Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:1225

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-02-2015
Datum publicatie
27-02-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 7144
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

5. Verweerder heeft ter zitting uiteengezet dat hij als eigenaar van de betreffende A-watergangen de hem toekomende visrechten exclusief heeft uitgegeven aan de Coöperatieve Vereniging Samenwerkende Vissers U.A. (hierna: de Vereniging). Hierbij hanteert verweerder als uitgangspunt dat de visrechten binnen hetzelfde watergebied slechts aan één beroepsvisser worden toegekend. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat aan de Vereniging niet de eis wordt gesteld te beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Keur. Uit de door verweerder gegeven toelichting blijkt dat deze handelswijze is ingegeven door praktische overwegingen en door het feit dat de Vereniging over de visrechten van het bedoelde watergebied beschikt en verweerder in dat verband met hem een huurovereenkomst heeft gesloten, waarin voldoende waarborgen zijn opgenomen om onderhoud aan de betreffende watergangen te kunnen plegen.

6. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat er, in het licht van de belangen die de Keurbepaling beoogt te beschermen, geen steekhoudende redenen zijn om aan de Vereniging niet de eis te stellen dat zij over een watervergunning beschikt. Dat zij over de visrechten beschikt is geen relevant verschil omdat, zoals al eerder aangegeven, de Keurbepaling geen visserijbelangen dient maar waterstaatkundige belangen.

Voor zover in de huuroverkomst met de Vereniging een waarborg is gelegen voor deugdelijk onderhoud – wat daar verder ook van zij – zou dat wellicht kunnen meewegen bij de beslissing om de watervergunning te verlenen, maar niet om haar de facto te ontheffen van de verplichting over een zodanige vergunning te beschikken.

Nu aan eiseres wel is tegengeworpen dat zij niet over de bedoelde watervergunning beschikt en aan de Vereniging niet, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Gezien het voorgaande is het bestreden besluit genomen in strijd met het gelijkheidsbeginsel zodat dit voor vernietiging in aanmerking komt. Nu hetzelfde gebrek kleeft aan het primaire besluit van 18 februari 2014 en de invorderingsbesluiten van 13 maart, 14 maart, 21 maart (twee maal) en 27 maart 2014 ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien en deze besluiten te herroepen. Hetgeen overigens door partijen is aangevoerd behoeft derhalve geen bespreking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/7144

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[bedrijf]. te [vestigingsplaats], eiseres,

en

het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland te Tiel, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat tijdens een controle op 5 februari 2014 is geconstateerd dat eiseres zonder watervergunning 3 kreeftenkorven met metalen vleugels danwel vistuigen had geplaatst in de kernzone van de A- watergang, bij verweerder bekend met nummer 001348.

Verweerder heeft aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat eiseres binnen één week alle zonder watervergunning door of in haar opdracht geplaatste kreeftenkorven met metalen vleugels danwel vistuigen uit de kernzone van A-watergangen in zijn beheersgebied dient te verwijderen en verwijderd dient te houden, op straffe van een dwangsom van € 100,- per week voor iedere kreeftenkorf dan wel vistuig die in de kernzone van een A-watergang wordt aangetroffen, met een maximum van € 100.000,-.

Daartegen heeft eiseres bezwaar gemaakt

Op 5, 12, 14, 19 en 26 maart 2014 heeft verweerder opnieuw geconstateerd dat eiseres zonder de daartoe vereiste vergunning kreeftenkorven heeft geplaatst in zijn beheersgebied. Bij besluiten van 13 maart 2014, 14 maart 2014, 21 maart 2014 (tweemaal) en 27 maart 2014 heeft verweerder bij eiseres de verbeurde dwangsommen ingevorderd. Ter zitting is komen vast te staan dat eiseres deze invorderingsbeschikkingen betwist, zodat haar bezwaar ingevolge artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) mede op laatstgenoemde besluiten is gericht.

Bij besluit van 3 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Voorts heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 27 november 2014 (AWB 14/7207) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats het verzoek tot het treffen van de verzochte voorziening afgewezen.

Verweerder heeft op 5 november 2014 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2015. Namens eiseres is verschenen [naam 1]. Voorts was [naam 2], werkzaam voor Naturon, ter zitting aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.W. van Ingen en J.J.M. van Wezel.

Overwegingen

1. In bezwaar heeft verweerder het besluit van 18 februari 2014, onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie van 24 juni 2014 hieromtrent, gehandhaafd. Hieraan heeft verweerder kort samengevat ten grondslag gelegd dat het plaatsen van kreeftenkorven door eiseres in de A-watergangen van zijn beheersgebied zonder de daartoe vereiste vergunning een overtreding oplevert van artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 (hierna: de Keur). Daar geen sprake is van een concreet zicht op legalisatie, is verweerder in beginsel gehouden handhavend op te treden, hetgeen niet onevenredig is, nu de geplaatste vistuigen de aan- en afvoer van het water alsook het onderhoud van de bedoelde watergangen belemmeren.

2. Hiermee kan eiseres zich niet verenigen. Op hetgeen zij in dit verband heeft aangevoerd zal in het navolgende, voor zover van belang, worden ingegaan.

Wettelijk kader

3. Ingevolge artikel 5:32, eerste lid van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge het tweede lid wordt voor een last onder dwangsom niet gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet.

Ingevolge artikel 61, eerste lid, van de Waterschapswet is het waterschapsbestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

Artikel 3.1, eerste lid, aanhef van de Keur luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder:

b. werken of (opgaande hout-) beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen;

c. vaste stoffen, voorwerpen of dieren te brengen of te hebben, of te (be)houden.

Bovengenoemde vergunning wordt hierna aangeduid als watervergunning.

De Keur vindt blijkens de aanhef daarvan haar grondslag in artikel 59 van de Waterschapswet.

Volgens het eerste lid van die bepaling is ten aanzien van onderwerpen waarin door een wet, een algemene maatregel van bestuur of een provinciale verordening is voorzien, het waterschapsbestuur bevoegd tot het maken van verordeningen voor zover die verordeningen.

met die hogere regelingen niet in strijd zijn.

Artikel 1, eerste lid van de Waterschapswet bepaalt dat waterschappen openbare lichamen zijn welke de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied ten doel hebben.

In het tweede lid van dit artikel is, voor zover hier van belang, bepaald dat de taak die tot dat doel aan waterschappen is of wordt opgedragen onder meer betreft de zorg voor het watersysteem.

Verweerder heeft in het verweerschrift in de bezwaarfase verklaard dat de eis van het beschikken over een watervergunning ten doel heeft de aan- en afvoer van het water alsook het onderhoud van de A-watergangen te waarborgen. Deze nadere invulling van de doelstelling die met artikel 3.1., eerste lid van de Keur wordt beoogd acht de rechtbank in overeenstemming met de aangehaalde bepalingen uit de Waterschapswet.

Anders dan door eiseres betoogd ziet de rechtbank in de brief van de toenmalige staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Visserij van 13 maart 2012 geen grond om te oordelen dat de in geding zijnde keurbepaling niet zou zien op de beroepsbinnenvisserij en daarmee niet op eiseres.

Nog daargelaten dat bevoegdheden niet bij brief in het leven kunnen worden geroepen of beëindigd en voor een beperking als door eiseres bepleit de tekst van de Keurbepaling geen steun biedt, geeft de Staatssecretaris aan het niet eens te zijn met onderwerpen die in waterschapsregelingen worden geregeld, terwijl het zelfde onderwerp in de Visserijwet 1936 wordt geregeld.

Als voorbeeld wordt genoemd het hanteren van de eis van een goedgekeurd visplan bij het gebruik van vaste vistuigen.

In het onderhavige geval voorziet de Keurbepaling evenwel niet in een onderwerp waarin de Visserijwet 1936 voorziet. De Keurbepaling ziet namelijk, zoals hierboven uiteengezet, op specifiek waterstaatkundige belangen en niet op visserijbelangen.

4. Ter zitting is gebleken dat niet in geschil is dat eiseres op de door verweerder genoemde data zonder de daartoe vereiste vergunning kreeftenkorven heeft geplaatst in de door verweerder in de besluiten genoemde A-watergangen. Daarmee heeft eiseres gehandeld in strijd met de verbodsbepaling van artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Keur om zonder vergunning werken of voorwerpen in de zin van die bepaling in de watergangen te plaatsen. Of verweerder van bepaalde delen van de betreffende A-watergangen al dan niet eigenaar is, is - anders dan door eiseres is betoogd - niet van belang voor de vraag of artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Keur is overtreden, nu deze bepaling een publiekrechtelijk voorschrift betreft. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder bevoegd was om aan eiseres een dwangsom op te leggen.

5. Verweerder heeft ter zitting uiteengezet dat hij als eigenaar van de betreffende A-watergangen de hem toekomende visrechten exclusief heeft uitgegeven aan de Coöperatieve Vereniging Samenwerkende Vissers U.A. (hierna: de Vereniging). Hierbij hanteert verweerder als uitgangspunt dat de visrechten binnen hetzelfde watergebied slechts aan één beroepsvisser worden toegekend. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat aan de Vereniging niet de eis wordt gesteld te beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Keur. Uit de door verweerder gegeven toelichting blijkt dat deze handelswijze is ingegeven door praktische overwegingen en door het feit dat de Vereniging over de visrechten van het bedoelde watergebied beschikt en verweerder in dat verband met hem een huurovereenkomst heeft gesloten, waarin voldoende waarborgen zijn opgenomen om onderhoud aan de betreffende watergangen te kunnen plegen.

6. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat er, in het licht van de belangen die de Keurbepaling beoogt te beschermen, geen steekhoudende redenen zijn om aan de Vereniging niet de eis te stellen dat zij over een watervergunning beschikt.

Dat zij over de visrechten beschikt is geen relevant verschil omdat, zoals al eerder aangegeven, de Keurbepaling geen visserijbelangen dient maar waterstaatkundige belangen.

Voor zover in de huuroverkomst met de Vereniging een waarborg is gelegen voor deugdelijk onderhoud – wat daar verder ook van zij – zou dat wellicht kunnen meewegen bij de beslissing om de watervergunning te verlenen, maar niet om haar de facto te ontheffen van de verplichting over een zodanige vergunning te beschikken.

Nu aan eiseres wel is tegengeworpen dat zij niet over de bedoelde watervergunning beschikt en aan de Vereniging niet, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Gezien het voorgaande is het bestreden besluit genomen in strijd met het gelijkheidsbeginsel zodat dit voor vernietiging in aanmerking komt. Nu hetzelfde gebrek kleeft aan het primaire besluit van 18 februari 2014 en de invorderingsbesluiten van 13 maart, 14 maart, 21 maart (twee maal) en 27 maart 2014 ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien en deze besluiten te herroepen. Hetgeen overigens door partijen is aangevoerd behoeft derhalve geen bespreking.

7. Het beroep is gegrond. Nu de rechtbank niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten, acht zij geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. Wel ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 3 september 2014;

- herroept het primaire besluit van 18 februari 2014 en de invorderingsbesluiten van

13 maart, 14 maart, 21 maart (twee maal) en 27 maart 2014;

-bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierrecht vergoedt ten bedrage van

€ 328.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Penning, voorzitter, mr. D.J. Post en mr. S.E.M. Lichtenberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J.M. Fransen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.