Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:1093

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-02-2015
Datum publicatie
20-02-2015
Zaaknummer
05/820550-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt een nu 79-jarige man vrij van ontucht met zijn drie kleindochters. Voor het misbruik van twee kleindochters is onvoldoende steunbewijs. Ook voor het misbruik van zijn derde kleindochter moet de rechtbank de man vrijspreken, ondanks de gedeeltelijk bekennende verklaring van de man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/820550-14

Datum uitspraak : 20 februari 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum 1] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

Raadsvrouw : mr. W.E. van Veldhuizen, advocaat te Apeldoorn.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 februari 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging - ten laste gelegd dat:

1.

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 5 december 2011 te Oene, gemeente Epe, en/of te Klundert, in ieder geval in Nederland, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige kleindochter [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2], door - de borsten en/of de billen en/of de vagina van die [slachtoffer 1] te betasten en/of - zich door die [slachtoffer 1] aan zijn penis te laten betasten;

art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 29 november 2002 tot 29 november 2003 te Klundert, in ieder geval in Nederland, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige kleindochter [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 3], bestaande die ontucht hierin dat hij de borsten van die [slachtoffer 2] heeft betast;

art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 24 september 2005 tot 1 december 2011 te Oene, gemeente Epe, en/of te Klundert, in ieder geval in Nederland, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige kleindochter [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum 4], door de borsten van die [slachtoffer 3] te betasten;

art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Aanleiding van het onderzoek

Op donderdag 23 januari 2014 heeft een informatief gesprek plaatsgevonden met [betrokkene 1]. Zij heeft op 10 maart 2014 aangifte gedaan van seksueel misbruik van haar drie dochters door haar (aangeefsters) vader [verdachte] (verdachte).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Hij heeft ter terechtzitting de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Verdachte ontkent deze feiten. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat deze feiten niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen: in het geval van [slachtoffer 2] ontbreekt steunbewijs en in het geval van [slachtoffer 3] ontbreekt een ontuchtige bedoeling. Verdachte heeft slechts per ongeluk [slachtoffer 3]’s borsten aangeraakt. Daar komt bij dat [slachtoffer 3] inconsistent heeft verklaard, aldus de raadsvrouw.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte heeft erkend in Oene eenmaal met zijn hand over de blote vagina van [slachtoffer 1] te hebben gewreven. Vervolgens heeft hij de hand van [slachtoffer 1] op zijn penis gelegd. In datzelfde weekeinde heeft hij eenmaal in de bijkeuken over de borsten van [slachtoffer 1] gewreven. Het (laten) betasten van de geslachtsdelen en het betasten van de borsten van [slachtoffer 1] zijn weliswaar grensoverschrijdende handelingen, maar deze handelingen leveren volgens de raadsvrouw geen ontucht op omdat het daarvoor vereiste opzet ontbreekt. Verdachte raakte niet opgewonden. Verdachte ontkent de overige handelingen, waarover [slachtoffer 1] volgens de raadsvrouw inconsistent heeft verklaard. Verder stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat [slachtoffer 1] in Oene, [slachtoffer 1]’s ouderlijke woning, niet aan de zorg en waakzaamheid van verdachte was toevertrouwd.

Beoordeling door de rechtbank

Inleidende overwegingen betreffende het bewijs in zedenzaken

De rechtbank overweegt dat veel zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat er slechts twee personen aanwezig waren bij de (beweerdelijke) seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Dat maakt dat extra zorgvuldig naar de waardering van afgelegde verklaringen moet worden gekeken, zeker als het een ontkennende verdachte betreft.

Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering en de op die bepaling betrekking hebben jurisprudentie van de Hoge Raad kan en mag het bewijs dat de verdachte een ten laste gelegd feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij eraan in de weg staat dat de rechter tot een bewezenverklaring komt ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander (wettig) bewijsmateriaal (Hoge Raad 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7746, NJ 2009/496).

Uit deze jurisprudentie volgt dat niet is vereist dat het springende punt (het door verdachte betwiste onderdeel van de betreffende verklaring) steun vindt in een ander bewijsmiddel. Voldoende is dat de gebezigde verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat de verklaring niet op zichzelf staat, maar is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron.

De rechtbank moet derhalve de vraag beantwoorden of in deze zaak aan dat bewijsminimum is voldaan. Verder zal de rechtbank moeten beoordelen of de verweten gedragingen bewezen kunnen worden op de wijze waarop deze ten laste zijn gelegd. Zoals uit de overwegingen hierna zal blijken, beantwoordt de rechtbank deze vragen ontkennend. Dit betekent dat verdachte dient te worden vrijgesproken.

Vrijspraak

Feiten 2 en 3

Onder de feiten 2 en 3 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij op de daar genoemde tijdstippen en pleegplaatsen ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige kleindochters [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] door het betasten van hun borsten.

De rechtbank acht beide feiten niet bewezen.

Uit de inleidende overwegingen hiervoor volgt dat de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] voldoende steun moeten vinden in ten minste één ander bewijsmiddel. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. Echter, naar het oordeel van de rechtbank vinden deze verklaringen ten aanzien van de aangegeven ontuchtige handelingen onvoldoende steun in ander (wettig) bewijsmateriaal. Aldus kan niet worden vastgesteld dat hun verklaringen over de ontuchtige handelingen in voldoende mate zijn ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in ten minste één andere bron.

Er zijn geen getuigen die de ontuchtige handelingen hebben waargenomen. Andere bewijsmiddelen waaruit verdachtes betrokkenheid rechtstreeks volgt, ontbreken.

De aangifte van [betrokkene 1], waarin [betrokkene 1] verklaart over de ontuchtige handelingen bij respectievelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] kan niet worden aangemerkt als ondersteunend bewijs nu de verklaring is gebaseerd op dezelfde bron, te weten [slachtoffer 2] dan wel [slachtoffer 3], en er verder sprake is van tijdsverloop tussen de verweten gedragingen en het moment waarop [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] daarvan bij aangeefster melding hebben gemaakt (eind 2011). Ook de overige door de officier van justitie genoemde verklaringen geven onvoldoende steun aan de aangifte van [betrokkene 1]. De door verdachte geschreven brieven waarin hij schuld erkent en vraagt om vergeving, acht de rechtbank daartoe onvoldoende concreet, te minder omdat verdachte in die brieven alleen ontuchtige handelingen ten aanzien van [slachtoffer 1] erkent. De verklaring van [betrokkene 2], verdachtes echtgenote, is gebaseerd op de (ontkennende) verklaring van verdachte. Ook verdachtes verklaring ter terechtzitting dat hij een keer per ongeluk de (bedekte) borst van [slachtoffer 3] heeft aangeraakt toen hij in bed lag en wilde voelen waar zij lag, kan niet worden aangemerkt als steunbewijs nu op grond van deze verklaring niet het ontuchtig karakter van de handeling kan worden aangenomen.

Hoewel de rechtbank derhalve geen reden heeft om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], is er naar het oordeel van de rechtbank gelet op het voorgaande onvoldoende steunbewijs. De rechtbank acht het plegen van ontucht door verdachte met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] derhalve niet wettig (en overtuigend) bewezen. Reeds om die reden dient verdachte van het onder 2 en 3 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Feit 1

[slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2], heeft verklaard dat zij bij het logeren voor de gezelligheid bij verdachte en zijn echtgenote in bed ging liggen. Wanneer haar oma de tafel ging dekken, zat verdachte aan haar borsten en haar kruis. Volgens [slachtoffer 1] is het zowel in haar ouderlijk huis in Oene gebeurd als haar grootouders bij hen logeerden, als in het huis van verdachte en zijn echtgenote in Klundert wanneer [slachtoffer 1] daar met haar zus aan het logeren was. De laatste keer gebeurde het in Oene. Oma en [slachtoffer 3] gingen toen uit bed waarna verdachte met zijn handen over haar borsten wreef, onder haar pyjama. Hij ging ook met zijn hand in [slachtoffer 1]’s onderbroek en wreef over haar vagina. Verdachte stopte haar hand in zijn onderbroek, waarbij [slachtoffer 1] zijn penis voelde. De laatste keer zou hebben plaatsgevonden op de ochtend voordat [slachtoffer 1] 's avonds haar moeder inlichtte.

Volgens de moeder van [slachtoffer 1], aangeefster [betrokkene 1], heeft [slachtoffer 1] het haar verteld in het eerste weekeinde van december 2011.

Verdachte heeft erkend dat hij [slachtoffer 1] eenmaal over haar vagina heeft gewreven toen zij bij verdachte en zijn echtgenote in bed kwam liggen. Zij was toen negen jaar. Hij en zijn echtgenote logeerden toen bij aangeefster en haar gezin in Oene. Dat was rond 29 november 2011, de verjaardag van [slachtoffer 2]. Nadat zijn echtgenote uit bed was gegaan, heeft verdachte [slachtoffer 1]’s blote geslachtsdeel gestreeld. Hij heeft [slachtoffer 1] toen ook laten voelen aan zijn blote geslachtsdeel. Verder heeft verdachte verklaard dat hij in datzelfde weekeinde eenmaal aan de blote borsten van [slachtoffer 1] heeft gevoeld en daar overheen heeft gewreven. Dit heeft plaatsgevonden in Oene. Hij dacht dat zij het wel lekker vond. Zelf vond hij het wel leuk.

Verdachte heeft ontkend dat hij ontuchtige handelingen met [slachtoffer 1] heeft gepleegd in Klundert, als [slachtoffer 1] bij hem en zijn vrouw logeerde.

Uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen onder “Inleidende overwegingen betreffende het bewijs in zedenzaken” volgt dat de verklaring van [slachtoffer 1] voldoende steun moet vinden in een ander (wettig) bewijsmiddel. De rechtbank maakt bij de beoordeling onderscheid tussen handelingen die hebben plaatsgevonden in Oene voor begin december 2011 en in Klundert en de handelingen die hebben plaatsgevonden in Oene in het weekeinde van begin december 2011.

- Handelingen in Oene voor begin december 2011 en in Klundert

Voor zover verdachte wordt verweten dat hij in Klundert ontuchtige handelingen bij [slachtoffer 1] heeft verricht en dat hij ook voor eerdergenoemd weekeinde in begin december 2011 in Oene bij haar dergelijke handelingen heeft verricht, is de rechtbank van oordeel dat het dossier daarvoor onvoldoende steunbewijs biedt.

Er zijn geen getuigen die de ontuchtige handelingen hebben waargenomen. Andere bewijsmiddelen waaruit verdachtes betrokkenheid rechtstreeks volgt, ontbreken.

De aangifte van [betrokkene 1], waarin [betrokkene 1] verklaart over de ontuchtige handelingen bij [slachtoffer 1] kan niet worden aangemerkt als ondersteunend bewijs nu de verklaring is gebaseerd op dezelfde bron, te weten [slachtoffer 1], en er sprake is van enig (zij het korter dan bij [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2]) tijdsverloop tussen de verweten gedragingen en het moment waarop [slachtoffer 1] daarvan bij aangeefster melding heeft gemaakt (eind 2011), alsmede het tijdstip waarop aangifte is gedaan (maart 2014). Ook voor de verklaring van [slachtoffer 3] over wat [slachtoffer 1] haar vertelde, geldt dat de verklaring van [slachtoffer 3] gebaseerd is op dezelfde bron: [slachtoffer 1]. Van belang is verder dat [slachtoffer 1] ten tijde van de verweten ontuchtige handelingen erg jong was (9 jaar) en dat zij in maart 2014 is gehoord door de politie. Gelet op de zeer jonge leeftijd en dit tijdsverloop dienen dergelijke verklaringen met voorzichtigheid te worden benaderd, te meer als (verder) steunbewijs ontbreekt.

De omstandigheid dat verdachte heeft erkend in Oene in een weekeinde (begin december 2011) een aantal keer ontuchtige handelingen bij [slachtoffer 1] te hebben gepleegd, betekent nog niet dat geen steunbewijs meer nodig zou zijn voor de andere keren die verdachte ontkent. Daarbij is van belang dat het aantal keren dat door verdachte wordt ontkend (fors) groter lijkt te zijn dan de keren die hij erkent, terwijl hij ontkent dat de handelingen ook in Klundert hebben plaatsgevonden. Tegenover de verklaringen van verdachte staan de voor verdachte belastende verklaringen van [slachtoffer 1], die – naar alle waarschijnlijkheid vanwege haar bijzonder jonge leeftijd en het tijdsverloop – niet steeds even specifiek heeft verklaard over (samengevat) de frequentie en periode van de handelingen.

Hoewel de rechtbank op zich geen reden heeft om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1] met betrekking tot ontuchtige handelingen in Oene voor zover het betreft de periode voor voornoemd weekeinde van begin december 2011 en in Klundert, is er naar het oordeel van de rechtbank gelet op het voorgaande onvoldoende steunbewijs. De rechtbank acht het plegen van ontucht door verdachte met [slachtoffer 1] in Oene voor zover het betreft de periode voor voornoemd weekeinde van begin december 2011 en in Klundert derhalve niet wettig (en overtuigend) bewezen.

- Handelingen in Oene van begin december 2011

Naar het oordeel van de rechtbank kan wel worden vastgesteld dat verdachte bij [slachtoffer 1] ontuchtige handelingen heeft gepleegd in Oene in het weekeinde van begin december 2011, omdat de belastende verklaring van [slachtoffer 1] in zoverre steun vindt in de bekennende verklaringen van verdachte. Verdachte heeft immers erkend dat hij toen in Oene over de blote vagina van [slachtoffer 1] heeft gewreven, dat hij haar hand op zijn blote penis heeft gelegd en dat hij haar blote borsten heeft betast.

Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval, anders dan de verdediging heeft aangevoerd, wel degelijk sprake van ontuchtige handelingen aangezien genoemde seksuele handelingen in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Met de eerder genoemde handelingen wordt het recht van [slachtoffer 1] op seksuele zelfbeschikking geschonden. Daarbij maakt het niet uit of verdachte zich naar zijn zeggen al dan niet heeft laten leiden, daargelaten de vraag of die verklaring van verdachte klopt.

Verdachtes opzet was ook gericht op het plegen van seksueel getinte handelingen, die als ontuchtig kunnen worden aangemerkt. Verdachte pleegde de handelingen omdat hij het wel leuk vond en dacht dat [slachtoffer 1] dat leuk en lekker vond. De rechtbank is van oordeel dat hiermee het opzet op de ontuchtige handelingen gegeven is, voor zover het opzet al niet in de beschreven handelingen zelf besloten ligt.

Toch kan deze vaststelling niet leiden tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit als bedoeld in artikel 249 Sr. Daartoe is het volgende van belang.

Verdachte en zijn vrouw logeerden het betreffende weekeinde begin december 2011 bij aangeefster en haar gezin in Oene. Uit het dossier volgt dat de ouders van [slachtoffer 1] toen ook thuis waren.

Artikel 249 lid 1 Sr houdt in:

Hij die ontucht pleegt met zijn minderjarig kind, stiefkind of pleegkind, zijn pupil, een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige of zijn minderjarige bediende of ondergeschikte, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.

De rechtbank overweegt dat een kleinkind niet valt onder de opsomming van “kind, stiefkind of pleegkind” als genoemd in artikel 249 Sr. De vraag is dan of [slachtoffer 1], zoals ten laste gelegd, aan de zorg of waakzaamheid van verdachte was toevertrouwd in de zin van voornoemd wetsartikel, toen verdachte (met zijn vrouw) bij de ouders van [slachtoffer 1] en hun gezin in Oene logeerde. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. De ouders van [slachtoffer 1] waren dat weekeinde thuis, verdachte was daar vanwege de verjaardag van een van de kleinkinderen en bleef daar vanwege de reisafstand logeren. Onder die omstandigheden kan niet worden aangenomen dat sprake is van het toevertrouwen van [slachtoffer 1] aan de zorg of waakzaamheid van verdachte in de zin van voormeld wetsartikel.

Verdachte is uitsluitend overtreding van artikel 249 Sr ten laste gelegd. Hem is niet (tevens) overtreding van een andere wettelijke bepaling (zoals artikel 247 Sr: met iemand beneden de leeftijd van 16 jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen). Nu het hier essentiële bestanddeel van artikel 249 Sr (“aan zorg of waakzaamheid toevertrouwde”) niet kan worden bewezen, dient vrijspraak te volgen. Een uitkomst die schrijnend is, vooral omdat verdachte bekend heeft in het weekeinde van begin december 2011 ontuchtige handelingen te hebben verricht bij een van zijn kleindochters. De rechtbank is echter gebonden aan de tekst van de tenlastelegging die in deze zaak alleen is gebaseerd op artikel 249 Sr. De rechtbank kan verdachte dus niet veroordelen voor een ander feit dan hem ten laste is gelegd.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte te worden vrijgesproken van feit 1.

3 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door mrs. Van der Mei, voorzitter, Kropman en Pieterse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Althoff, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 februari 2015.

Mr. Kropman en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.