Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:1171

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-02-2015
Datum publicatie
26-02-2015
Zaaknummer
AWB - 13 _ 5787
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In deze en vijftien vergelijkbare zaken zijn maandaangiften BPM in geschil. Bij alle zaken speelt de vraag of sprake is van gebruikte of nieuwe auto’s. Kilometerstand en tijdsverloop sinds eerste ingebruikname. Gegevens RDW niet controleerbaar. Taxatie van alle auto’s door [P].

Bij gegronde beroepen wordt beroep verweerder op interne compensatie tussen verschillende auto’s binnen één maandaangifte afgewezen. Ook toepassing van gunstiger tabel juli 2012 leidt tot Irimierente. Geen vergoeding immateriële schade nu aannemelijk is dat eiseres ermee heeft ingestemd eerst procedures over 2004 uit te procederen. Geen integrale proceskostenvergoeding. Samenhangende zaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2015/873
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 13/5787 en 13/6330

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 26 februari 2015

in de zaken tussen

[X] B.V., te [Z], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Enschede, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft voor het tijdvak maart 2000 op aangifte ƒ 587.387 (€ 266.545) belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) voldaan voor in totaal elf auto’s. Zij heeft daartegen tijdig bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 augustus 2013 het bezwaar gegrond verklaard en een teruggaaf van BPM van € 2.230 verleend.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 24 september 2013, ontvangen door de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft bij brief van 19 november 2014 en verweerder heeft bij brieven van 17 en 19 november 2014 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2014. Namens eiseres is verschenen [A], bijgestaan door de gemachtigde en [B]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde], mr. [C], [D], [E], [F] en [G].

Ter zitting zijn gelijktijdig de beroepen behandeld van eiseres met de registratienummers AWB 13/4810, 13/4811, 13/4812, 13/4813, 13/4814, 13/4815, 13/5518, 13/5525, 13/5783, 13/5785, 13/5789, 13/5791, 13/5792, 13/5793, 13/5794, 13/5795, 13/5796, 13/5797, 13/5798, 13/6328, 13/6329 en 13/6472.

Eiseres heeft vóór de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

Ter zitting is voorts op verzoek van eiseres [H] als getuige gehoord. Van zijn verklaringen en van hetgeen voor het overige ter zitting naar voren is gebracht, is aantekening bijgehouden in het proces-verbaal van de zitting.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres handelt in auto’s van verschillende, overwegend exclusieve, merken. Eiseres is geen erkende dealer. Zij heeft in [Q] (Dld.) de vennootschap naar Duits recht [I] GmbH opgericht. Deze vennootschap koopt auto’s in, die via eiseres aan Nederlandse klanten worden doorverkocht.

2. Aan eiseres is krachtens artikel 8 van de Wet op de belastingen van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: Wet BPM) vergunning verleend om per tijdvak van een kalendermaand aangifte te doen.

3. Over de maand maart 2000 heeft eiseres aangifte gedaan ter zake van elf auto’s. Drie daarvan hebben een datum eerste toelating in het buitenland. Dit betreft de navolgende auto’s:

Auto

Merk en type

Bruto BPM

Datum eerste toelating

Datum op naam

Auto 1

Mercedes [J]

ƒ 39.632

21-09-1999

31-01-2000

Auto 2

Porsche [K]

ƒ 73.174

10-09-1999

11-03-2000

Auto 3

Porsche [L]

ƒ 39.955

20-04-1999

25-03-2000

4. Eiseres heeft, aan de hand van de data eerste toelating en de tabel bij artikel 10 van de Wet BPM, kortingspercentages toegepast ter zake van de auto’s en daarop de aangifte gebaseerd. Dit betreft de volgende kortingen en bedragen:

Auto

Korting

BPM in aangifte

Auto 1

15%

ƒ 33.687

Auto 2

24%

ƒ 55.612

Auto 3

24%

ƒ 30.366

Geschil

5. In geschil is of tot het juiste bedrag op aangifte BPM is voldaan. Meer specifiek is in geschil:

- of in strijd met het Unierecht BPM wordt geheven door gebruikmaking van een forfaitaire tabel;

- of sprake is van gekwalificeerde schending van Unierecht;

- of sprake is van schadevergoedingsplicht van verweerder, inclusief de grondslagen en de omvang daarvan;

- of eiseres in aanmerking komt voor een bovenforfaitaire vergoeding van de proceskosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep heeft gemaakt.

Niet in geschil is dat verweerder de in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) neergelegde regeling inzake rentevergoeding juist heeft toegepast. Evenmin is in geschil dat de auto’s als gebruikte auto’s dienen te worden beschouwd.

Beoordeling van het geschil

Rentebeschikking

6. Eiseres heeft bij brief van 14 oktober 2013 beroep ingesteld tegen de verminderingsbeschikking van 17 september 2013, waarbij het terug te ontvangen bedrag is vastgesteld op € 2.230 en tevens het bedrag aan te ontvangen heffingsrente is vastgesteld. De rechtbank overweegt dat tegen die beschikking niet afzonderlijk bezwaar en beroep openstaat. Dit is bepaald in artikel 24a van de AWR. Voor zover de heffingsrente niet in de uitspraak op bezwaar is vermeld, betekent dit dat de uitspraak op bezwaar van 23 augustus 2013 onvolledig is, maar dit kan niet met een tweede uitspraak op bezwaar worden hersteld. De brief van 14 oktober 2013 zal door de rechtbank daarom als een aanvulling van het beroep van 24 september 2013 worden beschouwd en het afzonderlijke zaaknummer dat hiervoor is aangemaakt is inmiddels als “ten onrechte ingeboekt” afgesloten.

Wettelijk kader

7. Ingevolge artikel 110 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) heffen de lidstaten op producten van de overige lidstaten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven.

8. Artikel 9, eerste lid, van de Wet BPM luidde ten tijde van de aangifte als volgt:

“De belasting bedraagt voor een personenauto:

a. 45,2 percent van de netto catalogusprijs,

b. verminderd met ƒ 3394, met dien verstande dat voor een personenauto die wordt aangedreven door een motor met een compressie-ontsteking, het bedrag bedoeld in onderdeel b wordt verminderd met ƒ 2116.

9. Ingevolge artikel 10, eerste en tweede lid, van de Wet BPM, zoals deze luidden ten tijde van de aangifte, wordt, voor zover thans van belang, met betrekking tot gebruikte personenauto’s het bedrag van de belasting als bedoeld in artikel 9 berekend met inachtneming van een vermindering. De vermindering bedraagt een percentage, dat is aangegeven in de navolgende tabel.

Indien na het tijdstip waarop de personenauto of het motorrijwiel voor het eerst in gebruik is genomen, een tijdsduur is verstreken van:

minder dan een maand

een maand of meer, maar minder dan twee maanden

twee maanden of meer, maar minder dan drie maanden

drie maanden of meer, maar minder dan zes maanden

zes maanden of meer, maar minder dan 1 jaar

1 jaar of meer, maar minder dan 2 jaar

2 jaar of meer, maar minder dan 3 jaar

3 jaar of meer, maar minder dan 4 jaar

4 jaar of meer, maar minder dan 5 jaar

5 jaar of meer, maar minder dan 6 jaar

6 jaar of meer, maar minder dan 7 jaar

7 jaar of meer, maar minder dan 8 jaar

8 jaar of meer, maar minder dan 9 jaar

9 jaar of meer

bedraagt het percentage:

4

7

10

15

24

37

47

57

66

72

77

82

86

90

Bewijslastverdeling

10. In het arrest van de Hoge Raad van 22 september 2006, ECLI: NL:HR:2006:AY8649, is - onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) in de zaak Gomes Valente van 22 februari 2001, nr. C-393/98, ECLI: EU:C:2001:109 - geoordeeld dat de afschrijvingstabel van artikel 10 van de Wet BPM in strijd is met artikel 90 van het EG-Verdrag (thans: artikel 110 VWEU), nu niet is gespecificeerd naar andere relevante factoren dan de ouderdom van een voertuig. Als gevolg daarvan is voor een concreet voertuig aan de hand van de tabel niet vast te stellen of en in hoeverre die tabel de werkelijke waardevermindering van dat voertuig weerspiegelt. In overweging 3.4 van het voornoemde arrest heeft de Hoge Raad zijn oordeel uit het arrest van 6 december 2002, ECLI: NL:HR:2002:AE4811, herhaald, dat uit het gemeenschapsrecht niet volgt dat de strijdigheid van de verminderingsregeling met artikel 90 van het EG-Verdrag noodzakelijkerwijs meebrengt dat in het geheel geen BPM kan worden geheven. De met toepassing van de verminderingsregeling berekende BPM is alleen niet verschuldigd indien en voor zover deze het bedrag van de BPM die nog rust op vergelijkbare auto’s die reeds in Nederland waren geregistreerd, overschrijdt.

11. Het voorgaande betekent dat de uit de tabel voortvloeiende afschrijving onvoldoende basis biedt voor de vaststelling van de verschuldigde belasting. Omdat het systeem waarbij uitsluitend op basis van de tabel aangifte kon worden gedaan in strijd met het Unierecht was, diende verweerder eiseres daadwerkelijk in de gelegenheid te stellen op een andere wijze de waarde van de auto’s te onderbouwen. Aldus leest de rechtbank ook het arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2007, ECLI: NL:HR:2007:BA8063. De rechtbank ziet in dat arrest geen aanleiding af te wijken van de gebruikelijke regel dat degene die een stelling inneemt, deze bij betwisting dient te bewijzen. Een redelijke bewijslastverdeling brengt niet mee dat verweerder de onjuistheid van de door eiseres verdedigde waarde aannemelijk dient te maken, te meer nu eiseres over de gegevens beschikt die zij aan de door haar verdedigde waarde ten grondslag legt.

Hoogte BPM

12. Nu niet in geschil is dat de auto’s het best vergeleken kunnen worden met gebruikte auto’s, zal de rechtbank daar eveneens van uitgaan. Onderzocht zal moeten worden hoe de door eiseres voldane BPM zich verhoudt tot het restant aan BPM dat nog drukte op vergelijkbare, reeds in Nederland geregistreerde auto’s. Daarbij dienen de waarden van de auto’s te worden bepaald aan de hand van de best vergelijkbare referentieauto’s. Eiseres heeft daartoe verwezen naar een door haar overgelegd overzicht van [P].

13. Volgens vaste rechtspraak van het HvJ moet het voertuig dat als referentie dient ter berekening van de belasting die verschuldigd is voor een ingevoerd voertuig een gelijksoortig voertuig zijn. Bij de beoordeling van de gelijksoortigheid moet worden onderzocht of de betrokken producten vergelijkbare eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften van de consument voldoen (vergelijk onder meer het arrest van het HvJ van 15 maart 2001, Commissie/Frankrijk, nr. C-265/99, ECLI: EU:C:2001:169). Met betrekking tot voertuigen heeft het HvJ overwogen dat deze gelijksoortig zijn in de zin van (thans) artikel 110 VWEU wanneer zij zich door hun eigenschappen en door de behoeften waarin zij voorzien in een concurrentieverhouding bevinden, waarbij de mate van concurrentie tussen twee modellen afhangt van de vraag in hoeverre zij voldoen aan een aantal vereisten op het punt van onder meer prijs, afmetingen, comfort, prestaties, verbruik, duurzaamheid en betrouwbaarheid. Het referentievoertuig moet het voertuig zijn waarvan de eigenschappen het dichtst aanleunen bij die van het ingevoerde voertuig (HvJ 19 september 2002, C-101/00, ECLI: EU:C:2002:505, Siilin en HvJ EG 15 juni 1999, C-421/97, Tarantik, ECLI: EU:C:1999:309).

14. Naar het oordeel van de rechtbank zijn ook de leeftijd van de auto en de kilometerstand kenmerken die van belang zijn bij de beantwoording van de vraag welke referentievoertuigen het best vergelijkbaar zijn.

15. Gelet op hetgeen hiervoor ter zake van de bewijslastverdeling is overwogen, zal de rechtbank per auto beoordelen of eiseres voldoende heeft onderbouwd dat er aanleiding bestaat voor hantering van een grotere afschrijving dan verweerder heeft toegepast na bezwaar. Eiseres heeft de navolgende kilometerstanden opgegeven voor de auto’s:

Auto

Km-stand volgens [P]

Auto 1

5.001

Auto 2

4.700

Auto 3

21

16. Met betrekking tot auto 3 is voorts een inkoopfactuur overgelegd. Deze vermeldt een kilometerstand van 5.000.

17. Verweerder heeft ter zake van de auto’s informatie van de Dienst Wegverkeer (hierna: RDW) ontvangen. De kilometerstanden van auto’s 1 en 2 wijken niet veel af van de door eiseres opgegeven kilometerstanden. De kilometerstand van auto 3 wijkt wel af; deze bedraagt volgens de RDW 2.814.

18. Met betrekking tot de gegevens van de RDW overweegt de rechtbank dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat hij van de RDW een Excel-overzicht heeft ontvangen, maar niet de onderliggende gegevens. Hierdoor heeft geen controle op de juistheid (bijvoorbeeld met het oog op vergissingen) kunnen plaatsvinden. Ook voor de rechtbank zijn de gegevens dientengevolge niet controleerbaar. Bovendien ligt de bewijslast dat te veel belasting op aangifte is voldaan bij eiseres. Voor zover zij, zoals in dit geval ter zake van auto 3, zelf tegenstrijdige gegevens gebruikt, wordt van de laagste kilometerstand uitgegaan, nu zij de hogere kilometerstand niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank zal dan ook uitgaan van de kilometerstanden die eiseres heeft opgegeven.

19. Met betrekking tot de onderbouwing van de handelsinkoopwaarde van de auto’s heeft eiseres eveneens verwezen naar het overzicht van [P].

20. [P] heeft de handelsinkoopwaarde van auto 1 getaxeerd op € 46.500. Verweerder heeft de juistheid daarvan betwist, waarbij onder meer de scherpe afschrijving op de accessoires gemotiveerd is bestreden. Van de auto zijn geen aan- of verkoopgegevens voorhanden. [P] heeft slechts met een beperkt aantal gegevens rekening gehouden, waardoor niet aannemelijk is gemaakt dat de werkelijke waarde zo dicht mogelijk wordt benaderd. De taxatie is onvoldoende, en onvoldoende inzichtelijk, onderbouwd. De consumentenprijs voor de auto in nieuwstaat bedraagt € 66.244. Gelet op de korte termijn die is verstreken tussen de datum eerste toelating en de datum tenaamstelling en de lage kilometerstand heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank de handelsinkoopwaarde van € 46.500 niet aannemelijk gemaakt. De na bezwaar toegepaste afschrijving bedraagt 19%. Dit komt overeen met een handelsinkoopwaarde van € 53.658. Nu eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk heeft gemaakt dat de handelsinkoopwaarde lager is dan dat bedrag, is geen sprake van een situatie dat op de auto meer BPM rust dan op een zich reeds op de Nederlandse markt bevindend referentievoertuig.

21. [P] heeft de handelsinkoopwaarde van auto 2 getaxeerd op € 82.500. Verweerder heeft de juistheid daarvan betwist, waarbij onder meer de scherpe afschrijving op de accessoires gemotiveerd is bestreden. Van de auto zijn geen aan- of verkoopgegevens voorhanden. [P] heeft slechts met een beperkt aantal gegevens rekening gehouden, waardoor niet aannemelijk is gemaakt dat de werkelijke waarde zo dicht mogelijk wordt benaderd. De taxatie is onvoldoende, en onvoldoende inzichtelijk, onderbouwd. De consumentenprijs voor de auto in nieuwstaat bedraagt € 123.528. Gelet op de korte termijn die is verstreken tussen de datum eerste toelating en de datum tenaamstelling en de lage kilometerstand heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank de handelsinkoopwaarde van € 82.500 niet aannemelijk gemaakt. De toegepaste afschrijving bedraagt 24%. Dit komt overeen met een handelsinkoopwaarde van € 93.881. Nu eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk heeft gemaakt dat de handelsinkoopwaarde lager is dan dat bedrag, is geen sprake van een situatie dat op de auto meer BPM rust dan op een zich reeds op de Nederlandse markt bevindend referentievoertuig.

22. [P] heeft de handelsinkoopwaarde van auto 3 getaxeerd op € 44.000. Verweerder heeft de juistheid daarvan betwist, waarbij onder meer de scherpe afschrijving op de accessoires gemotiveerd is bestreden. Blijkens de verkoopfactuur is de auto bovendien verkocht voor ƒ 140.000 (€ 63.529) inclusief btw en BPM. Dit is weliswaar iets lager dan de totale consumentenprijs voor een nieuwe auto van € 69.267, maar aanzienlijk hoger dan de getaxeerde waarde. Gelet hierop heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank de handelsinkoopwaarde van € 44.000 niet aannemelijk gemaakt. De na bezwaar toegepaste afschrijving bedraagt 32,332%. Dit komt overeen met een handelsinkoopwaarde van € 46.872. Nu eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk heeft gemaakt dat de handelsinkoopwaarde lager is dan dat bedrag, is geen sprake van een situatie dat op de auto meer BPM rust dan op een zich reeds op de Nederlandse markt bevindend referentievoertuig.

Schadevergoeding op grond van geleden renteverlies

23. Naar het oordeel van de rechtbank is een gedeelte van de betaalde belasting in strijd met het Unierecht geheven. Eiseres heeft daarom recht op een passende vergoeding voor het verlies dat zij als gevolg van de onverschuldigde betaling van belasting heeft geleden.

24. De regeling inzake rentevergoeding is opgenomen in hoofdstuk VA van de AWR. Op 1 januari 2013 is het nieuwe hoofdstuk VA in werking getreden. Op grond van artikel XXXIV, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van het Belastingplan 2012 (Staatsblad 2011, 639) is op naheffingsaanslagen en beschikkingen BPM die betrekking hebben op belastingschulden die zijn ontstaan in tijdvakken die zijn geëindigd vóór 1 januari 2012 nog het recht van toepassing zoals dat luidde op 31 december 2012. Alleen voor zover de renteperiode is gelegen na 31 december 2012, geldt de regeling voor het rentepercentage zoals die luidt met ingang van 1 januari 2013.

25. In artikel 30f, derde lid, aanhef en letter d, onder 2º, van de AWR (tekst geldend tot januari 2013) is bepaald dat de heffingsrente over een teruggaaf van BPM enkelvoudig wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt drie maanden na het einde van het kalenderjaar of het boekjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft en eindigt op de dag van de dagtekening van het afschrift van de uitspraak of van de kennisgeving waaruit van de teruggaaf blijkt. Het rentepercentage is opgenomen in artikel 30f, vijfde lid, van de AWR (tekst geldend tot 1 januari 2013) voor de renteperiode die is gelegen vóór 1 januari 2013 en in artikel 30hb van de AWR voor zover de renteperiode is gelegen na 1 januari 2013.

26. Met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2014, ECLI: NL:HR:2014:3606, en de uitspraken van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 april 2014, ECLI: NL:GHARL:2014:2682 en 2983, is de rechtbank van oordeel dat de in voormelde artikelen 30f, vijfde lid, en 30hb van de AWR neergelegde rentevoeten voldoen aan de vereisten die het HvJ heeft gesteld aan de rentevergoeding die lidstaten verplicht zijn te betalen indien in strijd met het Unierecht geheven belastingen worden terugbetaald. Dit is anders voor de in voormeld artikel 30f, derde lid, letter d, onder 2º, van de AWR neergelegde termijn. Op grond van het in het Unierecht geldende doeltreffendheidsbeginsel (zie arrest Mariana Irimie, HvJ 18 april 2013, C-565/11, ECLI: EU:C:2013:250, onderdelen 26 tot en met 28) is de rechtbank van oordeel dat rente moet worden vergoed over het tijdvak dat aanvangt op de dag na die van de betaling van de onverschuldigde BPM en eindigt op de dag waarop het betreffende bedrag wordt terugbetaald. Nu niet bekend is op welke dag de terugbetaling heeft plaatsgevonden, zal de rechtbank verweerder gelasten de rentevergoeding te berekenen op de wijze zoals hiervoor omschreven.

Immateriële schadevergoeding

27. Eiseres heeft verzocht om een immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

28. Uit de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011, ECLI: NL:HR:2011:BO5046, en van 9 augustus 2013, ECLI: NL:HR:2013:199, volgt dat de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden mede ten grondslag ligt, ertoe noopt dat ook de beslechting van belastinggeschillen binnen een redelijke termijn plaatsvindt. Een overschrijding van die termijn leidt, behoudens bijzondere omstandigheden, in de regel tot spanning en frustratie, wat grond vormt voor vergoeding van immateriële schade met toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen.

29. De termijn is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift eind maart 2000 en geëindigd met deze uitspraak van de rechtbank. Tussen maart 2000 en heden zijn aanzienlijk meer dan twee jaren verstreken. Een groot deel van die termijn heeft te maken met de bezwaarfase, die eerst op 23 augustus 2013 is geëindigd.

30. Verweerder heeft als redenen voor het tijdsverloop aangegeven dat eiseres onvoldoende heeft meegewerkt aan het verstrekken van bescheiden, dat eiseres ermee heeft ingestemd eerst het tijdvak juni 2004 en vervolgens de tijdvakken januari tot en met mei en juli 2004 uit te procederen, welke beide zaken zijn uitgeprocedeerd tot aan de Hoge Raad, en dat ook de nodige tijd gemoeid is geweest met een compromisaanbod in 2013.

31. Eiseres heeft betwist dat zij heeft ingestemd met verlenging van de beslistermijn totdat over de genoemde tijdvakken over 2004 duidelijkheid bestond. De rechtbank acht de betwisting daarvan echter niet geloofwaardig. Uit de brief van verweerder van 2 april 2013 leidt de rechtbank juist af dat eiseres, in ieder geval in het kader van de lopende onderhandelingen, het arrest van de Hoge Raad over de tijdvakken januari tot en met mei en juli 2004 wenste af te wachten. Ook de lange periode die is verstreken zonder dat uit iets blijkt dat eiseres heeft aangedrongen op afdoening van het onderhavige tijdvak maakt aannemelijk dat eiseres ermee heeft ingestemd dat eerst de lopende procedures werden afgewacht. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden in vorenbedoelde zin, als gevolg waarvan de redelijke termijn niet is overschreden. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding een immateriële schadevergoeding toe te kennen.

Conclusie

32. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

33. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van de daadwerkelijk door haar gemaakte proceskosten. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat het Unierecht meebrengt dat verweerder de schade moet vergoeden die ontstaat door met het Unierecht strijdige regelgeving en dat daarom een integrale proceskostenvergoeding moet worden toegekend.

34. In het nationale recht is de mogelijkheid om een partij te veroordelen in de proceskosten die de wederpartij in bezwaar, beroep en hoger beroep heeft moeten maken neergelegd in de artikelen 7:15 en 8:75 van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit). Het gaat hierbij om een uitputtende regeling (Hoge Raad 14 september 2007, ECLI: NL:HR:2007:BB3442) die op gelijke wijze toepassing vindt bij schendingen van nationaal recht als bij schendingen van gemeenschapsrecht.

35. Op grond van het Besluit worden de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beginsel forfaitair berekend. In bijzondere omstandigheden bestaat echter de mogelijkheid om een hogere vergoeding toe te kennen. Hiervoor bestaat in ieder geval aanleiding indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand kan houden (Hoge Raad 13 april 2007, ECLI: NL:HR:2007:BA2802). Ook indien het bestuursorgaan op andere wijze verregaand onzorgvuldig heeft gehandeld kan dit grond opleveren om een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit aanwezig te achten (Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI: NL:HR:2011:BP2975).

36. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van een bijzondere omstandigheid die een integrale proceskostenvergoeding rechtvaardigt. Dat een (onjuist bevonden) standpunt van verweerder in strijd is met Unierecht is op zichzelf onvoldoende om een bijzondere omstandigheid aanwezig te achten, aangezien bij een schending van Europees recht geen sprake is van een andere of ernstiger vorm van onrechtmatigheid dan bij schending van nationaal recht (Hoge Raad 19 december 2014, ECLI: NL:HR:2014:3603). Evenmin kan worden gezegd dat verweerder verregaand onzorgvuldig of tegen beter weten in heeft gehandeld.

37. Bij Besluit van 27 oktober 2014 (Stb. 2014, 411) is artikel 3, tweede lid, van het Besluit gewijzigd. Dat artikellid luidt met ingang van 1 januari 2015 als volgt:

“Samenhangende zaken zijn: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.”

38. Op grond van het overgangsrecht, dat is opgenomen in artikel II van het Besluit van 27 oktober 2014, heeft de wijziging onmiddellijke werking. Dat betekent dat zowel de proceskostenvergoeding in beroep als de kostenvergoeding in bezwaar in de zaak van eiseres op basis van het gewijzigde artikel 3, tweede lid, van het Besluit moet worden vastgesteld.

39. Naar het oordeel van de rechtbank zijn het onderhavige beroep en de overige op dezelfde zitting behandelde beroepen samenhangende zaken in voormelde zin, nu sprake is van vergelijkbare beroepschriften en inhoudelijk sterk vergelijkbare, nagenoeg identieke werkzaamheden. De te beantwoorden rechtsvraag is in alle dossiers dezelfde, te weten onder welke voorwaarden auto’s als nieuw of als gebruikt dienen te worden beschouwd. Er zijn in totaal zestien beroepen gegrond verklaard. Dit betekent dat sprake is van meer dan vier samenhangende zaken. Gelet hierop zijn de kosten voor het onderhavige beroep op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 91,31, zijnde 1/16 deel van € 1.461 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487, een wegingsfactor 1 en een factor 1,5 voor samenhang). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. Weliswaar zijn eiseres en haar gemachtigde verschenen op de comparitiezitting van 27 oktober 2014, maar die comparitie was niet gelast in de onderhavige procedure.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover daarin niet is beslist over de door verweerder verschuldigde rente;

  • -

    gelast verweerder de schadevergoeding wegens rentederving te berekenen en te vergoeden overeenkomstig hetgeen in onderdeel 26 is overwogen;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 91,31;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 318 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, voorzitter, mr. M.C.G.J. van Well en mr. G.H.W. Bodt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.W.H. van Brandenburg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 26 februari 2015

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.