Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:1167

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-02-2015
Datum publicatie
26-02-2015
Zaaknummer
AWB - 13 _ 5783
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In deze en vijftien vergelijkbare zaken zijn maandaangiften BPM in geschil. Bij alle zaken speelt de vraag of sprake is van gebruikte of nieuwe auto’s. Kilometerstand en tijdsverloop sinds eerste ingebruikname. Gegevens RDW niet controleerbaar. Taxatie van alle auto’s door [P].

Bij gegronde beroepen wordt beroep verweerder op interne compensatie tussen verschillende auto’s binnen één maandaangifte afgewezen. Ook toepassing van gunstiger tabel juli 2012 leidt tot Irimierente. Geen vergoeding immateriële schade nu aannemelijk is dat eiseres ermee heeft ingestemd eerst procedures over 2004 uit te procederen. Geen integrale proceskostenvergoeding. Samenhangende zaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2015/871
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 13/5783

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 26 februari 2015

in de zaak tussen

[X] B.V., te [Z], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Enschede, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft voor het tijdvak januari 2000 op aangifte ƒ 707.486 (€ 321.043) belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) voldaan voor in totaal elf auto’s. Zij heeft daartegen tijdig bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 augustus 2013 het bezwaar afgewezen en geen teruggaaf van BPM verleend.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 24 september 2013, ontvangen door de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft bij brief van 19 november 2014 en verweerder heeft bij brieven van 17 en 19 november 2014 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2014. Namens eiseres is verschenen [A], bijgestaan door de gemachtigde en [B]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde], mr. [C], [D], [E], [F] en [G].

Ter zitting zijn gelijktijdig de beroepen behandeld van eiseres met de registratienummers AWB 13/4810, 13/4811, 13/4812, 13/4813, 13/4814, 13/4815, 13/5518, 13/5525, 13/5785, 13/5787, 13/5789, 13/5791, 13/5792, 13/5793, 13/5794, 13/5795, 13/5796, 13/5797, 13/5798, 13/6328, 13/6329, 13/6330 en 13/6472.

Eiseres heeft vóór de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

Ter zitting is voorts op verzoek van eiseres [H] als getuige gehoord. Van zijn verklaringen en van hetgeen voor het overige ter zitting naar voren is gebracht, is aantekening bijgehouden in het proces-verbaal van de zitting.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres handelt in auto’s van verschillende, overwegend exclusieve, merken. Eiseres is geen erkende dealer. Zij heeft in [Q] (Dld.) de vennootschap naar Duits recht [I] GmbH opgericht. Deze vennootschap koopt auto’s in, die via eiseres aan Nederlandse klanten worden doorverkocht.

2. Aan eiseres is krachtens artikel 8 van de Wet op de belastingen van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: Wet BPM) vergunning verleend om per tijdvak van een kalendermaand aangifte te doen.

3. Over de maand januari 2000 heeft eiseres aangifte gedaan ter zake van elf auto’s. Een daarvan heeft een datum eerste toelating in het buitenland. Dit betreft de navolgende auto:

Merk en type

Bruto BPM

Datum eerste toelating

Datum op naam

Mercedes [J]

ƒ 29.898

16-06-1999

15-01-2000

4. Eiseres heeft, aan de hand van de datum eerste toelating en de tabel bij artikel 10 van de Wet BPM, een kortingspercentage van 24 toegepast ter zake van de auto en daarop de aangifte gebaseerd. Dit leidt tot een aangegeven bedrag aan BPM van ƒ 22.722.

Geschil

5. In geschil is of tot het juiste bedrag op aangifte BPM is voldaan. Meer specifiek is in geschil:

- of in strijd met het Unierecht BPM wordt geheven door gebruikmaking van een forfaitaire tabel;

- of sprake is van gekwalificeerde schending van Unierecht;

- of sprake is van schadevergoedingsplicht van verweerder, inclusief de grondslagen en de omvang daarvan;

- of eiseres in aanmerking komt voor een bovenforfaitaire vergoeding van de proceskosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep heeft gemaakt.

Niet in geschil is dat verweerder de in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) neergelegde regeling inzake rentevergoeding juist heeft toegepast. Evenmin is in geschil dat de auto als een gebruikte auto dient te worden beschouwd.

Beoordeling van het geschil

Wettelijk kader

6. Ingevolge artikel 110 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) heffen de lidstaten op producten van de overige lidstaten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven.

7. Artikel 9, eerste lid, van de Wet BPM luidde ten tijde van de aangifte als volgt:

“De belasting bedraagt voor een personenauto:

a. 45,2 percent van de netto catalogusprijs,

b. verminderd met ƒ 3394, met dien verstande dat voor een personenauto die wordt aangedreven door een motor met een compressie-ontsteking, het bedrag bedoeld in onderdeel b wordt verminderd met ƒ 2116.”

8. Ingevolge artikel 10, eerste en tweede lid, van de Wet BPM, zoals deze luidden ten tijde van de aangifte, wordt, voor zover thans van belang, met betrekking tot gebruikte personenauto’s het bedrag van de belasting als bedoeld in artikel 9 berekend met inachtneming van een vermindering. De vermindering bedraagt een percentage, dat is aangegeven in de navolgende tabel.

Indien na het tijdstip waarop de personenauto of het motorrijwiel voor het eerst in gebruik is genomen, een tijdsduur is verstreken van:

minder dan een maand

een maand of meer, maar minder dan twee maanden

twee maanden of meer, maar minder dan drie maanden

drie maanden of meer, maar minder dan zes maanden

zes maanden of meer, maar minder dan 1 jaar

1 jaar of meer, maar minder dan 2 jaar

2 jaar of meer, maar minder dan 3 jaar

3 jaar of meer, maar minder dan 4 jaar

4 jaar of meer, maar minder dan 5 jaar

5 jaar of meer, maar minder dan 6 jaar

6 jaar of meer, maar minder dan 7 jaar

7 jaar of meer, maar minder dan 8 jaar

8 jaar of meer, maar minder dan 9 jaar

9 jaar of meer

bedraagt het percentage:

4

7

10

15

24

37

47

57

66

72

77

82

86

90

Bewijslastverdeling

9. In het arrest van de Hoge Raad van 22 september 2006, ECLI: NL:HR:2006:AY8649, is - onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) in de zaak Gomes Valente van 22 februari 2001, nr. C-393/98, ECLI: EU:C:2001:109 - geoordeeld dat de afschrijvingstabel van artikel 10 van de Wet BPM in strijd is met artikel 90 van het EG-Verdrag (thans: artikel 110 VWEU), nu niet is gespecificeerd naar andere relevante factoren dan de ouderdom van een voertuig. Als gevolg daarvan is voor een concreet voertuig aan de hand van de tabel niet vast te stellen of en in hoeverre die tabel de werkelijke waardevermindering van dat voertuig weerspiegelt. In overweging 3.4 van het voornoemde arrest heeft de Hoge Raad zijn oordeel uit het arrest van 6 december 2002, ECLI: NL:HR:2002:AE4811, herhaald, dat uit het gemeenschapsrecht niet volgt dat de strijdigheid van de verminderingsregeling met artikel 90 van het EG-Verdrag noodzakelijkerwijs meebrengt dat in het geheel geen BPM kan worden geheven. De met toepassing van de verminderingsregeling berekende BPM is alleen niet verschuldigd indien

en voor zover deze het bedrag van de BPM die nog rust op vergelijkbare auto’s die reeds in Nederland waren geregistreerd, overschrijdt.

10. Het voorgaande betekent dat de uit de tabel voortvloeiende afschrijving onvoldoende basis biedt voor de vaststelling van de verschuldigde belasting. Omdat het systeem waarbij uitsluitend op basis van de tabel aangifte kon worden gedaan in strijd met het Unierecht was, diende verweerder eiseres daadwerkelijk in de gelegenheid te stellen op een andere wijze de waarde van de auto’s te onderbouwen. Aldus leest de rechtbank ook het arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2007, ECLI: NL:HR:2007:BA8063. De rechtbank ziet in dat arrest geen aanleiding af te wijken van de gebruikelijke regel dat degene die een stelling inneemt, deze bij betwisting dient te bewijzen. Een redelijke bewijslastverdeling brengt niet mee dat verweerder de onjuistheid van de door eiseres verdedigde waarde aannemelijk dient te maken, te meer nu eiseres over de gegevens beschikt die zij aan de door haar verdedigde waarde ten grondslag legt.

Hoogte BPM

11. Nu niet in geschil is dat de auto het best vergeleken kan worden met gebruikte auto’s, zal de rechtbank daar eveneens van uitgaan. Onderzocht zal moeten worden hoe de door eiseres voldane BPM zich verhoudt tot het restant aan BPM dat nog drukte op vergelijkbare, reeds in Nederland geregistreerde auto’s. Daarbij dient de waarde van de auto te worden bepaald aan de hand van de best vergelijkbare referentieauto’s. Eiseres heeft daartoe verwezen naar een door haar overgelegd overzicht van [P].

12. Volgens vaste rechtspraak van het HvJ moet het voertuig dat als referentie dient ter berekening van de belasting die verschuldigd is voor een ingevoerd voertuig een gelijksoortig voertuig zijn. Bij de beoordeling van de gelijksoortigheid moet worden onderzocht of de betrokken producten vergelijkbare eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften van de consument voldoen (vergelijk onder meer het arrest van het HvJ van 15 maart 2001, Commissie/Frankrijk, nr. C-265/99, ECLI: EU:C:2001:169). Met betrekking tot voertuigen heeft het HvJ overwogen dat deze gelijksoortig zijn in de zin van (thans) artikel 110 VWEU wanneer zij zich door hun eigenschappen en door de behoeften waarin zij voorzien in een concurrentieverhouding bevinden, waarbij de mate van concurrentie tussen twee modellen afhangt van de vraag in hoeverre zij voldoen aan een aantal vereisten op het punt van onder meer prijs, afmetingen, comfort, prestaties, verbruik, duurzaamheid en betrouwbaarheid. Het referentievoertuig moet het voertuig zijn waarvan de eigenschappen het dichtst aanleunen bij die van het ingevoerde voertuig (HvJ 19 september 2002, C-101/00, ECLI: EU:C:2002:505, Siilin en HvJ EG 15 juni 1999, C-421/97, Tarantik, ECLI: EU:C:1999:309).

13. Naar het oordeel van de rechtbank zijn ook de leeftijd van de auto en de kilometerstand kenmerken die van belang zijn bij de beantwoording van de vraag welke referentievoertuigen het best vergelijkbaar zijn.

14. Gelet op hetgeen hiervoor ter zake van de bewijslastverdeling is overwogen, zal de rechtbank beoordelen of eiseres voldoende heeft onderbouwd dat er aanleiding bestaat voor hantering van een grotere afschrijving dan verweerder heeft toegepast na bezwaar. Eiseres heeft gesteld dat de kilometerstand van de auto 61 bedraagt. Verweerder heeft ter zake van de auto informatie van de Dienst Wegverkeer (hierna: RDW) ontvangen. De kilometerstand van deze auto bedraagt volgens de RDW 2.800.

15. Met betrekking tot de gegevens van de RDW overweegt de rechtbank dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat hij van de RDW een Excel-overzicht heeft ontvangen, maar niet de onderliggende gegevens. Hierdoor heeft geen controle op de juistheid (bijvoorbeeld met het oog op vergissingen) kunnen plaatsvinden. Ook voor de rechtbank zijn de gegevens dientengevolge niet controleerbaar. Bovendien ligt de bewijslast dat te veel belasting op aangifte is voldaan bij eiseres. Zij gaat uit van een lagere kilometerstand, wat een lagere afschrijving zou kunnen rechtvaardigen. De rechtbank zal dan ook uitgaan van de kilometerstand die eiseres heeft opgegeven.

16. Met betrekking tot de onderbouwing van de handelsinkoopwaarde van de auto heeft eiseres eveneens verwezen naar het overzicht van [P].

17. [P] heeft de handelsinkoopwaarde van de auto getaxeerd op € 35.000. Verweerder heeft de juistheid daarvan betwist, waarbij onder meer de scherpe afschrijving op de accessoires gemotiveerd is bestreden. Van de auto zijn geen aan- of verkoopgegevens voorhanden. [P] heeft slechts met een beperkt aantal gegevens rekening gehouden, waardoor niet aannemelijk is gemaakt dat de werkelijke waarde zo dicht mogelijk wordt benaderd. De taxatie is onvoldoende, en onvoldoende inzichtelijk, onderbouwd. De consumentenprijs voor de auto in nieuwstaat bedraagt € 53.003. Gelet op de korte termijn die is verstreken tussen de datum eerste toelating en de datum tenaamstelling en de lage kilometerstand heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank de handelsinkoopwaarde van € 35.000 niet aannemelijk gemaakt. De toegepaste afschrijving bedraagt 24%. Dit komt overeen met een handelsinkoopwaarde van € 40.282. Nu eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk heeft gemaakt dat de handelsinkoopwaarde lager is dan dat bedrag, is geen sprake van een situatie dat op de auto meer BPM rust dan op een zich reeds op de Nederlandse markt bevindend referentievoertuig.

Immateriële schadevergoeding

18. Eiseres heeft verzocht om een immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

19. Uit de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011, ECLI: NL:HR:2011:BO5046, en van 9 augustus 2013, ECLI: NL:HR:2013:199, volgt dat rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden mede ten grondslag ligt, ertoe noopt dat ook de beslechting van belastinggeschillen binnen een redelijke termijn plaatsvindt. Een overschrijding van die termijn leidt, behoudens bijzondere omstandigheden, in de regel tot spanning en frustratie, wat grond vormt voor vergoeding van immateriële schade met toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen.

20. De termijn is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift eind januari 2000 en geëindigd met deze uitspraak van de rechtbank. Tussen januari 2000 en heden zijn aanzienlijk meer dan twee jaren verstreken. Een groot deel van die termijn heeft te maken met de bezwaarfase, die eerst op 23 augustus 2013 is geëindigd

21. Verweerder heeft als redenen voor het tijdsverloop aangegeven dat eiseres onvoldoende heeft meegewerkt aan het verstrekken van bescheiden, dat eiseres ermee heeft ingestemd eerst het tijdvak juni 2004 en vervolgens de tijdvakken januari tot en met mei en juli 2004 uit te procederen, welke beide zaken zijn uitgeprocedeerd tot aan de Hoge Raad, en dat ook de nodige tijd gemoeid is geweest met een compromisaanbod in 2013.

22. Eiseres heeft betwist dat zij heeft ingestemd met verlenging van de beslistermijn totdat over de genoemde tijdvakken over 2004 duidelijkheid bestond. De rechtbank acht de betwisting daarvan echter niet geloofwaardig. Uit de brief van verweerder van 2 april 2013 leidt de rechtbank juist af dat eiseres, in ieder geval in het kader van de lopende onderhandelingen, het arrest van de Hoge Raad over de tijdvakken januari tot en met mei en juli 2004 wenste af te wachten. Ook de lange periode die is verstreken zonder dat uit iets blijkt dat eiseres heeft aangedrongen op afdoening van het onderhavige tijdvak maakt aannemelijk dat eiseres ermee heeft ingestemd dat eerst de lopende procedures werden afgewacht. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden in vorenbedoelde zin, als gevolg waarvan de redelijke termijn niet is overschreden. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding een immateriële schadevergoeding toe te kennen.

Conclusie

23. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

24. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, voorzitter, mr. M.C.G.J. van Well en mr. G.H.W. Bodt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.W.H. van Brandenburg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 26 februari 2015

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.