Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:985

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
17-02-2014
Zaaknummer
C/05/245774/ FA RK 13-12236
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Vernietiging erkenning en vervangende toestemming erkenning. Toepassing van de minder strikte maatstaf. De man had in feite geen gelegenheid meer om stappen te ondernemen tot het verkrijgen van vervangende toestemming voor erkenning. De vrouw heeft de man op deze wijze voor een voldongen feit gesteld. De rechtbank komt tot de slotsom dat de vrouw in redelijkheid niet tot het verlenen van toestemming voor erkenning aan haar huidige echtgenoot had kunnen komen. Derhalve is de erkenning door de huidige echtgenoot van de vrouw nietig. Niet aannemelijk is geworden dat de vervangende toestemming tot erkenning een zodanige (psychische) belasting voor de vrouw teweeg zal brengen dat dit een negatieve weerslag op de verhouding tussen haar en de minderjarige zal hebben. Voorts is niet aannemelijk geworden dat de minderjarige zal worden belemmerd in een evenwichtig sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. De vrouw heeft geen argumenten aangedragen die een dergelijke conclusie zouden kunnen rechtvaardigen. Het verzoek van de man om hem vervangende toestemming tot erkenning te verlenen is voor toewijzing vatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0039

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team familierecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/245774 / FA RK 13-12236

Datum uitspraak: 12 februari 2014

beschikking

naar aanleiding van het verzoekschrift van

[naam] (nader te noemen: de man),

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. M.H.E. Janssen te Arnhem,

Belanghebbenden zijn:

- [naam] (nader te noemen: de vrouw), wonende te [woonplaats] advocaat mr. K.J. Verrips te Wageningen;

- [naam minderjarige] (nader te noemen: [naam minderjarige]), geboren op [geboortedatum] te [plaats], wonende te [woonplaats], in rechte vertegenwoordigd door de bijzonder curator mr. N. van den Berg, advocaat te Ede;

- [naam] (nader te noemen de heer [naam]), wonende te [woonplaats]

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, ingekomen op 18 juni 2013;

  • -

    de beschikking benoeming bijzonder curator van deze rechtbank d.d. 26 september 2013;

  • -

    het verweerschrift, ingekomen op 29 oktober 2013;

  • -

    het verslag en het advies van de bijzonder curator, ingekomen op 20 november 2013;

  • -

    een brief van de officier van justitie, ingekomen op 14 januari 2014.

1.2.

Gehoord ter terechtzitting met gesloten deuren van 15 januari 2014:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat voornoemd;

- namens de niet verschenen vrouw, haar advocaat voornoemd;

- de bijzonder curator voornoemd.

2 De feiten

2.1.

De man en de vrouw hebben vanaf december 2011 een affectieve relatie met elkaar gehad. Deze relatie is rond juli/augustus 2012 beëindigd. Uit deze relatie is op [geboortedatum] te [plaats] het thans nog minderjarige kind [naam minderjarige] geboren. De man heeft [naam minderjarige] niet erkend.

2.2.

De vrouw heeft een relatie met de heer [naam], die met haar toestemming [naam minderjarige] op 7 maart 2013 ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats] heeft erkend. In de geboorteakte van [naam minderjarige] zijn vadergegevens opgenomen, te weten de gegevens van de heer [naam].

2.3.

De vrouw en de heer [naam] zijn op 29 juli 2013 met elkaar gehuwd. De vrouw, de heer [naam] en [naam minderjarige] leven in gezinsverband samen.

2.4.

De man, de heer [naam] en [naam minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft de Belgische nationaliteit.

3 De verzoeken en het verweer

3.1.

De man verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen:

1. dat de vrouw dient mee te werken aan een DNA onderzoek bij het Canisius Wilhelmina Ziekenhuis te Nijmegen, met bepaling dat de kosten daarvan ten laste van de Staat komen.

2. dat, indien uit DNA onderzoek blijkt dat hij de vader is van [naam minderjarige], de reeds gedane erkenning door de heer [naam] van [naam minderjarige] wordt vernietigd en dat aan de man vervangende toestemming wordt verleend voor erkenning van [naam minderjarige].

3. dat, indien voldaan is aan de vereisten als hiervoor vermeld onder punt 1 en 2, een omgangsregeling zal worden vastgesteld tussen hem en [naam minderjarige] van een dag per week.

3.2.

Ter onderbouwing van zijn verzoeken heeft de man het volgende naar voren gebracht. Hij is er in beginsel altijd van uitgegaan dat hij de vader is van [naam minderjarige]. Hij heeft de vrouw verschillende keren, voor de geboorte van [naam minderjarige] en ook daarna, te kennen gegeven dat hij [naam minderjarige] wenst te erkennen. De man heeft foto’s overgelegd van echo’s en foto’s van hem met [naam minderjarige]. Voorts heeft hij diverse Whatsapp berichten, gewisseld tussen hem en de vrouw, overgelegd waaruit blijkt dat tussen hen is gesproken over de erkenning van [naam minderjarige]. Hij is er altijd vanuit gegaan dat de erkenning in onderling overleg geregeld zou worden en hij heeft er derhalve altijd op vertrouwd dat een en ander wel goed zou komen. Gelet op de zwangerschap van de vrouw en haar wisselende stemmingen wilde hij de vrouw evenwel ook niet teveel belasten. De man meent dat de vrouw hem niet heeft willen laten overgaan tot erkenning van [naam minderjarige] omdat zij hem zijn rechten als vader heeft willen onthouden. Volgens de man gunt de vrouw hem geen rol in het leven van [naam minderjarige]. Hij acht dit een onwenselijke situatie en hij is niet bereid om zich daarbij neer te leggen. Hij wenst [naam minderjarige] te erkennen en hij acht het in het belang van [naam minderjarige] dat zij weet wie haar vader is. De feitelijke situatie dient zo veel mogelijk in overeenstemming te zijn met de juridische situatie. Nu gebleken is dat de vrouw [naam minderjarige] door de heer [naam] heeft laten erkennen heeft de vrouw naar de mening van de man misbruik gemaakt van haar bevoegdheid. Tot slot wijst de man er op dat de affectieve relatie van de vrouw met de heer [naam] ten tijde van de erkenning van [naam minderjarige] nog pril was.

3.3.

De vrouw verzoekt de rechtbank de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren althans deze verzoeken af te wijzen. Namens haar is het volgende naar voren gebracht. Tijdens de zwangerschap van de vrouw heeft de man aangedrongen op een abortus. Ongeveer drie maanden na het begin van haar zwangerschap kreeg zij een relatie met de heer [naam]. Gelet op de bestendige en duurzame relatie heeft de heer [naam] [naam minderjarige] al voor de geboorte erkend. Hierdoor zou [naam minderjarige] na de geboorte ook meteen de Nederlandse nationaliteit verkrijgen. De heer [naam] was bij de geboorte van [naam minderjarige] aanwezig. De vrouw heeft nimmer expliciet ingestemd met de erkenning door de man. Zij heeft aangevoerd dat de door de man overgelegde Whatsapp berichten onvolledig zijn en dat er essentiële zaken zijn weggelaten. Hoewel de vrouw niet betwist dat de man de verwekker is van [naam minderjarige] dient hij gelet op het chronologische verloop te worden beschouwd als een spermadonor. Zij wenst niet mee te werken aan een eventueel DNA onderzoek. De vrouw is van mening dat de erkenning van [naam minderjarige] niet vernietigd kan en moet worden. De man behoort niet tot de in artikel 1:205 BW limitatief opgenoemde personen die de vernietiging van de erkenning kunnen verzoeken. De vrouw voert aan dat de man geen vervangende toestemming heeft gevraagd toen bleek dat zij geen toestemming gaf voor erkenning door hem. Zij heeft toestemming tot erkenning aan de heer [naam] gegeven met het oog op de belangen van [naam minderjarige] en niet om de belangen van de man te schaden. Zij acht het van belang dat [naam minderjarige] opgroeit met een aanwezige vader. [naam minderjarige] ziet de heer [naam] als haar vader. Niet uitgesloten is dat er meer kinderen binnen het gezin van de vrouw en de heer [naam] geboren zullen worden. Indien de erkenning door de heer [naam] vernietigd zou worden, acht zij het aannemelijk dat er reële risico’s zijn dat [naam minderjarige] wordt belemmerd in een evenwichtig sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. In het onderhavig geval zijn door de man geen bijzondere omstandigheden gesteld die tot de conclusie moeten leiden dat er tussen de man en [naam minderjarige] een nauwe persoonlijke betrekking is ontstaan voor de geboorte van [naam minderjarige] en evenmin dat er na de geboorte van [naam minderjarige] family life tussen [naam minderjarige] en de man is ontstaan. Een en ander neemt niet weg dat [naam minderjarige] in de toekomst zelf een verzoek tot vernietiging van de erkenning kan indienen, aldus de vrouw.

3.4.

De bijzonder curator is van mening dat het verzoek van de man tot vernietiging van de erkenning niet-ontvankelijk dient te worden verklaard dan wel dient te worden afgewezen nu de biologische vader niet is opgenomen in artikel 1:205 BW als een van degenen die gerechtigd is een vernietiging van de erkenning te verzoeken. Teneinde volledige zekerheid te krijgen omtrent het verwekkerschap van de man dient een DNA onderzoek plaats te vinden. Uitgaande van het gegeven dat de man de verwekker is, is het mogelijk dat deze in een situatie waarin hij vervangende toestemming had kunnen vragen, maar dat heeft nagelaten, met een beroep op misbruik van bevoegdheid de met toestemming van de vrouw gedane erkenning van het kind door een ander aantast, indien deze toestemming is gegeven met het oogmerk de belangen van de verwekker te schaden. Met name de door de man als wisselend ervaren opstelling van de vrouw heeft een rol gespeeld bij het niet laten erkennen door de man en het verlenen van toestemming tot erkenning aan de heer [naam]. De belangen van de man zijn door deze gang van zaken geschaad. In het algemeen is het van belang dat de feitelijke situatie en juridische omstandigheden in overeenstemming zijn met elkaar. Uit hetgeen is besproken met alle betrokkenen komt naar voren dat erkenning door de man de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met [naam minderjarige], of de belangen van [naam minderjarige], niet zou schaden. Indien vaststaat dat de man de biologische vader is, wordt geadviseerd om toestemming tot erkenning aan de man te verlenen. De grond hiervoor is gelegen in het feit dat geruime tijd gesproken is over de erkenning door de man en de vrouw en de vrouw daartegen (toen) geen bezwaar had, maar dat door persoonlijke overwegingen gelegen in de voor de vrouw teleurstellende opstelling van de man gedurende de zwangerschap, deze erkenning niet heeft plaatsgevonden. Naar aanleiding daarvan heeft erkenning door de heer [naam] plaatsgevonden. Er is geen sprake van contra-indicaties om tot vervangende toestemming over te gaan, aldus de bijzonder curator.

3.5.

De officier van justitie is van mening dat het verzoek van de man met betrekking tot het DNA onderzoek toegewezen dient te worden. Omdat de man niet eerder vervangende toestemming tot erkenning heeft gevraagd, terwijl hij daartoe wel de mogelijkheid had, moet de strikte maatstaf worden toegepast. Uit de Whatsapp berichten, noch anderszins is gebleken dat de vrouw toestemming voor erkenning aan de heer [naam] heeft gegeven met slechts het oogmerk de belangen van de verwekker te schaden. De officier van justitie is daarom van mening dat het verzoek van de man tot vernietiging van de erkenning door de heer [naam] en tot het verlenen van vervangende toestemming dient te worden afgewezen.

4 De beoordeling van de verzoeken

4.1.

De Nederlandse rechter is bevoegd van onderhavig verzoek kennis te nemen omdat de verzoeker en de belanghebbenden hun woonplaats in Nederland hebben.

4.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is inzake betreffende minderjarigen de rechter van de woonplaats van de minderjarige bevoegd. [naam minderjarige] heeft haar woonplaats bij de vrouw in [woonplaats], zodat deze rechtbank bevoegd is van de verzoeken kennis te nemen.

4.3.

De man, de heer [naam] en [naam minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft de Belgische nationaliteit. Blijkens de akte van erkenning is op de erkenning Nederlands recht toegepast.

4.4.

Op grond van artikel 10:95 BW is op de verzoeken Nederlands recht van toepassing.

Het DNA-onderzoek

4.5.

De man wenst dat een DNA-onderzoek wordt bevolen om vast te stellen dat hij de biologische vader van [naam minderjarige] is. De vrouw heeft daartegen bezwaar, omdat zij erkent dat de man de verwekker van [naam minderjarige] is. Ter zitting heeft de man verklaard dat hij er altijd van uit is gegaan dat hij de vader van [naam minderjarige] is. Dat beide partijen daarvan uit zijn gegaan, valt ook af te leiden uit de overgelegde Whatsapp berichten. Op grond hiervan ziet de rechtbank geen aanleiding een DNA-onderzoek te gelasten. Dit verzoek wordt daarom afgewezen.

Het verzoek om vernietiging van de erkenning en vervangende toestemming voor erkenning

4.6.

De rechtbank overweegt dat een moeder een door haar ongewenste erkenning van haar kind behalve door het weigeren van toestemming, ook kan tegengaan door een andere man het kind te laten erkennen.

4.7.

Het verzoek van de man om vervangende toestemming voor de erkenning van [naam minderjarige] is op 18 juni 2013 ingekomen ter griffie van deze rechtbank. De heer [naam] heeft [naam minderjarige] op 7 maart 2013 erkend. De vraag is of deze erkenning aan toewijzing van het verzoek in de weg staat.

4.8.

De rechtbank stelt het volgende voorop. De man behoort als verwekker niet tot de in artikel 1:205 BW limitatief opgesomde personen die vernietiging van de erkenning kunnen verzoeken. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van art. 1:204 lid 3 BW is het mogelijk dat de verwekker van een kind, in een situatie waarin hij vervangende toestemming tot erkenning van het kind heeft kunnen vragen maar dat heeft nagelaten, met een beroep op misbruik van bevoegdheid de met toestemming van de moeder gedane erkenning van het kind aantast, indien door de moeder toestemming tot erkenning door de niet-verwekker is gegeven met slechts het oogmerk de belangen van de verwekker te schaden in welk geval tevens sprake is van gebruik van bevoegdheid voor een ander doel dan waarvoor zij is verleend en van het ontbreken van een te respecteren belang. In gevallen waarin de verwekker niet of niet tijdig om vervangende toestemming heeft kunnen vragen, bijvoorbeeld omdat hem niet bekend was dat hij de verwekker van het betrokken kind is, kan een minder strikte maatstaf worden gehanteerd, te weten: of de moeder, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen de belangen van de verwekker bij de erkenning en de daartegenover staande belangen van de moeder — telkens in verband met de belangen van het kind — in redelijkheid tot het verlenen van toestemming aan de andere man heeft kunnen komen.

4.9.

Naar het oordeel van de rechtbank staat voldoende vast dat de man en de vrouw reeds in een vroeg stadium en op verschillende momenten tijdens de zwangerschap hebben gesproken over de erkenning van [naam minderjarige] door de man. Tot in februari 2013 hebben zij hierover in berichten met elkaar van gedachten gewisseld. Kennelijk is de vrouw daarna van gedachten veranderd, waarna [naam minderjarige] op 7 maart 2013 door de heer [naam] is erkend. Hieruit blijkt, naar het oordeel van de rechtbank, dat de man erop vertrouwde dat de erkenning in orde zou komen en dat hij daar ook op mocht vertrouwen. Pas enkele dagen voor de erkenning van [naam minderjarige] door de heer [naam] heeft de vrouw de man medegedeeld dat zij niet wilde dat hij [naam minderjarige] zou erkennen. Daardoor had de man in feite geen gelegenheid meer om stappen te ondernemen tot het verkrijgen van vervangende toestemming voor erkenning. De vrouw heeft de man op deze wijze voor een voldongen feit gesteld. De vraag is of de vrouw, in aanmerking genomen de belangen van de man als verwekker en haar daar tegenover staande belangen, telkens in verband met de belangen van [naam minderjarige], in redelijkheid tot het verlenen van toestemming voor erkenning aan de heer [naam] heeft kunnen komen.

4.10.

Het uitgangspunt is dat de man en de minderjarige er in beginsel recht op en belang bij hebben dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. De vrouw heeft als verweer aangevoerd dat de heer [naam] een aandeel heeft in de verzorging en opvoeding van [naam minderjarige] nu [naam minderjarige] tot hun gezin behoort. Erkenning door de man staat hieraan echter niet in de weg. De rechtbank komt daarom tot de slotsom dat de vrouw in redelijkheid niet tot het verlenen van toestemming voor erkenning aan de heer [naam] had kunnen komen. Dat de man “slechts” als spermadonor kan worden aangemerkt heeft de vrouw, in het licht van de contacten tussen haar en de man tijdens de zwangerschap, niet nader onderbouwd. Het heeft er alle schijn van dat de vrouw de heer [naam] slechts toestemming tot erkenning heeft gegeven om de man “buiten spel te zetten” en hem zijn uit artikel 8 lid 1 EVRM voortvloeiende aanspraak op erkenning te onthouden.

4.11.

Het voorgaande betekent dat de erkenning door de heer [naam] nietig is. In zoverre zal het verzoek van de man worden toegewezen. De vraagt ligt vervolgens voor of aan de man vervangende toestemming tot erkenning moet worden verleend.


4.12. In een procedure tot verkrijging van vervangende toestemming voor erkenning (art. 1:204 lid 3 BW stelt niet de eis dat tussen de verwekker die wil erkennen en het kind "family life" als bedoeld in art. 8 EVRM bestaat) komt het aan op een afweging van de belangen van betrokkenen, waarbij tot uitgangspunt dient te worden genomen dat zowel het kind als de verwekker aanspraak erop heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke rechtsbetrekking. Niet aannemelijk is geworden dat de vervangende toestemming tot erkenning een zodanige (psychische) belasting voor de vrouw teweeg zal brengen dat dit een negatieve weerslag op de verhouding tussen haar en [naam minderjarige] zal hebben. Voorts is niet aannemelijk geworden dat [naam minderjarige] zal worden belemmerd in een evenwichtig sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. De vrouw heeft geen argumenten aangedragen die een dergelijke conclusie zouden kunnen rechtvaardigen.

4.13.

Het verzoek van de man om hem vervangende toestemming tot erkenning te verlenen is op grond van het voorgaande voor toewijzing vatbaar.

Het verzoek met betrekking tot de vaststelling van een zorgregeling

4.14.

Ten aanzien van het verzoek van de man tot het treffen van een zorgregeling is van belang dat de man alleen in zijn verzoek kan worden ontvangen, indien tussen hem en [naam minderjarige] een nauwe persoonlijke betrekking bestaat, welk begrip op één lijn te stellen is met “family life” in de zin van artikel 8 EVRM. Voor het aannemen van “family life” is het biologisch vaderschap van de man niet voldoende. Er zal tevens moeten blijken van bijkomende omstandigheden, waaruit het “family life” kan worden afgeleid.

4.15.

De beslissing over de vraag of sprake is van family life en het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling wordt, in afwachting van het in kracht van gewijsde gaan van deze beschikking, pro forma aangehouden tot 3 juni 2014. De behandeling van dit verzoek wordt afgesplitst en wordt voor verdere behandeling verwezen naar de kinderrechter.

Ten slotte

4.16.

Er bestaat geen aanleiding om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, nu de beslissingen eerst in de registers van de burgerlijke stand zullen worden verwerkt als deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.

5 De beslissing

5.1.

De rechtbank

5.2.

verklaart nietig de erkenning door de heer [naam] geboren op

[geboortedatum]te [plaats], wonende te [woonplaats], van de minderjarige,

[naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [plaats], wonende te [woonplaats];

5.3.

verleent [naam], geboren op [geboortedatum] te [plaats], wonende te

[woonplaats], vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige

[naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [plaats], wonende te [woonplaats];

5.4.

houdt de beslissing met betrekking tot de zorgregeling pro forma aan tot 3 juni 2014,

en verwijst de zaak voor verdere behandeling naar de kinderrechter;

5.5.

wijst met uitzondering van de aangehouden beslissing het meer of anders

verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.E.M. Overkamp, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. van Arkel als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2014.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof te Arnhem.