Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:1160

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-02-2015
Datum publicatie
24-02-2015
Zaaknummer
06/580273-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Twee broers uit Zutphen moeten bedragen van € 66.118,60 en € 104.200,00 terugbetalen aan de staat. Dit zijn de opbrengsten die zij hebben verdiend met onder meer drugshandel waarvoor zij al eerder veroordeeld waren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Promis II

Parketnummer : 06/580273-09

Datum zitting : 9 februari 2015

Datum uitspraak: 23 februari 2015

tegenspraak

Uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [veroordeelde] (hierna te noemen: veroordeelde),

geboren te : [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

raadsman : mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen.

1 De inhoud van de vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel voorlopig wordt geschat op € 71.563,20.

2 De procedure

De officier van justitie heeft op 12 januari 2010 de ontnemingsvordering aangekondigd. Op 16 augustus 2012 heeft de officier van justitie de vordering schriftelijk aanhangig gemaakt.

Op 20 oktober 2014 is de vordering ter terechtzitting behandeld en geschorst teneinde de uitspraak van het gerechtshof in de hoofdzaak af te wachten. Eveneens heeft een schriftelijke conclusiewisseling plaatsgevonden.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 9 februari 2015 ter terechtzitting behandeld. Daarbij is de raadsman
mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen, verschenen.

De officier van justitie, mr. G. Nijpels, heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering.

De raadsman van veroordeelde heeft het woord ter verdediging gevoerd.

4 De beoordeling van de vordering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de periode aangehouden die in de hoofdzaak door het gerechtshof bewezen is verklaard, te weten de periode van 1 april 2009 tot en met

27 september 2009. De officier van justitie houdt voor de berekening van het voordeel een periode van 180 dagen aan. Het aantal uitgevoerde drugstransporten heeft de officier van justitie overeenkomstig het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel van 29 maart 2010 (hierna: rapport) in het voordeel van veroordeelde aangehouden op eens per tien dagen. De officier van justitie gaat uit van de verklaring van [betrokkene]. Hij heeft verklaard dat de leveringen één keer per zeven à tien dagen plaatsvonden. Dit komt overeen met de gegevens uit de tapgesprekken van september 2009. In september 2009 zijn in ieder geval drie leveringen geweest, namelijk op of rond 9, 17 en 23 september 2009. De officier van justitie vindt het aannemelijk dat de betreffende gesprekken gaan over geldbedragen die verband houden met leveringen van drugs door veroordeelde.

Verder ondersteunen de bakengegevens van de auto van veroordeelde in de periode van

29 april 2009 tot en met 19 mei 2009 de genoemde frequentie, er zijn namelijk op 8, 12 en 17 mei 2009 ritten naar Ratingen, Duitsland uitgevoerd.
De officier van justitie gaat uit van een gemiddelde verkoopprijs per rit van (€16.500,-- + 15.000,-- + 9.200,-- : 3 ritten = € 3,92 kilo per levering.

De opbrengst bedraagt 17 ritten x € 13.500,-- = € 229.500,--

De inkoopkosten bedragen:
17 ritten x 3.92 kilo x € 2.370,-- = € 157.936,80

Het wederrechtelijk verkregen voordeel moet derhalve worden vastgesteld op € 71.563,20

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde geen handelaar is. Hij had contact met [betrokkene] over het opzetten van een kwekerij in Regensburg, Duitsland, maar dat is niets geworden. Er zijn dus geen inkomsten vergaard. Voor zover veroordeelde wel aan [betrokkene] zou hebben geleverd, blijkt nergens uit dat veroordeelde hieraan zou hebben verdiend. De vordering moet derhalve op nihil worden gesteld.

Voor zover er wel verdiend zou zijn, moet uitgegaan worden van het rapport van BOOM 2010 in plaats van dat van 2005. Hieruit blijkt dat de opbrengst voor een binnenkweker een bedrag van € 3.280,-- per kilo moet zijn. Dat was derhalve de inkoopprijs voor veroordeelde. De bedragen zijn derhalve € 3.280,-- per kilo voor de inkoop en € 3.463,-- per kilo voor de verkoop.

Uit de tapgesprekken en de bakengegevens kan niet worden geconcludeerd dat eens per tien dagen een levering plaatsvond. Bovendien zijn de verklaringen van [betrokkene] onbetrouwbaar. Niet is vast komen te staan dat veroordeelde alle keren drugs bij zich had. De schatting van één levering per tien dagen is te ruim. Aannemelijker is dat er 1,5 keer per maand is geleverd, dus een totaal van negen keer. Voorts is er geen rekening gehouden met de benzinekosten van Zutphen naar Ratingen. Dat is 9 x 260 km x € 0,19 cent = € 444,60.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel moet als volgt worden berekend:
9 ritten x € 13.500,-- = € 121.500,--

Inkoopkosten: 9 x 3,92 kilo x € 3.280,-- = € 115.718,40

Benzinekosten = € 444,60.

Dit maakt het wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag groot € 5.337,--.

Omdat de redelijke termijn geschonden is, moet op dit bedrag 10% in mindering worden gebracht wat maakt dat het totaalbedrag uitkomt op € 4.803,30.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beoordeling van de onderhavige vordering heeft de rechtbank kennisgenomen van het op 10 juni 2014 door het gerechtshof gewezen arrest. Daarbij is veroordeelde veroordeeld

tot een gevangenisstraf voor de duur van 19 maanden met aftrek voor het in de periode van

1 april 2009 tot en met 27 september 2009 “medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, het op 28 september 2009 “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, het in de periode van 1 september 2009 tot en met 28 september 2009 “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en het op 28 september 2009 “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie begaan met betrekking tot wapens en munitie van categorie III”.

De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De beslissing dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.1

In het hiernavolgende wordt ingegaan op de geschatte omvang van voornoemd voordeel.

De rechtbank volgt de periode zoals bewezen verklaard in genoemd arrest.

[betrokkene] heeft verklaard dat de leveringen eens per zeven à tien dagen werden uitgevoerd. Dit blijkt eveneens uit de tapgesprekken van september 2009. Gebleken is immers dat er op of rond 9, 17 en 23 september 2009 geleverd is.

Blijkens de bakengegevens van de auto van veroordeelde over een periode van 29 april 2009 tot en met mei 2009 op 8, 12 en 17 mei 2009 naar Duitsland gereden.2

De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [betrokkene]. Gelet op genoemde frequentie, is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie, door uit te gaan van 17 transporten in de onderhavige periode, geen onjuist uitgangspunt heeft gehanteerd.

De rechtbank volgt de berekening van de officier van justitie zoals hij deze uit de tapgesprekken heeft opgemaakt:

€ 16.500,--+ € 15.000,-- + € 9.200,-= € 40.700,-- : 3 = € 13.566,67.

Per rit is gemiddeld € 13.566,67 : € 3.463,-- = € 3,92 kilo afgeleverd.

De opbrengst bedraagt derhalve:

17 ritten x € 13.500,-- = € 229.500,--

De inkoopprijs is blijkens het rapport BOOM € 2.370,-- per kilo.3

De inkoopkosten bedragen:

17 ritten x 3,92 kilo x € 2.370,-- = € 157.936,80

In mindering moet eveneens gebracht worden de reiskosten ad € 444,60.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt derhalve € 71.118,60.

De redelijke termijn

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn met iets minder dan zes maanden is overschreden. Gelet hierop zou een correctie in de berekening moeten worden toegepast.

De raadsman van veroordeelde stelt zich op het standpunt dat de redelijke termijn langer geschonden is.

De rechtbank neemt als uitgangspunt voor het aanvangen van de redelijke termijn het moment waarop veroordeelde in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een ontnemingsvordering aanhangig zou worden gemaakt. Dit moment is naar het oordeel van de rechtbank het moment geweest waarop de officier van justitie de ontnemingsvordering heeft aangekondigd in de hoofdzaak in 2010. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de totale duur van de ontnemingszaak onredelijk lang is geweest en dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM, is overschreden. Bij een overschrijding van de redelijke termijn moet de rechtbank conform vaste jurisprudentie4 een mindering van 10 % op het te ontnemen bedrag aanbrengen. De rechtbank zal echter in dit geval een bedrag van € 5.000 in mindering brengen op het te ontnemen voordeel. De rechtbank houdt er namelijk rekening mee dat in de strafzaak ook al volledig rekening is gehouden met overschrijding van de redelijke termijn. Dit maakt een totaalbedrag van € 66.118,60.

5 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6 De beslissing

Stelt vast het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 66.118,60 (zegge: zesenzestigduizend honderdachttien euro en zestig cent).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 66.118,60 (zegge: zesenzestigduizend honderdachttien euro en zestig cent).

Aldus gegeven door mr. R.G.J. Welbergen (voorzitter), mr. W.L.F. Prisse en

mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.L. Miedema, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 februari 2015.

Mr. A.L.M. Steinebach-de Wit is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district IJsselstreek, opgemaakte proces-verbaal, (stam)proces-verbaal nummer PL0630/09-202833, gesloten op 4 november 2009 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Idem.

3 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel handel in drugs ex artikel 36e, p. 12, 1e alinea.

4 Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BD2578, NJ 2008, 359.