Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:1219

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-02-2015
Datum publicatie
27-02-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 2751
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:1858, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Anders dan door de gemachtigde van eisers is betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de bepaling van artikel 8:24, tweede lid, van de Awb, niet (uitsluitend) bedoeld is om vast te stellen of vanuit civielrechtelijk oogpunt een toereikende machtiging aan de gemachtigde is verstrekt. Dat is immers een zaak tussen de eisende partij en de gemachtigde. Bij de beantwoording van de vraag of een machtiging in het bestuursrecht aan de daaraan redelijkerwijs te stellen eisen voldoet moet ook de bijzondere aard van het bestuursrecht in zijn algemeenheid en de bijzondere aard van een onderdeel daarvan – in dit geval de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) – een rol te spelen.

Omdat in het bestuursrecht het procesrisico van de eisende partij vergeleken met het civiele recht zeer beperkt is en de Wob niet vereist dat degene die op die wet een beroep doet een belang heeft bij de gevraagde informatie en bovendien de rechtspraak een schaars goed is dat de gemeenschap veel geld kost dient uit een machtiging in voldoende mate te blijken dat degene die de machtiging verstrekt zich er van bewust is dat hij als eisende partij optreedt of zal optreden in de procedure, waarin de machtiging is gevraagd.

Daaruit volgt niet dat voor elk afzonderlijk rechtsmiddel een afzonderlijke machtiging is vereist, maar wel dat de afgegeven machtiging niet praktisch onbegrensd mag zijn, maar zodanig specifiek moet zijn dat daaruit blijkt op welke concrete vordering of procedure die machtiging betrekking heeft.

De onderhavige machtiging voldoet niet aan die eis omdat daar alleen in algemene zin over boetes, parkeerbelastingen en onder meer de Wob wordt gesproken.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet openbaarheid van bestuur
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/283
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/2751

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser 1] te[woonplaats 1], eiser 1,

[eiser 2] , te[woonplaats 2], eiser 2,

hierna aangeduid met eisers,

(gemachtigde: mr. J. van Gemert),

en

de korpschef van politie te Maastricht, verweerder.

Procesverloop

Bij besluiten van 19 november 2013 en 13 november 2013 (primaire besluiten) heeft verweerder beslist op de door eisers ingediende verzoeken om informatie en aan hen diverse stukken verstrekt.

Bij besluit van 4 maart 2014 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser 1 ongegrond verklaard en het bezwaar van eiser 2 primair kennelijk niet-ontvankelijk, subsidiair ongegrond.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld op de zitting van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2014. Eisers zijn verschenen bij hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.IJ. Ruiter. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om de gemachtigde van eisers (hierna: Van Gemert) nader in de gelegenheid te stellen om uiterlijk op 27 november 2014 twee specifiek op de onderhavige beroepszaak betrekking hebbende ondertekende volmachten aan de rechtbank te overleggen. Bij brief van 26 november 2014 heeft Van Gemert de rechtbank bericht hiertoe geen aanleiding te zien.

Vervolgens is de behandeling van het beroep voortgezet ter zitting van de meervoudige kamer van 12 februari 2015. Eisers zijn verschenen bij hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.IJ. Ruiter.

Overwegingen

1. Van Gemert heeft bij het door hem ingediende beroepschrift twee machtigingen in kopie overgelegd van 13 september 2013 respectievelijk 14 augustus 2013, waarin [eiser 1] en [eiser 2], Salus Juridische Diensten B.V. en haar medewerkers afzonderlijk hebben gemachtigd om:

“hem/haar te vertegenwoordigen in het kader van verweer tegen boetes en parkeerbelastingen, zowel buitengerechtelijk als gerechtelijk, en al hetgeen te doen dat door de gemachtigde noodzakelijk wordt geacht. Hieronder dient in ieder geval te worden begrepen het zo nodig aanwenden en intrekken van beschikbare rechtsmiddelen en het opvragen van verdere gegevens, bijvoorbeeld door middel van de Wet openbaarheid van bestuur of middels een kennisnemingsverzoek in de zin van de Wet Politiegegevens en/of de Wet bescherming persoonsgegevens, zo ook bij de weigering daarvan, alsook het aannemen van bedragen zoals vergoedingen voor proceskosten, griffierechten e.d., een en ander in de ruimste zin van het woord”.

2. Bij brief van 16 oktober 2014 heeft de rechtbank Van Gemert te kennen gegeven dat voornoemde machtiging te algemeen gesteld en/of te gedateerd wordt geacht en is Van Gemert verzocht het bijgevoegde machtigingsformulier te laten ondertekenen door eisers en dit uiterlijk op 28 oktober 2014 aan de rechtbank te overleggen. Van deze mogelijkheid is, zonder opgave van reden, geen gebruik gemaakt. Ter zitting van 29 oktober 2014 is de rechtbank gebleken dat bij de brief van 16 oktober 2014 abusievelijk geen machtigingsformulier ten behoeve van eiser 2 is meegezonden. Gelet hierop, is het onderzoek van 29 oktober 2014 ter zitting geschorst teneinde Van Gemert nader in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank verzochte specifieke machtigingen binnen een termijn van vier weken te overleggen. Van deze mogelijkheid is vervolgens geen gebruik gemaakt.

3. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4185) en 24 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4665) heeft Van Gemert zich bij brief van 26 november 2014 alsmede ter zitting van 12 februari 2015 op het standpunt gesteld geen aanleiding te zien om op verzoek van de rechtbank een nieuwe, meer specifieke volmacht te overleggen.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. In artikel 6:4, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is bepaald dat het instellen van beroep op een administratieve rechter geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij die rechter.

Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, kan het beroep ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Ingevolge artikel 8:24, eerste lid, van de Awb kunnen partijen zich door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Indien een beroep is ingesteld bij de bestuursrechter kan deze krachtens het tweede artikellid van de gemachtigde, niet zijnde een advocaat of procureur, een schriftelijke machtiging verlangen.

6. Anders dan door Van Gemert is betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de bepaling van artikel 8:24, tweede lid, van de Awb, niet (uitsluitend) bedoeld is om vast te stellen of vanuit civielrechtelijk oogpunt een toereikende machtiging aan de gemachtigde is verstrekt. Dat is immers een zaak tussen de eisende partij en de gemachtigde. Bij de beantwoording van de vraag of een machtiging in het bestuursrecht aan de daaraan redelijkerwijs te stellen eisen voldoet moet ook de bijzondere aard van het bestuursrecht in zijn algemeenheid en de bijzondere aard van een onderdeel daarvan – in dit geval de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) – een rol te spelen.

Omdat in het bestuursrecht het procesrisico van de eisende partij vergeleken met het civiele recht zeer beperkt is en de Wob niet vereist dat degene die op die wet een beroep doet een belang heeft bij de gevraagde informatie en bovendien de rechtspraak een schaars goed is dat de gemeenschap veel geld kost dient uit een machtiging in voldoende mate te blijken dat degene die de machtiging verstrekt zich er van bewust is dat hij als eisende partij optreedt of zal optreden in de procedure, waarin de machtiging is gevraagd.

Daaruit volgt niet dat voor elk afzonderlijk rechtsmiddel een afzonderlijke machtiging is vereist, maar wel dat de afgegeven machtiging niet praktisch onbegrensd mag zijn, maar zodanig specifiek moet zijn dat daaruit blijkt op welke concrete vordering of procedure die machtiging betrekking heeft.

De onderhavige machtiging voldoet niet aan die eis omdat daar alleen in algemene zin over boetes, parkeerbelastingen en onder meer de Wob wordt gesproken.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Penning, voorzitter, mr. D.J. Post en mr. G.W.B. Heijmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J.M. Fransen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.