fysiek te merken als vrij merk en

- de ingevolge regelgeving vereiste kennisgevingen voor aanvoer, vervoer en afvoer van schapen niet of te laat te verrichten,

terwijl hij wist dat deze schapen afkomstig waren uit enig misdrijf.

4.4

Ten aanzien van feit 3

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte was (in elk geval) in de periode van 19 juli 2012 tot en met 23 oktober 2012 eigenaar van de loodsen op het perceel aan de Houtmanskampweg 15a, 15b en 15c te Dodewaard. Deze loodsen werden over perioden verhuurd.77

In de loodsen aan de [adres 3] en 15c zijn acht voertuigen (één Caterpillar en zeven tractoren) aangetroffen.78 Met betrekking tot deze voertuigen zijn de volgende aangiften van diefstal gedaan:

- [benadeelde 18] heeft aangifte gedaan van diefstal van een shovel (Caterpillar met voetschuif) tussen 20 en 21 juli 201279;

- [benadeelde 17] heeft aangifte gedaan van diefstal van een tractor (merk John Deere, type 6630) tussen 21 en 22 augustus 201280;

- [benadeelde 15] heeft aangifte gedaan van diefstal van een tractor van het merk Fendt op 26 augustus 201281;

- [benadeelde 19] heeft aangifte gedaan van diefstal van een tractor van het merk Fendt tussen 24 en 25 september 201282;

- [benadeelde 20] heeft aangifte gedaan van diefstal van een grasmaaimachine (merk Kuhn) tussen 20 en 21 september 201283;

- [benadeelde 23] heeft aangifte gedaan van diefstal van twee tractoren (merk New Holland, type TN4050V) tussen 16 en 17 juli 201284;

- [benadeelde 16] heeft aangifte gedaan van diefstal van een tractor (merk New Holland, type TL90) op 20 september 201285;

- [benadeelde 22] heeft aangifte gedaan van diefstal van een tractor (merk John Deere, type 1120) tussen 28 en 30 juli 201286.

Onder [verdachte] is in een bestelauto op het perceel Varakker te Opheusden, waar hij woonde, een sleutelbos aangetroffen met daaraan (onder meer) acht sleutels, welke passen bij deze acht aangetroffen voertuigen.87

De standpunten van partijen

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling.

[verdachte] heeft het feit ontkend. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld, kort samengevat, dat uit het dossier niet volgt dat [verdachte] de voertuigen voorhanden heeft gehad, dan wel dat hij wist (of redelijkerwijs moest vermoeden) dat de voertuigen van enig misdrijf afkomstig waren. Derhalve dient [verdachte] te worden vrijgesproken van dit feit.

Beoordeling door de rechtbank

Uit de vaststaande feiten volgt dat de aangetroffen voertuigen in de loodsen van diefstal afkomstig waren en dat de sleutels van deze voertuigen zijn aangetroffen in de bestelauto van verdachte, die bij zijn woonhuis geparkeerd stond.

[verdachte] heeft verklaard dat de loodsen hem in eigendom toebehoren, dat hij de sleutels van die loodsen had en dat hij ook gebruik maakte van die loodsen.88 Voorts heeft [verdachte] verklaard dat hij de voertuigen in de loods heeft verzet en ook voor zijn eigen werkzaamheden heeft gebruikt.89

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het vorenstaande dat [verdachte] de gestolen voertuigen voorhanden heeft gehad.

Over de herkomst van de voertuigen heeft [verdachte] gewezen naar huurders [betrokkene 4] en [betrokkene 5]. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

De eigenaar van het makelaarskantoor [makelaar], de heer [naam], heeft aan de politie een huurovereenkomst van perceel [adres 3] overhandigd, waarin als verhuurder staat vermeld: [verdachte] en als huurder [bedrijf 4], vertegenwoordigd door [betrokkene 4]. De huurovereenkomst is afgesloten voor de periode van 15 juli 2009 tot en met 14 juli 2011. Daarnaast heeft [naam] een kopie van een brief gericht aan [verdachte] overgelegd, gedateerd 17 januari 2011, waarin wordt bevestigd dat de lopende huurovereenkomst met [bedrijf 4] was beëindigd, welke brief zich ook in het dossier bevindt. Tot slot heeft [naam] een overzicht getekend van de huurders van de loodsen en daarbij vermeld dat het gedeelte 15c tot 1 mei 2012 verhuurd was geweest aan een [betrokkene 5].90 [verdachte] heeft bevestigd dat [betrokkene 5] in maart of april 2012 uit de loods is gegaan.91

[betrokkene 4] heeft verklaard dat hij de loods (15b) van [verdachte] heeft gehuurd, maar dat hem rond de zomer van 2010 door [verdachte] de toegang tot de loods was ontzegd in verband met huurachterstanden. [betrokkene 4] heeft verklaard ook niets te maken te hebben met de aangetroffen voertuigen.92 [verdachte] heeft bevestigd dat er problemen waren met de betaling van huurgelden door [betrokkene 4].93

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de loodsen 15b en 15c ten tijde van de tenlastegelegde periode niet meer waren verhuurd aan [betrokkene 4] en [betrokkene 5].

De verklaringen van [verdachte] dat [betrokkene 4] de loods nog langere tijd heeft gehuurd en de huurgelden daarvoor contant afrekende, worden niet bevestigd door getuige [betrokkene 4] en is op geen enkele andere wijze nader onderbouwd door [verdachte]. De rechtbank volgt de verklaring van [verdachte] hierover dan ook niet.

Tot slot overweegt de rechtbank dat [verdachte] geen schriftelijke bescheiden met betrekking tot de (herkomst van de) voertuigen heeft overgelegd. Nadat [verdachte] door de politie meer indringend over de herkomst van deze voertuigen is ondervraagd (waarbij hem de bewijsmiddelen in het dossier zijn getoond), heeft [verdachte] zich op zijn zwijgrecht beroepen.

Gelet op:

  • -

    het forse aantal aangetroffen (grote) landbouwvoertuigen aangetroffen in meerdere loodsen van [verdachte];

  • -

    de aanzienlijke waarde die deze voertuigen vertegenwoordigen;

  • -

    de vaststelling dat deze voertuigen gestolen zijn na het aflopen van de huurcontracten met [betrokkene 5] dan wel [betrokkene 4];

  • -

    het feit dat de sleutels van de voertuigen zijn aangetroffen in het busje van [verdachte] op zijn woonerf en [verdachte] niet in het bezit was van enige papieren van deze voertuigen en

  • -

    de vaststelling dat [verdachte] voor de herkomst en aanwezigheid van die voertuigen geen aannemelijke verklaring heeft gegeven,

is de rechtbank van oordeel dat [verdachte], minst genomen, ten tijde van het voorhanden krijgen van de voertuigen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de voertuigen van diefstal afkomstig waren.

De rechtbank acht dan wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] de onder feit 3 tenlastegelegde opzetheling heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

3. hij op meer tijdstippen in de periode van 19 juli 2012 tot en met 23 oktober 2012 te Dodewaard voorhanden heeft gehad:

- een shovel (Caterpillar met voetschuif) (zaaksdossier 7) en

- een tractor (merk John Deere, type 6630) (zaaksdossier 6) en

- één of twee tractoren van het merk Fendt (zaaksdossier 8 en 9) en

- een grasmaaimachine (merk Kuhn) (zaaksdossier 10) en

- twee tractoren (merk New Holland, type TN4050V) (zaaksdossier 11) en

- een tractor (merk New Holland, type TL90) (zaaksdossier 12) en

- een tractor (merk John Deere, type 1120) (zaaksdossier 13)

terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van voormelde goederen wist, dat deze door diefstal waren verkregen.

4.5

Ten aanzien van feit 4

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen, p. 822;

  • -

    het proces-verbaal van determinatie, p. 823;

  • -

    het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 824 en 825.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het onder feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

4. hij op 23 oktober 2012 te Opheusden, een (vuur)wapen van categorie III, te weten een kogelgeweer (van het merk Glenfield model 25, kaliber .22) en munitie van categorie III, te weten 123 (honderd drieëntwintig) patronen (van het merk Blazer met het kaliber .22 longrifle) en 1 patroon (van het merk Ruag Ammotec, kaliber .22 longrifle), voorhanden heeft gehad.

4.6

Ten aanzien van feit 5

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen, p. 830 t/m 833;

  • -

    het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 884.

De rechtbank overweegt dat uit het dossier onvoldoende volgt dat [verdachte] over de gehele tenlastegelegde periode (kort gezegd) hennep heeft geteeld. Onvoldoende duidelijk is of de goederen op de aangetroffen facturen ook daadwerkelijk bij de aangetroffen hennepkwekerij zijn aangetroffen. De enkele omstandigheid dat onderdelen van de hennepkwekerij (ernstig) vervuild waren, is onvoldoende om de gehele tenlastegelegde periode te bewijzen, mede in het licht van de verklaring van verdachte dat de kwekerij is ingericht met gebruikt materiaal. De rechtbank zal derhalve aansluiting zoeken bij de verklaringen van [verdachte] (waarnaar is verwezen) dat de kwekerij eind juli 2012 is ingericht.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het onder feit 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

5. hij in of omstreeks de periode van 31 juli 2012 tot en met 23 oktober 2012 te Opheusden, opzettelijk heeft geteeld een hoeveelheid van ongeveer 39 (negenendertig) hennepplanten, zijnde hennep een middel, vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

4.7

Slotoverwegingen

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4.8

Ten aanzien van het onder parketnummer 05/820252-13 tenlastegelegde

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder dit parketnummer tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Derhalve zal [verdachte] van dit feit worden vrijgesproken.

5 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde (onder parketnummer 05/901208-12) levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Diefstal in vereniging van vee uit de weide, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 3:

Opzetheling, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 4:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 5:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

7 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de feiten zoals tenlastegelegd onder parketnummer 05/901208-12 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de periode van voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd de gevorderde straf bovenmatig te vinden. Daartoe is aangevoerd dat verdachte geen relevante justitiële documentatie heeft en dat de kans op herhaling door de reclassering als laag word ingeschat. Voorts heeft de verdediging erop gewezen dat de gevorderde gevangenisstraf grote gevolgen voor het inkomen van verdachte en voor zijn gezin zal hebben.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

 het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 9 januari 2015; en

 reclasseringsrapporten van 22 november 2012 en 20 december 2012, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich tezamen met twee anderen schuldig gemaakt aan grootschalige diefstal van schapen uit de weide. Op meerdere momenten in een periode van twee maanden zijn midden in de nacht weiden leeggeroofd. Zorgvuldig opgebouwde veestapels werden hiermee in één nacht teniet gedaan. Dit heeft veel boosheid, angst en overlast bij de betrokken schapenhouders teweeg gebracht. Voorts heeft het handelen van verdachte en diens mededaders ook bij veel andere veehouders grote gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaakt, mede omdat vee in de weide nauwelijks adequaat tegen diefstal te beschermen is. Des te kwalijker is dat verdachte en zijn mededaders notabene zelf veehouder zijn en zeer goed van deze belangen van de branche op de hoogte moeten zijn geweest.

Na deze diefstal hebben verdachten zich schuldig gemaakt aan het verhullen van die diefstallen door de nummers van de schapen te vervangen en vervolgens op grote schaal het I&R-systeem te manipuleren. Dit terwijl dat systeem opgezet is om de herkomst van schapen direct te kunnen vaststellen en daarmee te kunnen ingrijpen bij ziekten van schapen, zodat de volksgezondheid adequaat beschermd kan worden en het vertrouwen van de consument in Nederlands schapenvlees blijft bestaan.

De verdachten hebben hiermee laten zien hun handelingen goed doordacht te hebben en hun eigen (financiële) belangen boven dat van anderen en meer in het bijzonder mede-schapenhouders te plaatsen. Dit neemt de rechtbank hen zeer kwalijk.

Daarnaast heeft verdachte zich (in dezelfde periode) schuldig gemaakt aan opzetheling van een groot aantal landbouwvoertuigen. Hiermee heeft hij bijgedragen aan het voortduren van de gevoelens van onveiligheid en onrust onder de boeren en aan de overlast die de gedupeerde boeren voor hun bedrijf hebben ervaren.

Tot slot heeft verdachte nog een wapen en een hennepkwekerij voorhanden gehad.

De rechtbank is van oordeel dat voor de afdoening van de onderhavige zaak een gevangenisstraf passend en geboden is. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat voor de diefstal van de schapen en het witwassen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend en geboden is. Gelet op de aanmerkelijke zwaarte van deze feiten in dit strafrechtelijke onderzoek en de naar verhouding geringere ernst van de feiten 4 en 5, is de rechtbank van oordeel dat met het opleggen van een extra 6, in plaats van de gevorderde extra 12 maanden, voor de feiten 3, 4 en 5 kan worden volstaan. Derhalve zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

7a. Ten aanzien van het beslag

De officier van justitie heeft opgemerkt dat nog beslag rust op de opbrengst van de inbeslaggenomen schapen en op het vuurwapen en munitie.

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen schapen, nu het strafvorderlijk belang zich daartegen niet verzet, dienen te worden teruggegeven aan de rechthebbende(n).

De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen (een vuurwapen met goednummer: PL083R-2012091711-268593 en munitie met goednummer: PL083R-2012091711-268599), waarmee het onder feit 4 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

7b. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

Ten aanzien van feit 1

Ter zake van feit 1 hebben de volgende personen zich als benadeelde partij in het geding gevoegd:

  • -

    Mts. [benadeelde 8] en [benadeelde 11];

  • -

    [benadeelde 3];

  • -

    [benadeelde 10];

  • -

    [benadeelde 1];

  • -

    [benadeelde 6] & [benadeelde 12];

  • -

    [benadeelde 5];

  • -

    Mts. [benadeelde 7] en [benadeelde 13] en

  • -

    Mts. [benadeelde 4] en [benadeelde 14]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door deze benadeelden ingediende civiele vorderingen voldoende onderbouwd zijn en dat deze kunnen worden toegewezen, met uitzondering van de BTW, indien deze verrekend kan worden en de (door het openbaar ministerie te vergoeden) kosten van het DNA-onderzoek. Daarbij dient de wettelijke rente te worden toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat deze vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafproces vormt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij het indienen van de verschillende vorderingen is een uitvoerige, gedetailleerde rapportage door een deskundige van het ZLTO opgesteld ter onderbouwing van diverse schadeposten (directe schade op basis van de bedrijfsspecifieke dierbalans, directe gevolg schade op basis van het bedrijfsspecifieke saldo, niet-bedrijfsspecifieke directe schade).

Aansprakelijkheid voor schade is door de verdediging geheel betwist.

Gelet op de ingewikkeldheid van de posten directe schade en directe gevolgschade en de betwisting daarvan door de verdediging, zou het in de rede liggen om een onafhankelijke deskundige te benoemen voor een beoordeling van deze posten. Dit zou een onevenredige belasting voor dit strafproces opleveren. De niet-bedrijfsspecifieke schade is ook door de verdediging betwist. Een beoordeling van deze posten zou een nadere onderbouwing en mogelijk zelfs bewijsvoering door de benadeelde partijen vergen. Ook dit levert een onevenredige belasting voor het strafproces op. Gezien de samenhang tussen de verschillende posten en de ingewikkeldheid ervan, is de rechtbank evenmin in staat gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid. Derhalve zal de rechtbank deze vorderingen in het geheel niet-ontvankelijk verklaren en zullen de benadeelde partijen hun vordering bij de civiele rechter kunnen aanbrengen.

Ten aanzien van feit 3

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij ter zake van feit 3 in het geding gevoegd:

  • -

    [benadeelde 15]; vordering € 9.511,00;

  • -

    [benadeelde 16]; vordering € 7.737,39;

  • -

    [benadeelde 17]; vordering € 4.636,10;

  • -

    [benadeelde 18]; vordering € 12.000,00;

  • -

    [benadeelde 19]; vordering € 964,10.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door deze benadeelden ingediende civiele vorderingen voldoende onderbouwd zijn en kunnen worden toegewezen. Daarbij dient de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat deze vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard primair vanwege gebrek aan causaal verband tussen de opgevoerde schadeposten en de tenlastgelegde heling en subsidiair vanwege onvoldoende onderbouwing van de vorderingen.

De rechtbank overweegt allereerst als volgt.

Bewezen is verklaard de heling van landbouwvoertuigen. Opgevoerde kosten met betrekking tot de aanschaf van nieuwe (onderdelen van) voertuigen dan wel verlies van goederen welke zich in de gestolen voertuigen bevonden, staan niet in rechtstreeks causaal verband met de bewezenverklaarde heling. Ook kosten met betrekking tot door benadeelde verrichte opsporingswerkzaamheden komen niet voor vergoeding in aanmerking.

De vorderingen met betrekking tot deze kosten zullen dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

Met de heling van de voertuigen heeft verdachte mede bijgedragen aan het voortduren van het gemis van deze voertuigen door de benadeelden. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de benadeelden voor hun boerenbedrijven landbouwvoertuigen nodig hebben. Kosten voor het huren van vervangende (landbouw)voertuigen en het ophalen van de gestolen voertuigen zijn aan te merken als kosten ter beperking van de schade, te weten het beperken van verdere bedrijfsschade. Deze kosten staan dan ook in voldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde en komen voor vergoeding in aanmerking.

.

Ten aanzien van de periode van de huur overweegt de rechtbank als volgt. Weliswaar is niet duidelijk geworden wanneer de voertuigen precies in handen van de verdachte zijn gekomen, de verdediging heeft hier echter onvoldoende onderbouwd verweer op gevoerd en verdachte heeft hier zelf geen openheid van zaken over gegeven. De rechtbank zal daarom de huur toewijzen vanaf het moment van diefstal. Het voorgaande geldt ook voor zover de benadeelden wettelijke rente hebben gevorderd.

Met in achtneming van het vorenstaande overweegt de rechtbank als volgt.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 15].

De kosten met betrekking tot huur van een vervangende tractor komen voor vergoeding in aanmerking. Voldoende aannemelijk is dat benadeelde kosten (benzine en tijd) heeft moeten maken om het aangetroffen voertuig terug te halen. De opgevoerde kosten zijn niet onredelijk en zullen worden toegewezen.

Voor het overige zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien deze kosten, zoals hiervoor is overwogen, in onvoldoende rechtstreeks verband staan tot de bewezenverklaarde heling.

Derhalve zal de rechtbank toekennen een bedrag van (€ 2.640,00 + € 24,00 + € 75,00 =) € 2.739,00 en daarbij de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 16].

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komen de kosten voor opsporing en de kosten voor de aanschaf van een nieuwe tractor niet voor vergoeding in aanmerking. De overige opgevoerde kosten zijn niet nader met stukken onderbouwd. Gezien de betwisting door de verdediging, zal deze vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 17].

De kosten voor de huur van de tractor zijn naar het oordeel van de rechtbank toewijsbaar. De overige kosten staan, zoals hiervoor is overwogen, in onvoldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde. Derhalve zal de rechtbank toewijzen een bedrag van € 2.795,10 en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De gevorderde wettelijke rente zal daarbij worden toegewezen en de rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 18].

De kosten voor de huur van een vervangende shovel komen voor vergoeding in aanmerking. Voldoende aannemelijk is dat benadeelde kosten (huur aanhanger en tijd) heeft moeten maken om het aangetroffen voertuig terug te halen. De opgevoerde kosten zijn niet onredelijk en zullen worden toegewezen.

De opgevoerde kosten getiteld ‘advies & accountant’ zijn niet nader onderbouwd. Gelet hierop komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.

Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen komen de overige kosten niet voor vergoeding in aanmerking en zal de vordering in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

Derhalve zal worden toegewezen (€ 540,00 + € 85,00 + € 360,00 =) € 985,00. Daarbij zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 19].

De kosten met betrekking tot huur van een vervangende landbouwvoertuig komen voor vergoeding in aanmerking. Voldoende aannemelijk is dat benadeelde kosten heeft moeten maken om het aangetroffen voertuig terug te halen. De opgevoerde kosten zijn niet onredelijk en zullen worden toegewezen.

Derhalve zal de gehele vordering, te weten een bedrag van € 694,10 worden toegewezen. Daarbij zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen:

  • -

    10, 27, 36f, 57, 91, 310, 311, 416 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    2, 10 en 13 van de Opiumwet;

  • -

    26, 55 en 56 van de Wet wapens en munitie.

9 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder 05/820252-13 tenlastegelegde.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 4, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 5.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van het beslag

Beveelt de teruggave van de inbeslaggenomen schapen aan de rechthebbende(n).

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een vuurwapen met goednummer: PL083R-2012091711-268593 en

- munitie met goednummer: PL083R-2012091711-268599.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partijen ter zake feit 1.

Verklaart niet-ontvankelijk de vordering ingediend door Mts. [benadeelde 8] en [benadeelde 11], [benadeelde 3], [benadeelde 10], [benadeelde 1], [benadeelde 6] & [benadeelde 12], [benadeelde 5], Mts. [benadeelde 7] en [benadeelde 13] en Mts. [benadeelde 4] en [benadeelde 14]

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 15].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

  • -

    Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [benadeelde 15], te betalen € 2.739,00 (tweeduizend zevenhonderd negenendertig euro).

  • -

    Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

  • -

    Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 15], te betalen [benadeelde 15], te betalen € 2.739,00 (tweeduizend zevenhonderd negenendertig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 37 (zevenendertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 16].

Verklaart de vordering van [benadeelde 16] niet-ontvankelijk.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 17].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

  • -

    Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [benadeelde 17], te betalen € 2.795,10 (tweeduizend zevenhonderd vijfennegentig euro en tien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

  • -

    Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

  • -

    Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 17], te betalen € 2.795,10 (tweeduizend zevenhonderd vijfennegentig euro en tien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 37 (zevenendertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 18].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

  • -

    Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [benadeelde 18], te betalen € 985,00 (negenhonderd vijfentachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

  • -

    Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

  • -

    Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 18], te betalen € 985,00 (negenhonderd vijfentachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 19 (negentien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 19].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

  • -

    Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [benadeelde 19], te betalen € 694,10 (zeshonderd vierennegentig euro en tien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 september 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

  • -

    Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 19], te betalen € 694,10 (zeshonderd vierennegentig euro en tien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 september 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 13 (dertien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. A.M. van Gorp (voorzitter), mr. G.M.L. Tomassen en mr. S.H. Keijzer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 februari 2015.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Gelderland-Zuid, districts Recherche, opgemaakte proces-verbaal, OPS-nummer PL2012091711, gesloten op 20 december 2012 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 1], p. 265 en 265 en proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde 1], p. 289.

3 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 2], p. 272 en 273.

4 Proces-verbaal van aangifte door [verbalisant 2], p. 462.

5 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 5], p. 465.

6 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 6], p. 468 en 469.

7 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 7], p. 576.

8 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 8], p. 613 en 614.

9 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 10], p. 625 en proces-verbaal van bevindingen, p. 638.

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1086 en kennisgeving van inbeslagneming, p. 1093.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1086, kennisgeving van inbeslagneming, p. 1101 en proces-verbaal van bevindingen, p. 299.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 300.

13 Proces-verbaal van bevindingen, p. 298, proces-verbaal van bevindingen, p. 1086 t/m 300 en kennisgeving van inbeslagneming, p. 1107.

14 Proces-verbaal van bevindingen, p. 301.

15 Proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagname, p. 1140.

16 Proces-verbaal van bevindingen, p. 299.

17 een aanvoerbon betreffende 199 schapen, p. 1039 t/m 1044.

18 een aanvoerbon betreffende 103 schapen, p. 1045 t/m 1048.

19 een aanvoerbon betreffende 100 schapen, p. 1142 t/m 1144 en een aanvoerbon betreffende 98 schapen, p. 1145 t/m 1147.

20 Proces-verbaal van bevindingen, p. 301.

21 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1122.

22 Proces-verbaal van verhoor, afgelegd voor de rechter-commissaris, van [verbalisant 3], p. 7 en 8.

23 Processen-verbaal van bevindingen, p. 399, 406, 522, 561, 593 en 655.

24 Een rapportage ‘Forensisch DNA-onderzoek’ d.d. 30 januari 2015, p. 7.

25 Proces-verbaal van bevindingen met nummer 72095, opgesteld door verbalisanten [verbalisant 3] en [getuige 8] van de NVWA, d.d. 24 april 2013, p. 1 t/m 6.

26 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 55 en 56.

27 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1], p. 112.

28 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 2], p. 159 en 160.

29 Proces-verbaal van bevindingen, p. 419 en 420.

30 Overzichtskaart, p. 422.

31 Proces-verbaal van bevindingen, p. 530 en 531.

32 Overzichtskaart, p. 534.

33 Proces-verbaal van bevindingen, p. 535 en 536.

34 Proces-verbaal van bevindingen, p. 579 en 580.

35 Overzichtskaart, p. 582.

36 Proces-verbaal van bevindingen, p. 617 en 618.

37 Overzichtskaart, p. 620.

38 Proces-verbaal van bevindingen, p. 471.

39 Proces-verbaal van bevindingen, p. 472.

40 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], afgelegd bij de rechter-commissaris, p. 2 en 3.

41 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], p. 474.

42 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], afgelegd bij de rechter-commissaris, p. 2 en 3.

43 Proces-verbaal van bevindingen, p. 493.

44 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] p.55.

45 Proces-verbaal van bevindingen, p. 498 t/m 509.

46 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] p.158.

47 Proces-verbaal van bevindingen, p. 369.

48 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3], p. 278.

49 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3], p. 280.

50 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3], p. 278 en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3], afgelegd bij de rechter-commissaris, p. 2 en 3.

51 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3], p. 280 en 281.

52 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3], afgelegd bij de rechter-commissaris, p. 4.

53 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6], p. 389 en 390.

54 Proces-verbaal van bevindingen, p. 392.

55 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6], afgelegd bij de rechter-commissaris, p. 3

56 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 1], p. 266.

57 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4], p. 395 en 396.

58 Proces-verbaal van bevindingen, p. 472.

59 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], afgelegd bij de rechter-commissaris, p. 2 en 3.

60 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 52.

61 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 62.

62 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 64.

63 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 64.

64 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 323.

65 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 377.

66 Proces-verbaal van bevindingen, p. 384.

67 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 323.

68 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1], p. 117 en 118.

69 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1], p. 119.

70 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1], p. 122.

71 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5], p. 386 en 387.

72 Proces-verbaal van bevindingen, p. 301.

73 Een schriftelijk bescheid, zijnde een weergave van een tapgesprek, p. 181.

74 Proces-verbaal van bevindingen, p. 300.

75 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 323 en proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1], p. 119.

76 Proces-verbaal van bevindingen, p. 902.

77 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 58 en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 9], p. 445.

78 Proces-verbaal van bevindingen, p. 224.

79 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 18], p. 700.

80 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 17], p. 680.

81 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 15], p. 715.

82 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 19], p. 737.

83 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 20], p. 754 en 755.

84 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 23], p. 771.

85 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 16], p. 787 en 788.

86 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 22], p. 805 en 806.

87 Proces-verbaal van bevindingen, p. 224.

88 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 58.

89 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 77 en 78.

90 Proces-verbaal van bevindingen, p. 227 en 228 en een schriftelijk bescheid, p. 230.

91 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 58.

92 Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 4], p. 238 en 239.

93 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 59.