Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:1257

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-02-2015
Datum publicatie
27-02-2015
Zaaknummer
AWB - 13 _ 8025
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wwb, verrekening gereserveerde vakantiegeld met openstaande schulden; beslagvrije voet; toepassing arrest Hoge Raad van 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3068.

Jaarlijkse uitbetaling van het vakantiegeld is geheel voor verrekening vatbaar indien het maandelijkse inkomen in de maanden waarin het vakantiegeld werd opgebouwd, steeds boven de beslagvrije voet uitkwam. Indien het maandelijkse inkomen in die maanden steeds beneden de beslagvrije voet is gebleven, is het vakantiegeld slechts voor verrekening vatbaar voor zover het als maandelijkse aanspraak tezamen met het daadwerkelijk in die maanden genoten inkomen zou zijn uitgekomen boven de beslagvrije voet in die maanden, telkens per maand beoordeeld.

Beroep gegrond, herroeping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 13/8025

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. J. van Delft),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld dat het voor hem gereserveerde vakantiegeld van € 381,63 wordt verrekend met zijn openstaande schulden.

Bij besluit van 8 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2014. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is niet verschenen.

Ter zitting is het onderzoek geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere inlichtingen te verstrekken. Verweerder heeft hieraan bij brief van 2 juni 2014 voldaan. Eiser heeft op 4 juli 2014 gereageerd.

Nadien is de zaak verwezen ter behandeling door de meervoudige kamer van de rechtbank.

Bij brief van 14 november 2014 heeft de rechtbank vragen gesteld aan verweerder. Op 12 december 2014 en 19 januari 2015 heeft verweerder een schriftelijke reactie gegeven. Eiser heeft bij brief van 16 december 2014 gereageerd.

Partijen hebben schriftelijk toestemming verleend voor het achterwege laten van een nadere zitting en de rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb). Eisers recht op bijstand is vanwege detentie ingetrokken per 22 maart 2013.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het nog aan eiser toekomende vakantiegeld van € 381,63 dient te worden verrekend met de openstaande schulden. Verweerder had nog de volgende vorderingen op eiser:

- Leenbijstand beschikking 8 april 2010, saldo: € 765,75.

- Terugvordering lening beschikking 2 juli 2010, saldo: € 1.347.

Na de thans in geding zijnde verrekening bedraagt de schuld van eiser nog € 1.731,12.

Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld dat hij bevoegd is tot verrekening van het vakantiegeld met de nog openstaande schulden van eiser. Ter zake van deze verrekening speelt (het respecteren van) de beslagvrije voet geen rol, aldus verweerder.

3. Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft aangevoerd dat bij de verrekening wel rekening gehouden dient te worden met de beslagvrije voet en dat verweerder daarom niet

– zonder zijn toestemming - tot verrekening had mogen overgaan.

4. In geding is of verweerder het aan eiser toekomende vakantiegeld, waarop hij recht had gelet op het feit dat hij tot 22 maart 2013 bijstand ontving, met de openstaande vorderingen kon verrekenen, zonder daarbij rekening te houden met de beslagvrije voet.

5. De rechtbank overweegt dat de betaling van vakantiegeld over de aan eiser betaalde bijstand valt onder de in artikel 475c, aanhef en onder c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) genoemde vordering tot periodieke betaling van uitkeringen op grond van sociale zekerheidswetten, waaraan een beslagvrije voet is verbonden.

Naar vaste rechtspraak, zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP9725, volgt uit artikel 475c Rv, bezien in samenhang met de artikelen 58 en 60 van de Wwb, zoals die artikelen luidden ten tijde hier van belang, dat de tenuitvoerlegging van een besluit tot terugvordering zodanig geschiedt dat de belanghebbende blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, zoals bedoeld in artikel 475d Rv.

Verrekening is dan ook toegestaan zolang en voor zover eiser door de verrekening kan blijven beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet.

6. De rechtbank wijst voorts op het arrest van 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3068, waarin de Hoge Raad zich heeft uitgesproken over de vraag of het eenmaal per jaar uitbetaalde vakantiegeld onder de beslagvrije voet valt en welke gevolgen dit heeft. Dit arrest is eveneens van belang voor de vraag in de onderhavige zaak of verweerder het aan eiser toekomende vakantiegeld van € 381,63 in zijn geheel mocht verrekenen met de openstaande vorderingen die verweerder nog op eiser had.

Rechtsoverweging 2.4.6 van het arrest van de Hoge Raad luidt:

“ Het voorgaande brengt mee dat de jaarlijkse uitbetaling van het vakantiegeld geheel voor beslag vatbaar is indien het maandelijkse inkomen in de maanden waarin het vakantiegeld werd opgebouwd, steeds boven de beslagvrije voet uitkwam. Indien het maandelijkse inkomen in die maanden steeds beneden de beslagvrije voet is gebleven, is het vakantiegeld slechts voor beslag vatbaar voor zover het als maandelijkse aanspraak tezamen met het daadwerkelijk in die maanden genoten inkomen zou zijn uitgekomen boven de beslagvrije voet in die maanden, telkens per maand beoordeeld. Indien de schuldenaar in de periode waarin het vakantiegeld werd opgebouwd een wisselend inkomen heeft genoten, waardoor het in sommige maanden beneden de beslagvrije voet bleef en in andere maanden daar bovenuit kwam, geldt eveneens hetgeen in de vorige volzin is vermeld.”

7. Op 14 november 2014 heeft de rechtbank verweerder gewezen op het dit arrest en in het bijzonder op rechtsoverweging 2.4.6. De rechtbank heeft verweerder verzocht conform het hiervoor door de Hoge Raad beschreven kader schriftelijk en gemotiveerd een nadere toelichting te geven. Van belang is welk bedrag aan bijstand in de maanden waarop het vakantiegeld betrekking heeft feitelijk aan eiser is uitbetaald en of er, naast de reservering van het vakantiegeld, ook een inhouding heeft plaatsgevonden in verband met openstaande vorderingen.

8. Bij brief van 12 december 2014 heeft verweerder toegelicht in hoeverre het vakantiegeld, als maandelijkse aanspraak, tezamen met het daadwerkelijk in die maand genoten inkomen, boven de beslagvrije voet is uitgekomen, telkens per maand beoordeeld.

Verweerder heeft aangegeven dat een bedrag van in totaal € 141,11 teveel is verrekend en daarbij gewezen op het overzicht over de periode juni 2012 tot en met maart 2013.

9. In reactie op deze berekening heeft eiser op 16 december 2014 zich, onder verwijzing naar artikel 475, eerste lid, aanhef en sub b, onder 1, van het Rv, op het standpunt gesteld dat het totale vakantiegeld ten onrechte is ingehouden.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de nadere berekening van 12 december 2014 en 19 januari 2015 voldoende heeft toegelicht welk bedrag er, uitgaande van een toerekening van het vakantiegeld aan die maanden waarin het is opgebouwd, verrekend kan worden en dat er een bedrag van in totaal € 141,11 teveel is verrekend. Op 19 januari 2015 heeft verweerder aangegeven dat bij de berekening van de beslagvrije voet is uitgegaan van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief de ontvangen toeslagen.

De rechtbank stelt vast dat artikel 475d, eerste lid, aanhef en onder b, onder 1, Rv is verwezen naar de artikelen 21, onderdelen a en b en 25 Wwb, tweede lid, van de Wwb. Hieruit volgt dat de norm voor een alleenstaande waar het om gaat kan worden verhoogd met een toeslag en verweerder heeft met inachtneming van deze bepalingen de beslagvrije voet juist vastgesteld.

De rechtbank overweegt ten slotte dat de toerekening van het vakantiegeld aan de periode waarin het is opgebouwd met zich brengt dat bij de verrekening niet nogmaals rekening behoeft te worden gehouden met de beslagvrije voet.

11. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en het besluit van 30 mei 2013 inzake de verrekening herroepen en het bedrag aan vakantiegeld dat verrekend wordt gewijzigd vaststellen.

12. De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten ten bedrage van € 1974 (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, wegingsfactor 1 en € 487 per punt) aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Verweerder dient tevens het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

herroept het besluit van 30 mei 2013 voor zover dat ziet op de verrekening en bepaalt dat een bedrag van € 240,52 aan vakantiegeld wordt verrekend;

bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 1974;

bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 44 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzitter, mr. B.J. Engberts en mr. C.W.C.A. Bruggeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

Griffier

Voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.