Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:879

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13-02-2014
Datum publicatie
14-02-2014
Zaaknummer
AWB 13/3932
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijke intrekking certificaat SC-530 waardoor eiseres geen asbestwerkzaamheden meer mag uitvoeren. Eiseres betwist de door verweerster vastgestelde afwijkingen en de categorisering van deze afwijkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/3323

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Sector bestuursrecht

Locatie Arnhem

registratienummer: AWB 13/3932

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
van

inzake

[B.V.] , eiseres,

gevestigd te [vestigingsplaats], vertegenwoordigd door mr. H.G. Bouwman,

tegen

TÜV Nederland QA B.V., verweerster.

1 Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerster van 23 mei 2013.

2 Procesverloop

Verweerster heeft bij besluit van 26 maart 2013 het certificaat SC-530 van eiseres per

1 april 2013 onvoorwaardelijk ingetrokken. Dit betekent dat eiseres vanaf die datum geen asbestwerkzaamheden meer mag uitvoeren waarvoor een SC-530 certificaat verplicht is.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerster het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerster is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van

17 januari 2014. Namens eiseres zijn aldaar [namen] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door

mr. T. Segers en G. Lensink.

3 Overwegingen

De rechtbank neemt de volgende feiten, die door partijen niet betwist worden, als vaststaand aan.

Verweerster is door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SZW) aangewezen als certificerende instelling voor asbestverwijdering conform het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het Procescertificaat Asbestverwijdering (document SC-530; Stcrt. 2011, nr. 22513; hierna: de regeling). Verweerster heeft eiseres gecertificeerd als certificaathouder SC-530.

Op 27 februari 2013 is eiseres gestart met asbestverwijderingswerkzaamheden aan [adres]. Bij deze werkzaamheden is door de Deskundig Toezichthouder Asbestverwijdering (hierna: DTA) van eiseres in strijd met de regeling gehandeld. Zo is asbesthoudend materiaal van het dak af gegooid en gebroken en is in het werkgebied geveegd met een bezem. Een medewerker toezicht en handhaving van de gemeente Druten heeft geconstateerd dat het werk niet correct uitgevoerd werd. Hij heeft hiervan melding gemaakt bij verweerster. Op 28 februari 2013 heeft een inspecteur van SZW ter plaatse geconstateerd dat er werd geveegd en dat er stukken asbest waren gebroken. Hij heeft hiervan een rapport van bevindingen opgemaakt. Op 11 maart 2013 heeft verweerster aan eiseres het voornemen aangekondigd tot onvoorwaardelijke intrekking van het certificaat SC-530. Eiseres heeft tegen het voornemen zienswijzen ingediend. Vervolgens heeft verweerster bij besluit van 26 maart 2013 de zienswijzen van eiseres weerlegd en het certificaat SC-530 van eiseres per 1 april 2013 onvoorwaardelijk ingetrokken.

Aan die intrekking heeft verweerster de volgende vier afwijkingen van de toetseisen in bijlage H van de regeling ten grondslag gelegd: 1: afwijking op toetseis 6: het werkplan is niet volledig ingevuld (o.a. de situatietekening ontbreekt);

2: afwijking op toetseis 35b: onnodige breuk als gevolg van het naar beneden gooien van dakbeschot, het door een medewerker breken van op de grond gegooide platen en het vegen van het werkgebied;

3: afwijking op toetseis 36: er wordt geveegd in het werkgebied;

4: afwijking op toetseis 55b: de afvoerprocedure voor asbestafval is niet correct uitgevoerd.

Ingevolge de tabel in bijlage H bij de regeling is afwijking 1 een categorie III-afwijking. Afwijking 2, 3 en 4 zijn categorie II-afwijkingen.

Eiseres kan zich niet verenigen met de onvoorwaardelijke intrekking van het SC-530 certificaat en heeft zich op het standpunt gesteld dat de door verweerster gevolgde procedure onzorgvuldig is geweest. Eiseres stelt dat verweerster zelf geen enkel onderzoek heeft uitgevoerd en ten onrechte de bevindingen van de gemeente en de Inspectie SZW niet nader heeft onderzocht.

Verweerster verwijst naar artikel 5.5.4.2. van de regeling en voert aan dat zowel de gemeente Druten als de Inspectie SZW onderzoek hebben gedaan en een uitgebreide onderbouwing hebben aangeleverd, inclusief fotomateriaal. Daarom was nader onderzoek niet noodzakelijk.

Ingevolge artikel 5.5.4.2 van de regeling kan, indien onderzoeken door toezichthoudende overheidsinstellingen leiden tot proces-verbaal, rapport van bevindingen of een boeterapport direct aan de hand van Bijlage H worden bepaald of sprake is van een of meer afwijkingen. Desnoods wordt nader onderzoek verricht door de certificerende instelling (CKI). Het is ook mogelijk dat de CKI alleen melding krijgt van de toezichthoudende overheidsinstellingen. In dat geval zal de CKI (bij een voldoende duidelijk en onderbouwde melding) zelf onderzoek moeten doen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerster heeft mogen oordelen dat het onderzoek van de gemeente Druten en de Arbeidsinspectie SZW zodanig was dat nader eigen onderzoek niet meer nodig was. Met name het onderzoek van de Inspectie SZW is uitgebreid onderbouwd met fotomateriaal alsmede een uitvoerig rapport van bevindingen.

Eiseres heeft verder gesteld dat verweerster niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 5.5.4.4 omdat bij categorie II of categorie III afwijkingen altijd een extra beoordeling door de CKI op kantoor of projectlocatie volgt.

De rechtbank volgt eiseres niet in deze stelling. Verweerster heeft er in dit verband terecht op gewezen dat het bepaalde in paragraaf 5.5.4.4 er toe strekt dat het CKI achteraf beoordeelt of de door de certificaathouder getroffen corrigerende maatregelen het beoogde effect hebben gehad. Indien sprake is van een categorie I-afwijking is daartoe geen aanleiding nu dit leidt tot intrekking van het certificaat en aldus van (op de toekomst gerichte) corrigerende maatregelen geen sprake meer zal zijn.

Eiseres betwist de door verweerster vastgestelde afwijkingen en de categorisering van deze afwijkingen. Ten aanzien van de eerste afwijking voert eiseres aan dat er geen afwijking bestaat, omdat het werkplan volledig is ingevuld, inclusief plattegrondschets van de locatie. Voor zover er een afwijking bestaat omdat de situatieschets niet is ingetekend door de DTA, is er sprake van een afwijking van toetseis 16, categorie IV: DTA volgt het werkplan niet op.

Wat betreft de tweede, derde en vierde afwijking heeft eiseres de hieraan ten grondslag liggende constateringen in zoverre betwist dat zij het er niet mee eens is dat dezelfde feiten steeds opnieuw gekwalificeerd worden. Zo wordt tweemaal het vegen met de bezem genoemd, net als het breken van de asbestplaten.

Verweerster is van opvatting dat de vier afwijkingen zijn gebaseerd op feitelijke constateringen die juist zijn gecategoriseerd. Verweerster betwist dat het bij de tweede, derde en vierde afwijking steeds gaat om dezelfde feiten. Zij wijst op de indeling van bijlage H. De laatste drie afwijkingen betreffen de toetseisen 35b, 36 en 55b. Uit de indeling van bijlage H blijkt dat dit steeds een andere fase van de asbestverwijdering betreft, zodat het om andere feiten gaat en de kwalificaties naast elkaar toegepast moeten worden. Bij toetseis 35b gaat het erom dat geen brongerichte emissiebeperkende maatregelen worden toegepast bij werkzaamheden in openlucht condities. Toetseis 36 betreft de eindreiniging van de locaties en oppervlakken. In toetseis 55b gaat het om de correcte uitvoering van de uitsluis- en afvoerprocedure voor het asbestafval.

Ingevolge artikel 5.5.2.3 van de regeling zal, indien op een bepaald moment meerdere feiten worden geconstateerd die in verschillende van de onder paragraaf 5.5.2.1 en 5.5.2.2 genoemde categorieën vallen, het feit uit de zwaarste categorie bepalend zijn voor de door de certificatie-instelling te treffen sanctie.

De rechtbank stelt vast dat bij de uitvoering van het project asbestplaten naar beneden zijn gegooid, asbestplaten zijn gebroken en dat met een veger is geveegd. Dat blijkt ook uit de foto’s van de gemeente Druten en de Inspectie SZW, alsmede het proces-verbaal. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder mogen oordelen dat dit betekent dat bij het verwijderen van de dakplaten en deze naar beneden te gooien geen brongerichte emissiebeperkende maatregelen zijn toegepast. Voorts heeft verweerster het vegen terecht gekwalificeerd als het niet overeenkomstig de regels eindreinigen van de locatie. Ten slotte heeft verweerster mogen oordelen dat de asbestplaten niet op een juiste wijze zijn afgevoerd, onder meer door ze te breken en niet meteen af te voeren. Er is derhalve geen sprake van dubbeltellingen.

Wat betreft de eerste afwijking (toetseis 6) is de rechtbank van oordeel dat deze geen bespreking behoeft. Zelfs indien zou moeten worden geoordeeld dat deze categorie III-afwijking ten onrechte aan het besluit tot intrekking van het certificaat ten grondslag is gelegd, kan dit niet leiden tot de slotsom dat verweerster niet tot intrekking had kunnen overgaan. Er is sprake van een drietal categorie II-afwijkingen die op grond van de regelgeving worden omgezet in één categorie I-afwijking. Deze afwijking brengt reeds mee dat tot intrekking van het certificaat kan worden overgegaan. Het standpunt van eiseres ter zitting, inhoudende dat de (gestelde) overtreding van toetseis 6 haar in de toekomst nog zou kunnen worden tegengeworpen, volgt de rechtbank niet. Zoals volgt uit het bepaalde in paragraaf 5.5.2.3 blijven geconstateerde afwijkingen gedurende de periode van één jaar op de escalatieladder staan. Nu (ook) de onvoorwaardelijke intrekking geldt voor de duur van een jaar, dient te worden geoordeeld dat eiseres, indien zij na 1 april 2014 in aanmerking komt voor een nieuw certificaat, met een schone lei begint.

Eiseres wijst er voorts op dat verweerster in een eerdere situatie bij een ander bedrijf geconstateerde afwijkingen heeft gematigd conform de beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving, omdat deze afwijking voornamelijk te wijten was aan een deskundig asbestverwijderaar. Eiseres is van opvatting dat de feiten en omstandigheden overeen komen, zodat nu ook tot matiging moet worden overgegaan.

Verweerster stelt zich op het standpunt dat de beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving niet van toepassing is op de intrekking van een SC-530 certificaat. De eerdere toepassing van de beleidsregel berustte op een abuis.

De rechtbank is van oordeel dat de beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving niet van toepassing is op de intrekking van een SC-530 certificaat. Dat verweerster in een eerdere casus deze beleidsregel per abuis op geconstateerde afwijkingen heeft toegepast, doet hier niet aan af. Verweerster is vanwege dit eenmalige abuis niet gehouden de beleidsregel nu weer toe te passen.

Voor zover door eiseres is aangevoerd dat verweerster haar belangen niet voldoende heeft meegewogen in de besluitvorming overweegt de rechtbank dat op pagina 164 van de toelichting op bijlage I van de regeling de volgende overweging is opgenomen: “De intrekking van het certificaat is bij een afweging van de betrokken belangen al snel gerechtvaardigd. Bij een afweging van de belangen van mensen dat hun gezondheid en leven niet in gevaar wordt gebracht door blootstelling aan asbestvezels en het belang van het bedrijf om zijn werkzaamheden te kunnen verrichten, wegen de belangen van de gezondheid en het leven van mensen altijd zwaarder. Het feit dat het intrekken van het certificaat zal leiden tot het einde van de activiteiten is, gezien de belangen, proportioneel. Het einde van de activiteiten is dan ook een aanvaard gevolg en geen reden om het certificaat niet in te trekken”.

Ter zitting heeft eiseres bevestigd dat zij verantwoordelijk is voor het handelen van de door haar ingehuurde DTA. Eiseres stelt echter dat in de voorliggende procedure sprake is van een DTA die moedwillig de geldende voorschriften niet heeft gevolgd. Eiseres acht het niet redelijk dat alleen zij daarvoor door middel van de onvoorwaardelijke intrekking wordt gestraft. Eiseres stelt alles in het werk te hebben gesteld om de geconstateerde problemen meteen op te lossen. Daarnaast is eiseres van mening dat de certificering van de DTA ook zou moeten worden ingetrokken.

De rechtbank stelt voorop dat de vraag of de certificering van de betrokken DTA moet worden of is ingetrokken geen omstandigheid is die verweerster bij haar oordeel of het SC‑530 certificaat van eisers moet worden ingetrokken, dient te betrekken. Dat staat los van elkaar, te meer nu verweerster ter zitting heeft verklaard dat zij de certificering van de betrokken DTA niet kan intrekken omdat die bevoegdheid bij een ander CKI ligt. Daarnaast heeft verweerster verklaard een melding te hebben ingediend bij de desbetreffende persoonscertificaat verlenende instelling.

Gelet op voormelde beoordelingskader van verweerster bij de intrekking als hier aan de orde, is de rechtbank van oordeel dat verweerster in hetgeen door eiseres is aangevoerd geen aanknopingspunten heeft hoeven zien voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die zodanig zijn dat verweerster op grond daarvan anders had moeten beslissen.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4 Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. A.G.A. Nijmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op .

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: