Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:847

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
11-02-2014
Zaaknummer
05/740105-13, 05/800036-13 (gev. ttz.) en 05/038055-13 (vord. tul.)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft vier jongemannen tot (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraffen veroordeeld ter zake van poging tot afdreiging van een vader van één van hen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummers: [jw.sys.1.verdachte_1_parketnummer]05/740105-13, 05/800036-13 (gev. ttz.) en 05/038055-13 (vord. tul.)

Uitspraak d.d. 4 februari 2014

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte/zoon slachtoffer],

geboren te[geboortedatum],

wonende te [woonplaats].

Raadsman: mr. A.A. Dooijeweerd, advocaat te Zutphen.

Voeging

Ter terechtzitting van 21 januari 2014 heeft de rechtbank in het belang van het onderzoek de voeging bevolen van de bij afzonderlijke dagvaardingen onder de parketnummers 05/740105-13 en 05/800036-13 tegen verdachte aangebrachte zaken.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13 november 2013 en 21 januari 2014.

De tenlastelegging

Nadat op de terechtzitting van 21 januari 2014 de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 05/740105-13 is aangepast op de voet van het in artikel 314a Wetboek van Strafvordering bepaalde en vervolgens is gewijzigd, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

Parketnummer 05/740105-13

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 augustus 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Winterswijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (van 40.000 euro), in elk geval van enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan die[slachtoffer 1] voornoemd, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), hierin bestaande dat verdachte en/of diens mededader(s) (meermalen) per telefoon met die[slachtoffer 1] contact heeft/hebben opgenomen en/of aan die[slachtoffer 1] sms-bericht(en) heeft/hebben gestuurd en/of (daarbij) die[slachtoffer 1] heeft/hebben medegedeeld (zakelijk weergegeven):

* dat verdachte en/of diens mededader(s) een (groen) (geld)kistje van die[slachtoffer 1] heeft/hebben ontvreemd en/of

* dat die[slachtoffer 1] een geldbedrag van 40.000 euro aan verdachte en/of diens mededader(s) moet betalen in ruil voor dit kistje en/of de inhoud van dit kistje en/of onder de dreiging dat anders de inhoud van dit kistje (bestaande uit (een aantal) (compromitterende) foto(’s) en/of film(s) en/of

cd-rom(s)) in de openbaarheid gebracht wordt en/of verspreid wordt door verdachte en/of diens mededader(s) en/of

* dat dit geldbedrag op een door verdachte en/of diens mededader(s) bepaalde locatie moet worden gedeponeerd,

waardoor die[slachtoffer 1] werd gedwongen tot bovengenoemde afgifte, althans tot

afgifte van enig geldbedrag;

art 318 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 augustus 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Winterswijk, althans in Nederland, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag (van 40.000 euro), in elk geval van enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan die[slachtoffer 1] voornoemd, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met zijn mededader(s), althans alleen, met voormeld oogmerk

- ( meermalen) per telefoon met die[slachtoffer 1] contact heeft opgenomen en/of

aan die[slachtoffer 1] sms-bericht(en) heeft gestuurd en/of

- ( daarbij) die[slachtoffer 1] heeft medegedeeld (zakelijk weergegeven):

* dat verdachte en/of diens mededader(s) een (groen) (geld)kistje van die [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] heeft/hebben ontvreemd en/of

* dat die[slachtoffer 1] een geldbedrag van 40.000 euro aan verdachte en/of diens

mededader(s) moet betalen in ruil voor dit kistje en/of de inhoud van dit

kistje en/of onder de dreiging dat anders de inhoud van dit kistje

(bestaande uit (een aantal) (compromitterende) foto(s) en/of film(s) en/of

cd-rom(s)) in de openbaarheid gebracht wordt en/of verspreid wordt

door verdachte en/of diens mededader(s) en/of

* dat die[slachtoffer 1] dit geldbedrag van zijn rekening moet opnemen en/of

* dat die[slachtoffer 1] (daartoe) een afspraak bij de/een bank moet maken en/of

* dat die[slachtoffer 1] dit geldbedrag (voor de overdracht) moet deponeren op

een door verdachte en/of diens mededader(s) bepaalde locatie, en/of

- ( vervolgens) die[slachtoffer 1] (of een door/namens die[slachtoffer 1]

ingeschakelde tussenpersoon) nadere informatie heeft gegeven over die locatie

en/of nadere instructies heeft gegeven over de wijze waarop het geldbedrag

moet worden gedeponeerd en/of

- ( vervolgens) het door/namens die[slachtoffer 1] gedeponeerde

geldbedrag/ (geld)pakket heeft opgepikt/opgeraapt en/of heeft meegenomen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 45 lid 1 wetboek van strafrecht

art 318 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 26 mei 2013 te Markelo, gemeente Hof van Twente, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 26 mei 2013 tot en met 14 augustus 2013 te

Winterswijk, in elk geval in Nederland, een portemonnee met inhoud heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die portemonnee wist dat het (een) door misdrijf verkregen

goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 26 mei 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Markelo, gemeente Hof van Twente, en/of Winterswijk, in elk geval in Nederland, opzettelijk een portemonnee met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als vinder van die portemonnee, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 14 augustus 2013 te Winterswijk, een busje pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met (een) giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) van de categorie II, onder 6°, voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

Parketnummer 05/800036-13

hij op of omstreeks 17 augustus 2012 te Winterswijk opzettelijk mishandelend zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking stond, althans een persoon, te weten [slachtoffer 1], meerdere malen, althans éénmaal (met kracht) (met de vuist) op/tegen/in het gezicht, althans het hoofd heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het aan verdachte onder parketnummer

05/740105-13 onder 1 primair en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het aan verdachte onder parketnummer 05/740105-13 onder 1 subsidiair, 2 meer subsidiair en 3 en het onder parketnummer 05/800036-13 ten laste gelegde. Ter zitting heeft hij de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

Verdachte heeft zich ten aanzien van het onder 05/740105-13 onder 1 ten laste gelegde voornamelijk op zijn zwijgrecht beroepen.

Ten aanzien van het onder parketnummer 05/740105-13 onder 1 primair en subsidiair heeft de raadsman - kort gezegd - vrijspraak bepleit, één en ander zoals verwoord in zijn overgelegde pleitnota. De raadsman heeft ten aanzien van het primair tenlastegelegde primair aangevoerd dat er geen sprake is van een voltooid delict, zodat reeds om die reden vrijspraak dient te volgen.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat er diverse dwangmiddelen jegens verdachte zijn toegepast, terwijl er formeel nog geen verdenking tegen verdachte bestond. Al het vervolgens vergaarde bewijs is aldus onrechtmatig verkregen en dient derhalve te worden uitgesloten van het bewijs. De raadsman heeft subsidiair aangevoerd dat bij een eventuele betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde hij moet worden gezien als zoon die heeft gereageerd op een situatie die zijn vader heeft gecreëerd. Een en ander moet aldus in een ander perspectief te worden gezien.

Op deze verweren en hetgeen overigens is aangevoerd, wordt hieronder – voor zover relevant – ingegaan.

Ten aanzien van het onder parketnummer 05/740105-13 onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit. Er is geen bewijs voor diefstal van de portemonnee door verdachte. Evenmin is sprake van heling, omdat verdachte niet wist dat de door hem gevonden portemonnee van diefstal afkomstig is. Er is voorts geen aanleiding om de verklaring van verdachte, dat hij slechts vergeten is de door hem gevonden portemonnee naar de politie te brengen, niet te volgen. Daarom is er evenmin sprake van verduistering.

Ten aanzien van het onder parketnummer 05/740105-13 onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit, omdat de overtuiging ontbreekt. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat in de lade van een dressoir in de woonkamer van de woning van verdachte pepperspray is aangetroffen. Verdachte ontkent dat het busje met pepperspray van hem is. De lade van de dressoir is voor een ieder bereikbaar en benaderbaar.

Ten aanzien van het onder parketnummer 05/800036-13 ten laste gelegde, heeft de raadsman vrijspraak bepleit omdat er onvoldoende bewijs is. Aangever heeft verklaard dat hij is geslagen door [verdachte/zoon slachtoffer] en dat hij letsel heeft bij zijn lip, terwijl de verbalisant ook letsel ziet op de wang van aangever. Verdachte ontkent echter dat hij zijn vader heeft geslagen en zegt dat hij hem slechts een duw heeft gegeven. De getuige [medeverdachte 1] heeft een vrijwel eensluidende verklaring afgelegd.

Beoordeling door de rechtbank1

Parketnummer 05/740105-13

Feit 1:

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eén en ander is hieronder verhalenderwijs weergegeven.

Bespreking vooraf van enkele verweren

Namens verdachte is aangevoerd dat tijdens het onderzoek ten onrechte een verband is gelegd tussen de telefoonnummers [x]), [x]) en [x]) en het IMEI-nummer [x], welk IMEI-nummer behoort bij de telefoon die eigendom is van [andere zoon slachtoffer1]. De bevindingen ten aanzien van dit IMEI-nummer en de overige bevindingen die zijn gerezen, hebben aldus niet kunnen en mogen bijdragen aan een verdenking jegens verdachte en zij hebben evenmin mogen leiden tot de inzet van dwangmiddelen.Verder zij verwezen naar de pleitnotities van de raadsman op dit punt.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Het verweer berust kennelijk op een onjuiste lezing van het betreffende proces-verbaal waarin een en ander wordt uiteengezet. Dat [x] en [x] aan IMEI-nummer [x] kunnen worden gekoppeld, volgt uit de zogenaamde HISTO gegevens van deze nummers.2 Ten aanzien van [x] volgt zulks ook uit de tapgegevens.3 Ten onrechte was aanvankelijk per abuis vermeld, dat zulks ook gold voor [x].4

Het verweer van de raadsman dat er ten onrechte dwangmiddelen (observaties en gebruik van de imsi-catcher) jegens verdachte en zijn medeverdachten zijn ingezet op een moment dat hij formeel nog geen verdachte was, wordt eveneens verworpen. Het verweer gaat kennelijk uit van de stelling dat alleen tegen een verdachte een bevel tot stelselmatige observatie kan worden gegeven danwel dat alleen tegen een verdachte een zogenaamde imsi-catcher kan worden ingezet. Dat is niet het geval. Het bevel tot stelselmatige observatie en het bevel om een imsi-catcher in te zetten, kan (reeds) worden ingezet ingeval van verdenking van een misdrijf in het belang van het onderzoek. Met de (na te melden) aangifte was de verdenking een gegeven. Dat de inzet van dit middel nodig was, is genoegzaam uit betreffende stukken gebleken.

Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat de uiteindelijke aanhouding van verdachte onrechtmatig is geweest omdat daaraan geen redelijk vermoeden van schuld ten grondslag heeft gelegen, wordt dit betoog eveneens verworpen. De rechter-commissaris heeft de inverzekeringstelling rechtmatig bevonden en derhalve geoordeeld dat op dat moment sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat aan toetsing van die beslissing van de rechter-commissaris in de weg.

Algemene bevindingen

Op 26 juli 2012 heeft [slachtoffer 1] (hierna:[slachtoffer 1]), te weten de vader van [verdachte/zoon slachtoffer], aangifte gedaan van diefstal uit zijn woning. Bij die inbraak, gepleegd terwijl hij op vakantie was en waarbij toen uitsluitend zijn beide zoons zich in zijn woning bevonden, zou uitsluitend een groen (geld)kistje met daarin (compromitterende) foto’s, films, en cd-roms zijn weggenomen.5

Op donderdag 8 augustus 2013 heeft[slachtoffer 1] wederom aangifte gedaan. [slachtoffer 1] verklaart dan dat hij op 7 augustus 2013 omstreeks 22:30 uur op zijn huistelefoon werd gebeld6 en een mannenstem hoorde die zei dat hij het jaar daarvoor het groene kistje had ontvreemd, dat hij wist wat in het kistje zat, dat[slachtoffer 1] 40.000 euro moest betalen om het kistje terug te krijgen en dat hij geen contact met de politie mocht opnemen. De beller zei vervolgens dat hij morgenavond terug zou bellen en dat hij nog te horen zou krijgen waar en wanneer de overdracht van het geld en het kistje zou gaan plaatsvinden.[slachtoffer 1] schatte de leeftijd van de man op ongeveer 20 jaar. Het leek[slachtoffer 1] alsof de man de tekst oplas van een briefje.7


Op 8 augustus 2013 werd naar aanleiding van deze tweede aangifte een opsporingsonderzoek gestart.8

Uit de historische verkeersgegevens (HISTO) van het telefoonnummer van [slachtoffer 1] blijkt dat het (eerste) telefoongesprek op 7 augustus 2013 omstreeks 22:36 uur is gevoerd door een persoon die daarbij gebruik maakte van het telefoonnummer [x]).9 Uit de historische gegevens blijkt verder dat de beller gebruik maakte van een telefoontoestel met het IMEI-nummer [x] en dat de mastlocatie ten tijde van het contact [adres] was.10

Vervolgens wordt op 8 augustus 2013 omstreeks 23:43 uur opnieuw telefonisch contact opgenomen met[slachtoffer 1]. Omdat het telefoonnummer van[slachtoffer 1] op dat moment wordt getapt, wordt het gesprek opgenomen. In dit gesprek geeft de beller opnieuw aan dat hij 40.000,- euro van[slachtoffer 1] wil, dat[slachtoffer 1] een afspraak moet maken met de bank om het geld op te halen en dat anders de inhoud van het kistje zal worden verspreid.11 Bij dit gesprek maakt de beller gebruik van een ander telefoonnummer, namelijk van het telefoonnummer [x]), maar wel van hetzelfde telefoontoestel, namelijk het toestel met IMEI-nummer [x].12 Ook de mastlocatie is gelijk aan de eerdere locatie, namelijk de mast aan de [adres].13

Op 9 augustus 2013 om 00:28 uur wordt[slachtoffer 1] per sms-bericht naar zijn mobiele telefoonnummer gesommeerd om de volgende dag naar de bank te gaan en een afspraak te maken om de maandag of dinsdag erna het geld op te halen.14 Er wordt wederom gebruik gemaakt van een ander telefoonnummer, dit keer telefoonnummer [x]), maar het gebruikte toestel is wederom hetzelfde, namelijk het toestel met IMEI-nummer [x]. De bij het contact gebruikte mastlocatie betreft de locatie aan de [adres].15

Onder regie van de politie sms’t[slachtoffer 1] vervolgens op 9 augustus 2013 om 01:00 uur terug dat hij naar de bank zal gaan maar dat hij dan ook echt alle spullen terug wil.16 Op

9 augustus 2013 laat[slachtoffer 1] om 20:47 uur per sms-bericht weten dat hij naar de bank is geweest en dat hij kan zorgen dat de beller woensdagavond het geld heeft.17

Ruim anderhalf uur later wordt[slachtoffer 1] wederom gebeld, dit keer door iemand die gebruik maakt van het telefoonnummer [x]). Daarbij wordt gebruik gemaakt van een ander IMEI-nummer, namelijk IMEI [x], en van de mastlocatie aan de[adres].18 De beller zegt tegen[slachtoffer 1] dat hij die woensdag om 15.00 uur naar de bank moet, dat hij zijn mobiele telefoon mee moet nemen, dat hij het geld moet opnemen en vervolgens bij de bank moet wachten op verdere instructies.19[slachtoffer 1] zal zijn spullen terug krijgen als hij zich aan de afspraken houdt, maar de beller waarschuwt dat de inhoud van het kistje gelijk zal worden verspreid als de politie of iets anders verdacht wordt waargenomen.20

Kort daarna volgt een sms-bericht, van hetzelfde telefoonnummer, dat[slachtoffer 1] nergens bang voor hoeft te zijn, dat er niets zal gebeuren en dat als hij zich aan de afspraken houdt zij dat ook zullen doen en hij nooit meer van ze zal horen.21

Op 13 augustus 2013, om 23:22 uur, wordt met hetzelfde telefoonnummer ([x]) en hetzelfde IMEI-nummer (IMEI [x]) dat is gebruikt op 9 augustus 2013 gebeld naar[slachtoffer 1].22 De eerdere instructies, ga naar de bank, haal het geld en wacht buiten de bank op verdere instructies, worden in dit gesprek herhaald.[slachtoffer 1] zegt zelf in dit gesprek dat hij een vriend gaat vragen het geld te brengen, omdat hij zelf niet durft. Vervolgens wordt de verbinding verbroken. Een half uur later volgt wederom een sms-bericht waarin de afspraak om de volgende dag om 15.00 uur bij de bank te zijn en daar te wachten op verdere instructies wordt herhaald.23 Verder wordt medegedeeld dat het groene kistje morgen op een locatie zal liggen die pas bekend zal worden gemaakt als het geld is gedropt.24[slachtoffer 1] wordt gesommeerd binnen een kwartier te laten weten of hij akkoord gaat of niet en ook de naam van de bank waar hij het geldbedrag gaat opnemen te laten weten. Als er geen antwoord terug komt of het antwoord langer dan een kwartier duurt, wordt dat als een “nee” beschouwd, en bij “nee” zal de inhoud van het kistje overal waar mogelijk worden verspreid, aldus het sms-bericht.25[slachtoffer 1] bericht vervolgens terug dat het allemaal is geregeld bij de ING.

Op 14 augustus 2013, de afgesproken dag van de geldoverdracht, vinden alle contacten met[slachtoffer 1] plaats met hetzelfde IMEI-nummer dat de vorige dag gebruikt is, te weten IMEI [x], maar met wederom een niet eerder gebruikt nummer, namelijk [x]). De enige uitzondering daarop is het eerste contact. Om 15:07 uur sms’t[slachtoffer 1] namelijk naar het telefoonnummer dat de 13e is gebruikt, [x],: “waar ben je? Ben met geld bij de bank. Wacht nog 5 minuten”.

Vervolgens wordt[slachtoffer 1] omstreeks 15.19 uur gebeld door [x] en krijgt hij instructies over de te rijden route. In dat gesprek geeft[slachtoffer 1] te kennen dat hij zelf niet in staat is om het geld te droppen en dat een vriend van hem dit gaat doen.26 Er volgen vervolgens meerdere gesprekken en uiteindelijk krijgt[slachtoffer 1] van de beller de opdracht om aan zijn vriend in de auto door geven dat hij via de Kottenseweg naar een plek moet rijden waar een blauw bord staat met “Aalten” erop. Voor het bord moet de vriend stoppen en bij de railing, bij een tunnel, moet de vriend het geldpakket naar beneden laten vallen. Vervolgens moet hij een stukje verder rijden en daar wachten op verdere instructies over het verkrijgen van het geldkistje.27

In de auto van[slachtoffer 1] zit op dat moment geen vriend, maar een geldloper van de politie. Hij heeft een geprepareerde geldpakket, voorzien van namaakbriefgeld bestaande uit biljetten van 100 en 500 euro en één echt 100 euro biljet, afkomstig van[slachtoffer 1], bij zich. Naar aanleiding van de telefoongesprekken rijdt de geldloper de door de beller opgedragen route en stopt hij uiteindelijk op de Rondweg Zuid te Winterswijk ter hoogte van de fietstunnel van de Oude Bocholtsebaan. Daar stapt hij uit en laat hij het geldpakket naar beneden vallen, op het fietspad Oude Bocholtsebaan.28 Vervolgens stapt de geldloper in de auto en rijdt weg; het is dan 16:15 uur.

Nabij de fietstunnel, op het fietsgedeelte van de Oude Bocholtsebaan, staat dan al sinds 15:58 uur een crossmotor met bestuurder geparkeerd.29 Nadat de geldloper het geldpakketje heeft laten vallen, rijdt de bestuurder van de crossmotor naar pakketje toe, pakt het op en rijdt vervolgens vol gas weg in de richting van Winterwijk. Meteen daarna wordt deze bestuurder op de Jachthuisweg in Winterswijk aangehouden.30 Het gedropte geldpakket heeft hij op dat moment bij zich.31 vervolgens blijkt dat [medeverdachte 2] de bestuurder van de crossmotor is.32

Resumé van de algemene bevindingen

Bovenstaand is wat zich naar het oordeel van de rechtbank – in grote lijnen – heeft afgespeeld in de periode van 7 augustus 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Winterswijk (en deels elders in Nederland).

Op grond van de geschetste feiten en omstandigheden kan wettig en overtuigend worden bewezen dat in die periode één of meerdere personen contact hebben gezocht met[slachtoffer 1] en daarbij, met het oogmerk om zichzelf dan wel een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hebben gedreigd om de inhoud van een eerder gestolen (groen) geldkistje, te weten compromitterende foto’s en/of films en/of cd’roms, in de openbaarheid te brengen en te verspreiden (en daarmee een geheim te openbaren), tenzij[slachtoffer 1] 40.000 euro van zijn bankrekening zou opnemen en dit zou deponeren op een door hem of hen bepaalde locatie.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van een poging tot het afdreigen van die[slachtoffer 1]. Naar aanleiding van het eerste telefoongesprek op 7 augustus 2013 is Van de aar immers naar de politie gegaan. Hierdoor kan niet gezegd worden dat[slachtoffer 1] zich heeft laten dwingen tot afgifte van de geëiste 40.000 euro. Integendeel,[slachtoffer 1] heeft zich juist niet laten chanteren, maar heeft de politie ingeschakeld. De politie heeft vervolgens buiten medeweten van de beller(s) om de regie overgenomen, hetgeen heeft geleid tot het droppen van het geldpakket onder regie van de politie. Dat er zich in dat geldpakket een echt geldbiljet vond toebehorende aan[slachtoffer 1], betekent nog niet dat daardoor sprake is van een voltooide afdreiging. Gelet op de regie die op dat moment gevoerd werd, heeft[slachtoffer 1] immers naar alle waarschijnlijkheid het biljet in het geldpakket heeft gestopt omdat hem dat gevraagd of gezegd is door de politie en niet omdat hij zich daartoe door de beller gedwongen voelde. De conclusie is dan ook dat[slachtoffer 1] slachtoffer is geworden van een poging tot afdreiging.

Duiding van de algemene bevindingen ten aanzien van de verdachten

Vervolgens is thans de vraag of het [verdachte/zoon slachtoffer], [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] (hierna bij hun voornamen aan te duiden) zijn geweest die zich schuldig hebben gemaakt aan deze poging tot afdreiging.

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.

Bij het beantwoorden van deze vraag is voor de rechtbank “het startpunt” het telefoontoestel met IMEI [x]. In dit telefoontoestel hebben namelijk verschillende simkaartjes gezeten met welke nummers op 7 en 8 augustus 2013 diverse malen contact is gezocht met[slachtoffer 1]. Het telefoontoestel met IMEI [x] is op 14 augustus 2013 in de woning aan de [adres] inbeslaggenomen.33 Dit toestel is van [andere zoon slachtoffer1] (de andere zoon van aangever).34 [andere zoon slachtoffer1] heeft daarover verklaard dat hij zijn telefoon de week voor zijn aanhouding (op 17 augustus 2013) twee of drie keer heeft uitgeleend aan zijn broer [verdachte/zoon slachtoffer].35 Volgens [andere zoon slachtoffer1] is de telefoon de eerste keer, nadat [verdachte/zoon slachtoffer] daarover een bericht had gestuurd, opgehaald door [medeverdachte 2].36 Blijkens de Whatsapp-berichten uit de telefoon van [verdachte/zoon slachtoffer] is dat geweest op 6 augustus 2013, de dag voor het eerste telefoongesprek.37 Nog dezelfde avond heeft [medeverdachte 2] de telefoon weer teruggebracht naar [andere zoon slachtoffer1]. [andere zoon slachtoffer1] heeft verder verklaard dat hij zijn telefoon daarna nog een aantal keer heeft uitgeleend aan zijn broer, waarbij zowel [verdachte/zoon slachtoffer] als [medeverdachte 1] wel eens de telefoon op heeft gehaald en [medeverdachte 3] een keer de bestuurder van de auto was waarmee de telefoon werd opgehaald.38

Op grond van de verklaring van de vriendin van [andere zoon slachtoffer1], [vriendin andere zoon slachtoffer], in relatie tot de op de telefoon van [verdachte/zoon slachtoffer] aangetroffen Whatsapp-berichten, kan vervolgens worden vastgesteld wanneer dat is geweest. [vriendin andere zoon slachtoffer] namelijk heeft verklaard dat [verdachte/zoon slachtoffer] de telefoon van [andere zoon slachtoffer1] heeft geleend op het moment dat de ouders van [medeverdachte 3] op vakantie waren, dat [verdachte/zoon slachtoffer] appte met [andere zoon slachtoffer1] dat de telefoon zou worden opgehaald en dat [verdachte/zoon slachtoffer] vervolgens samen met [medeverdachte 3] en waarschijnlijk [medeverdachte 1] de telefoon is komen halen. Nog dezelfde avond heeft zij [verdachte/zoon slachtoffer] een Whatsapp-bericht gestuurd met daarin de vraag wanneer de telefoon terug zou komen. De telefoon is vervolgens terug gebracht door [medeverdachte 1].39 Uit de Whatsapp-berichten op de telefoon van [verdachte/zoon slachtoffer] blijkt dat het door [vriendin andere zoon slachtoffer] genoemde bericht op 7 augustus 2013 om 22:14 uur is binnen gekomen bij [verdachte/zoon slachtoffer] en dat hij op 23:13 uur heeft geantwoord dat de telefoon dadelijk zou worden gebracht.40

Als gezegd blijkt uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [slachtoffer 1] dat het bewuste telefoongesprek op 7 augustus 2013 omstreeks 22:36 uur is gevoerd en dat daarbij gebruik is gemaakt van het telefoontoestel met IMEI-nummer [x], het toestel van [andere zoon slachtoffer1]. Dit toestel was op dat moment geleend door [verdachte/zoon slachtoffer], eerder opgehaald door in ieder geval [verdachte/zoon slachtoffer] en [medeverdachte 3] en is niet veel later terug gebracht door [medeverdachte 1]. Het gebruikte telefoonnummer op 7 augustus 2013 (NN [x]) betrof een prepaid-nummer, is door [x] geleverd aan een verkoper in Winterswijk en is kort voor het gesprek voor het eerst geactiveerd: 22:33 uur.41

Hetzelfde geldt voor het nummer waarmee op 8 augustus 2013 contact is gelegd, [x]. Dit nummer is gekocht in Winterswijk en is op 8 augustus 2013 om 23:36 uur voor het eerst geactiveerd, waarna met dit nummer om 23:43 contact is gelegd met[slachtoffer 1], gebruik makend van de telefoon van [andere zoon slachtoffer1] (IMEI [x]). Ook het nummer waarmee het sms-bericht op 9 augustus 2013 om 00:28 uur is verstuurd, ([x]), is gekocht in Winterswijk, is kort daarvoor (00:19 uur geactiveerd) en is voor het sturen van de sms gestopt in het toestel van [andere zoon slachtoffer1].42

Gelet op de verklaring van [andere zoon slachtoffer1] dat hij zijn toestel in die periode twee keer aan [verdachte/zoon slachtoffer] en één keer aan [medeverdachte 1] heeft uitgeleend43 alsmede het bericht van [verdachte/zoon slachtoffer] aan [medeverdachte 1] op 8 augustus 2013 omstreeks 23:04 uur dat hij naar zijn broertje gaat en “dat ding pakt”44 gaat de rechtbank ervan uit dat het telefoon met IMEI [x] op 7, 8 en 9 augustus 2013 ten behoeve van de gesprekken met[slachtoffer 1] is opgehaald bij [andere zoon slachtoffer1] door [verdachte/zoon slachtoffer] en [medeverdachte 1], in gezelschap van [medeverdachte 3]. Gelet op het verband met hetgeen daarna is gebeurd kan, bij ontbreken van aannemelijke verklaring, het ophalen van de telefoon op 6 augustus 2013 – omstreeks de ten laste gelegde periode – door [medeverdachte 2] niet anders worden uitgelegd dan dat dit eveneens ten behoeve van de gesprekken met[slachtoffer 1] is gebeurd. Dit betekent dat alle vier de verdachten in wisselende samenstelling en met wisselende rollen een rol hebben gehad bij het regelen, halen en brengen van de telefoon van [andere zoon slachtoffer1] waarna die telefoon is gebruikt bij de contacten met[slachtoffer 1].

Voorts is van belang dat[slachtoffer 1] in zijn aangifte van 8 augustus 2013 heeft verklaard dat het bij het eerste gesprek met de afdreiger leek alsof die voorlas van een briefje.

Op 14 augustus 2013 is bij een doorzoeking in de woning van [medeverdachte 3] aan de [adres]een handgeschreven brief in beslaggenomen. In die brief staat onder meer:

weet je nog dat er vorig jaar bij jou is ingebroken. Ik ben één van de daders. En weet je wat er toen gestolen is? Dat groene kistje en de inhoud daarvan heb ik nog steeds in mijn bezit. (…) Als je de politie erbij haalt en één van ons wordt opgepakt, en onthoudt, ik ben niet alleen, dan zal ik de inhoud van het groene kistje verspreiden. Je belt morgen de bank op om voor deze week een afspraak te maken om de 40.000 eraf te pinnen. Morgen zal ik opnieuw contact met je opnemen om te horen wanneer de afspraak is.45

Naar het oordeel van de rechtbank vertoont deze brief opvallend veel overeenkomsten met het gesprek zoals door[slachtoffer 1] is weergegeven. Gelet op die overeenkomsten en het feit dat[slachtoffer 1] meteen heeft gezegd dat het leek alsof er werd voorgelezen van een briefje, gaat de rechtbank ervan uit dat dit briefje is gebruikt bij het gesprek tussen de afdreigers en[slachtoffer 1] op 7 augustus 2013.

Op het blaadje met de bovenstaande tekst, aangetroffen op de kast van de slaapkamer van [medeverdachte 3]46, zijn diverse vingerafdrukken gevonden. Uit het dactyloscopisch onderzoek blijkt dat op de achterzijde twee vingerafdrukken zijn aangetroffen die geïndividualiseerd zijn op afdrukken van [verdachte/zoon slachtoffer], te weten afdrukken van zijn rechterwijsvinger en rechtermiddelvinger.47 Op de achterzijde van de brief werd tevens een afdruk gevonden die geïndividualiseerd is naar de linkermiddelvinger van [medeverdachte 3].48 Op de voorzijde van de brief werd een vingerafdruk aangetroffen die geïndividualiseerd is naar de linkerpink van [medeverdachte 2].49

Aan de verklaringen van [medeverdachte 3], [verdachte/zoon slachtoffer] en [medeverdachte 2] dat hun vingerafdrukken op het briefje moeten zijn gekomen toen er nog niets opstond, gaat de rechtbank voorbij. Die verklaring(en) schuift de rechtbank in het licht van de overige onderzoeksresultaten als ongeloofwaardig terzijde.

Er is forensisch schriftonderzoek uitgevoerd naar de brief. Uit het onderzoek blijkt dat de tekst van de brief met zeer hoge waarschijnlijkheid is geschreven door [verdachte/zoon slachtoffer].50

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt dit de conclusie dat [verdachte/zoon slachtoffer], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] alle drie te linken zijn aan het briefje waarmee het eerste gesprek is gevoerd.

Het tweede én derde gesprek, op 8 en 9 augustus 2013, is getapt en daarmee opgenomen. Deze gesprekken zijn vergeleken met een gesprek dat gevoerd is via het telefoonnummer [x], van welk telefoonnummer [medeverdachte 1] heeft verklaard dat dit zijn nummer is.51 Op basis van stemvergelijking concluderen de desbetreffende verbalisanten allereerst dat de gesprekken op 8 en 9 augustus 2013 door dezelfde persoon zijn gevoerd. Voorts concluderen zij dat de stem van de gebruiker van het telefoonnummer van [medeverdachte 1] sterk overeenkomt met de stem van de afdreiger op 8 en 9 augustus 2013.52 Nu niet is gebleken dat [medeverdachte 1] zijn telefoon heeft uitgeleend op 9 augustus 2013, de dag van de gesprekken waarmee de vergelijking heeft plaatsgevonden, én het zijn telefoonnummer betreft, concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 1] de vergelijkende gesprekken heeft gevoerd en dus ook dat er sterke overeenkomsten zijn tussen de stem van [medeverdachte 1] en die van de afdreiger. Hoewel van [medeverdachte 1] geen vingerafdrukken zijn aangetroffen op de brief, zijn er daarmee sterke aanwijzingen dat hij de gesprekken op 8 en 9 augustus heeft gevoerd.

Ook [medeverdachte 1] is daarmee op indirecte wijze te linken aan de gevonden dreigbrief op de kamer van [medeverdachte 3].

Daarnaast heeft onderzoek uitgewezen uit dat op 14 augustus 2013 te 13:20 uur in het toestel met [x] een andere simkaart werd geplaatst, te weten het meergenoemde [x]. [x] betreft het toestel van [medeverdachte 1], dat hij ook bij zich droeg tijdens zijn aanhouding.53 Dit betekent dat het telefoonkaartje waarmee op 14 augustus 2013 contact is gelegd met[slachtoffer 1] die dag eerst gedurende korte tijd in het toestel van [medeverdachte 1] heeft gezeten.

Op 14 augustus 2013, de dag van de geldoverdracht, vinden als gezegd alle contacten plaats met telefoonnummer [x]. Dit nummer is die dag om 13:13 uur geactiveerd.54 In de woning van [medeverdachte 3] is in de grijze vuilcontainer de simkaarthouder en handleiding aangetroffen, volgens de verpakking behorende bij telefoonnummer [x].55 In het rapport dactyloscopisch onderzoek wordt geconcludeerd dat de vingerafdruk op de simkaarthouder geïndividualiseerd is op een afdruk van [verdachte/zoon slachtoffer].56

De contacten tussen dit nummer en[slachtoffer 1] vinden die dag plaats tussen 15:19 uur en het moment van droppen van het geld, 16:15 uur. Het nummer [x] maakt daarbij gebruik van een telefoontoestel met [x]. Door middel van de imsi-catcher is die dag tussen 13:20 uur en 16:14 uur dertien keer vastgesteld dat het toestel met [x] zich bevond aan de [adres] ter hoogte van het perceel [adres], zijnde de woning van [medeverdachte 3].57 Gelet op deze tijdspanne concludeert de rechtbank dat de gesprekken de 14e zijn gevoerd vanuit de woning van [medeverdachte 3].

Het observatieteam heeft die dag waargenomen dat [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [verdachte/zoon slachtoffer] met een Mini Cooper om 12:24 uur bij de woning van [medeverdachte 3] arriveren58 en dat [medeverdachte 2] om 12.50 uur met zijn crossmotor arriveert.59 Vervolgens nemen zij waar dat [medeverdachte 3] de woning om 14:41 uur verlaat en in de Mini Cooper wegrijdt. Om 14:46 uur verlaat ook [medeverdachte 2] de woning en vertrekt op zijn crossmotor.60 Dit leidt vervolgens tot de conclusie dat [verdachte/zoon slachtoffer] en [medeverdachte 1] alleen zijn achtergebleven in de woning van [medeverdachte 3], hetgeen overigens ook door [verdachte/zoon slachtoffer] is verklaard bij de politie,61 terwijl vanuit deze woning kort daarna de gesprekken met[slachtoffer 1] zijn gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarom vast dat [medeverdachte 1] en [verdachte/zoon slachtoffer] vanuit de woning van [medeverdachte 3] de gesprekken op 14 augustus 2013 hebben gevoerd.

Vervolgens wordt waargenomen dat [medeverdachte 3] in de Mini Cooper naar de locatie rijdt waar[slachtoffer 1] om 15.00 uur wordt geacht het geld op te halen, [adres].[slachtoffer 1] moet rond 15.00 uur bij de ING zijn, [medeverdachte 3] parkeert daar ter hoogte van de ABN-Amro. Waargenomen wordt dat [medeverdachte 3] daar uitstapt en in de richting van de auto[slachtoffer 1] kijkt. Als [medeverdachte 3] vervolgens weer instapt en wegrijdt, staat zijn auto daarna een tijdje geparkeerd op de[adres]. De crossmotor met daarop [medeverdachte 2] wordt rond die tijd, vanaf 15:58 uur, waargenomen nabij de fietstunnel die onder de ringweg Zuid doorloopt.62 Bij die fietstunnel wordt rond dat tijdstip het geldpakketje verwacht.

Op basis van de in de telefoon van [medeverdachte 3] aangetroffen Whatsapp-berichten concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] op[slachtoffer 1] hebben staan wachten. Zo zegt [medeverdachte 3] om 15:17 uur dat hij voor de ABN wacht, reageert [medeverdachte 2] dan “jaa, laat hem aanmaken”, om vervolgens zelf te sturen “dat wachten kk lang duurt” en zegt [medeverdachte 1] om 15:53 uur dat “ze moeten opletten” en om 15:54 uur dat “ze allebei klaar moeten gaan staan”.63

Daarna wordt om 16:02 uur waargenomen dat [medeverdachte 3] de Kottenseweg en daarna de Rondweg Zuid op rijdt.64 Dit is precies de locatie waar even later[slachtoffer 1] geacht wordt te rijden. Waarom [medeverdachte 3] niet langer afwacht, blijkt ook uit de Whatsapp: hij moet gaan, zijn oma belt en ze komen hem nu halen om op vakantie te gaan. Naar [medeverdachte 2] appt [medeverdachte 1] vanaf 16:06 uur enkele malen dat hij moet blijven wachten, waarop [medeverdachte 2] bevestigd antwoordt.65 Als om 16:15 uur het pakketje wordt gedropt, rijdt [medeverdachte 2] op zijn crossmotor ernaar toe en neemt het mee. Hij heeft dan een kwartier gewacht.

Naar aanleiding van het onderzoek zijn de telefoons van [verdachte/zoon slachtoffer], [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in beslaggenomen. In al deze telefoons is aangetroffen eenzelfde foto van[slachtoffer 1]. Deze foto is in alle telefoons op hetzelfde moment opgeslagen, namelijk op 13 augustus 2013 te 19:56 uur.66

Ten aanzien van [medeverdachte 1] geldt nog dat het onderzoek heeft uitgewezen, dat op een aan hem toe te schrijven telefoon(nummer) [x] op 14 augustus 2013 omstreeks 14:00 uur de volgende zoekvragen zijn gesteld67:

“als je belt kunnen ze dan traceren waar je bent

Weten ze bij 112 als je belt waar je dan bent?

hoe snel kan de politie traceren

Hoe traceer de politie/FBI een telefoon”

Ten aanzien van [medeverdachte 3] geldt ten slotte nog dat het onderzoek heeft uitgewezen, dat[betrokkene] op 13 augustus 2013 te 23:42 uur aan [medeverdachte 3] heeft ge-appt: “Morgen heb je money of zit je vast”.68 [betrokkene] verklaart daarover dat hij van [medeverdachte 3] had gehoord, dat er iets ging gebeuren waardoor hij veel geld zou hebben.69

Resumé

Naar het oordeel van de rechtbank staat op grond van het bovenstaande buiten redelijke twijfel vast dat [verdachte/zoon slachtoffer], [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] gezamenlijk hebben geprobeerd om[slachtoffer 1] af te dreigen. Waar [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben verklaard dat zij van niets wisten, acht de rechtbank dat alleen al op grond van de vingerafdrukken, het ophalen van de telefoon, de genoemde berichten in de telefoon en de aangetroffen foto’s uitgesloten. Indien zij een kleiner aandeel hebben gehad, kan dat van belang zijn bij het bepalen van de strafmaat, maar voor wat betreft de bewezenverklaring geldt dat zij naar het oordeel van de rechtbank volledig op de hoogte zijn geweest van al hetgeen is gepland en voorgevallen.

Eenieder heeft een zodanige bijdrage aan het plan om[slachtoffer 1] een aanzienlijke hoeveelheid geld af te dreigen geleverd, dat zonder enige twijfel alle vier de verdachten als medeplegers kunnen worden aangemerkt. Er is sprake geweest van een bewuste en nauwe samenwerking op heel veel verschillende tijdsmomenten.

Verweer betreffende het juiste perspectief?

Namens verdachte is ten slotte aandacht gevraagd, zo het tot een bewezenverklaring mocht komen, om een en ander te zien in het juiste perspectief. Aangever zou een en ander hebben gecreëerd en zijn zoon, verdachte, zou daar op hebben gereageerd.

De rechtbank stelt voorop dat verdachte ontkent en geen enkele opening van zaken heeft wensen te gegeven. Hetgeen overigens zijn goed recht is. Wat de beweegredenen om verdachte zijn geweest om zijn vader af te dreigen, is niet duidelijk geworden. De rechtbank houdt er voor dat het puur om geldelijk gewin is gegaan. Om nu met wat algemene, vage en suggestieve bewoordingen een deel van de schuld in de schoenen van aangever te schuiven, gaat naar het oordeel van de rechtbank alle perken te buiten.

Feit 2:

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

[slachtoffer 2] heeft op 27 mei 2013 aangifte gedaan van diefstal van zijn portemonnee. Zijn portemonnee was op zaterdagavond 25 mei 2013 gestolen in discotheek [naam disco] in Markelo. Het betrof een zwart lederen portefeuille, een herenmodel. In zijn portemonnee zaten zijn ID-kaart, ABN/AMRO bankpas, een Salland zorgpas, zijn ov-chipkaart, zijn Ajax clubkaart en geld, ongeveer 10 euro en 11 [naam disco] muntjes.70

Op 14 augustus 2013 werd bij een doorzoeking in de woning van verdachte aan de [adres] een portemonnee gevonden en in beslag genomen. In de portemonnee zaten een ID-kaart ten name van [slachtoffer 2], een AH bonuskaart, een kaart ticket box ten name van[slachtoffer 2], een Chasin memberkaart, een OV chipkaart ten name van [slachtoffer 2], een insurance kaart ten name van [slachtoffer 2] en een pasje scholengemeenschap ten name van[slachtoffer 2].71

Verdachte heeft bij de politie verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij één week voor zijn aanhouding op 14 augustus 2013 een portemonnee heeft gevonden in het park achter de Hema in Winterswijk. Hij wilde de portemonnee nog naar de politie brengen. Dit was slechts mogelijk tussen tien en twaalf uur en hij was er nog niet aan toegekomen om de portemonnee naar de politie te brengen.72

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of en zo ja welk misdrijf dit oplevert. Uit de Whatsapp-berichten in de telefoon van verdachte kan worden opgemaakt dat hij op zaterdagavond 25 mei 2013 – de avond van de diefstal – in discotheek [naam disco] in Markelo is geweest. Ter terechtzitting van 21 januari 2014 heeft verdachte dit ook niet ontkend.73 Nu er evenwel geen andere bewijsmiddelen voorhanden zijn die steun kunnen geven aan de stelling dat het verdachte is geweest die de portemonnee heeft gestolen, is de enkele aanwezigheid van verdachte in de voormelde discotheek onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen van de diefstal. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder parketnummer 05/740105-13 onder 2 primair tenlastegelegde, te weten van diefstal.

De rechtbank is verder van oordeel dat er in het dossier evenmin wettig en overtuigend bewijs voorhanden is, waaruit blijkt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan heling. Verdachte heeft een gestolen portemonnee voorhanden gehad, maar dat hij dit moest of redelijkerwijs moest vermoeden, kan niet worden vastgesteld. De rechtbank zal verdachte eveneens vrijspreken van het onder parketnummer 05/740105-13 onder 2 subsidiair tenlastegelegde, te weten van heling.

De rechtbank is van oordeel dat wél kan worden bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering van de portemonnee. Uitgaande van de verklaring van verdachte dat hij de portemonnee een week voor zijn aanhouding had gevonden in een park en dat hij de portemonnee naar de politie wilde brengen, overweegt de rechtbank het volgende. Het bevreemdt de rechtbank dat verdachte een portemonnee vindt met daarin belangrijke persoonlijke passen, zoals een ID-kaart en OV Chipkaart en dat hij die een week thuis zou hebben laten liggen, zonder dat hij contact heeft opgenomen met de politie of de eigenaar van de portemonnee. In de portemonnee bevond zich namelijk een pas van de scholengemeenschap met daarop de naam en adresgegevens van de eigenaar. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank verdachte niet in zijn verklaring dat hij de portemonnee naar de politie wilde brengen en heeft verdachte zich de portemonnee dus toegeëigend.

Geconcludeerd kan aldus worden dat verdachte onbeheerde roerende zaken heeft gevonden, als bedoeld in artikel 5:5 van het Burgerlijk Wetboek en dat hij van die vondst niet, in strijd met dat wettelijk voorschrift, met bekwame spoed aangifte heeft gedaan (bij de politie en/of de gemeente). Dergelijk nalaten en het zich vervolgens toe-eigenen van die zaken levert verduistering op.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 05/740105-13 onder 2 meer subsidiair tenlastegelegde, te weten verduistering, heeft gepleegd.

Feit 3:

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 14 augustus 2013 werd bij een doorzoeking in de woning van verdachte aan de [adres] in een lade van een dressoir in de woonkamer een busje pepperspray gevonden en in beslag genomen.74 Tijdens de doorzoeking heeft de moeder van verdachte, [moeder van verdachte], verklaard dat de inhoud van de lade van haar zoon, verdachte, was.75

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat het in beslag genomen voorwerp een gasbusje is dat volgens Duits opschrift gevuld is met pepperspray. Het gasbusje is een voorwerp, dat is gevuld met pepperspray (Oleorisin Capsicum), zijnde een giftige en/of een verstikkende en/of weerloosmakende of traanverwekkende of soortgelijke stof. Het voorwerp is een wapen in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie II onder 6, van de Wet wapens en munitie.76

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder parketnummer 05/740105-13 onder 3 tenlastegelegde. Het verweer van de raadsman dat het busje pepperspray niet van verdachte is, en de lade voor een ieder bereikbaar en benaderbaar is, verwerpt de rechtbank omdat de moeder van verdachte heeft verklaard dat de lade in de dressoir van verdachte is. Niet aannemelijk is dat een ander dan verdachte het busje in zijn lade heeft gelegd.

Parketnummer 05/800036-1377

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Getuige [slachtoffer 1] heeft bij de politie verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij woonachtig is aan de [adres]. Op 17 augustus 2012, omstreeks 18:10 uur, kwam zijn zoon (hierna: verdachte) bij hem. Getuige zag dat verdachte zijn rechtervuist balde en hem een volle klap op zijn bovenlip gaf. Getuige viel achterover en hij voelde pijn. Hij voelde dat hij bloedde. Vervolgens zag getuige dat verdachte weer een vuist maakte en eenzelfde klap gaf op zijn linkerwang. Getuige voelde weer pijn.78

In het proces-verbaal van bevindingen is vermeld dat verbalisanten op 17 augustus 2012, omstreeks 18:54 uur, in de woning van getuige waren. Verbalisanten zagen dat de linkerwang van getuige rood en gezwollen was en dat er een klein wondje op die plek was te zien dat matig bloedde.79

De rechtbank is grond op van het voorgaande van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte getuige twee keer heeft geslagen in het gezicht. Het door de verbalisanten geconstateerde letsel past ook bij de door getuige omschreven toedracht.

Het verweer van de verdediging dat er alleen is geduwd, verwerpt de rechtbank gelet op het letsel van getuige. Dat getuige [medeverdachte 1] de verklaring van verdachte heeft bevestigd, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel, nu verdachte en [medeverdachte 1] respectievelijk eerst op 19 en 20 november 2012 zijn gehoord en daardoor de ruimschoots gelegenheid hebben gehad om hun verklaringen op elkaar af te stemmen. Daarbij komt dat onduidelijk is waarom vader[slachtoffer 1] enerzijds over het aandeel van zijn zoon zou liegen, terwijl hij anderzijds geen aangifte wenst te doen, hij als getuige is gehoord en de officier van justitie ambtshalve tot vervolging is overgegaan.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

Parketnummer 05/740105-13

1.

subsidiair

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 augustus 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Winterswijk, althans in Nederland, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met openbaring van een geheim, [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag (van 40.000 euro), toebehorende aan die[slachtoffer 1] voornoemd, met zijn mededaders met voormeld oogmerk

- (meermalen) per telefoon met die[slachtoffer 1] contact heeft opgenomen en

aan die[slachtoffer 1] sms-bericht(en) heeft gestuurd en (daarbij) die[slachtoffer 1] heeft medegedeeld (zakelijk weergegeven):

* dat verdachte en/of diens mededader(s) een (groen) (geld)kistje van die[slachtoffer 1] heeft/hebben ontvreemd en

* dat die[slachtoffer 1] een geldbedrag van 40.000 euro aan verdachte en diens mededader(s) moet betalen in ruil voor dit kistje en de inhoud van dit kistje en onder de dreiging dat anders de inhoud van dit kistje (bestaande uit (een aantal) (compromitterende) foto(s) en film(s) en cd-rom(s)) in de openbaarheid gebracht wordt en/of verspreid wordt

door verdachte en/of diens mededader(s) en

* dat die[slachtoffer 1] dit geldbedrag van zijn rekening moet opnemen en

* dat die[slachtoffer 1] (daartoe) een afspraak bij de/een bank moet maken en

* dat die[slachtoffer 1] dit geldbedrag (voor de overdracht) moet deponeren op een door verdachte of diens mededader(s) bepaalde locatie, en - (vervolgens) die[slachtoffer 1] (of een door/namens die[slachtoffer 1] ingeschakelde tussenpersoon) nadere informatie heeft gegeven over die locatie en nadere instructies heeft gegeven over de wijze waarop het geldbedrag

moet worden gedeponeerd en - (vervolgens) het door/namens die[slachtoffer 1] gedeponeerde

geldbedrag/ (geld)pakket heeft opgepikt/opgeraapt en/of heeft meegenomen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

meer subsidiair

hij in de periode van 26 mei 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Winterswijk, opzettelijk een portemonnee met inhoud, toebehorende aan een ander dan aan verdachte, welke goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten als vinder van die portemonnee, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

3.

hij op 14 augustus 2013 te Winterswijk, een busje pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof van de categorie II, onder 6°, voorhanden heeft gehad;

Parketnummer 05/800036-13

hij op 17 augustus 2012 te Winterswijk opzettelijk mishandelend zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking stond, te weten [slachtoffer 1], meerdere malen, (met kracht) (met de vuist) in het gezicht, heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Parketnummer 05/740105-13:

Feit 1 subsidiair: Medeplegen van poging tot afdreiging;
Feit 2 meer subsidiair:Verduistering;

Feit 3: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens

en munitie.

Parketnummer 05/800036-13

Mishandeling, begaan tegen zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor het onder parketnummer

05/740105-13 onder 1 subsidiair, 2 meer subsidiair en 3 en het onder parketnummer 05/800036-13 ten laste gelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen, waarvan 143 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht en met een proeftijd van twee jaren. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf moeten de bijzondere voorwaarden van reclasseringstoezicht en een meldplicht worden gekoppeld. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd een werkstraf voor de duur van 180 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 dagen hechtenis, op te leggen. De officier van justitie heeft bij de strafeis rekening gehouden met de justitiële documentatie van verdachte.

De raadsman heeft bij een eventuele bewezenverklaring bepleit dat de door de officier van justitie gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden gematigd. De bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht is niet zinvol. Als bijzondere voorwaarde zou kunnen worden opgelegd begeleiding door Stichting Jongerenopvang Doetinchem of een soortgelijke instelling. De raadsman heeft bepleit een werkstraf op te leggen.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich met zijn mededaders schuldig gemaakt aan poging tot afdreiging van zijn vader. Er zijn telefoongesprekken gevoerd en sms-berichten verzonden, waarin werd aangegeven dat zij de beschikking hadden over belastend en compromitterend materiaal voor aangever en zijn (ex-) partner. Deze informatie dreigde verdachte en diens mededaders prijs te geven aan de openbaarheid, tenzij aangever een geldbedrag van 40.000 euro zou betalen. Verdachte en zijn mededaders zijn zeer berekenend met de voorbereiding van deze actie bezig geweest en hebben het plan bedacht om door middel van het gebruik van verschillende nieuwe simkaarten de dreigtelefoontjes te plegen, zodat hun identiteit niet bekend zou worden. Verdachte heeft samen met zijn mededaders een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangever. Het is bij een poging is gebleven, omdat er sprake was van een gecontroleerde actie door de politie. Echter, vanuit het perspectief van de verdachte en zijn mededaders gezien, ging het om een voltooide afdreiging. De rechtbank zal met deze omstandigheid rekening houden.

Gelet op de ernst van het feit en de uiterst berekenende wijze waarop te werk is gegaan, komt de rechtbank tot het oordeel dat geen andere straf dan een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf gerechtvaardigd is. Verdachte heeft nota bene zijn eigen vader in grote problemen trachtte te brengen.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn vader en aan verduistering. Daarnaast heeft verdachte een busje pepperspray voorhanden gehad. De rechtbank houdt ook met deze feiten rekening.

De rechtbank houdt verder rekening met de justitiële documentatie van verdachte op

29 oktober 2013, waaruit blijkt dat verdachte vaker is veroordeeld voor vermogensdelicten, waaronder het medeplegen van oplichting in februari 2013. Verdachte laat zich aan die veroordelingen en de daarin begrepen waarschuwingen blijkbaar niets gelegen liggen.

De rechtbank houdt verder rekening met het rapport van de reclassering van 10 januari 2014. In dit rapport is vermeld dat uit het onderzoek van het GGnet en NIFP naar voren komt dat betrokkene problemen heeft ten aanzien van impulsregulatie, probleembesef en probleemhantering en zelfbeheersing. In sociaal opzicht kan betrokkene zich moeilijk staande houden. Vanwege een gebrek aan probleembesef- en inzicht en een daarmee gepaard gaand gebrek aan motivatie, is betrokkene tot op heden weinig beïnvloedbaar/veranderbaar gebleken, ook niet vanuit de bijzondere (schorsings)voorwaarden zoals die op 18 november 2013 zijn opgelegd. Betrokkene lijkt een moeilijke jongen die zich niet op nauwelijks aan afspraken houdt, waarbij de rapporteur de indruk heeft dat er veel externe druk nodig is. Factoren die een verandering in de weg staan zijn de verleiding om “gemakkelijk” geld te verdienen te weerstaan, zijn persoonlijkheidsproblematiek en vaardigheidstekorten. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat. Betrokkene moet mogelijk eerst op andere wijze de consequenties van zijn gedrag ervaren, voordat hij zijn houding verandert en hij bereid is om zijn leefsituatie te wijzigen. Vanuit de reclassering kan geen gedegen plan van aanpak worden opgesteld dat voldoende recht doet aan zowel de achterliggende problematiek als het delictgedrag.

Ter terechtzitting is gehoord [coach], werkzaam als straat- en lifecoach bij stichting Radar. Zij heeft aangegeven dat zij betrokkene niet herkent in het rapport van de Reclassering. Betrokkene heeft positieve stappen gezet. Het zijn kleine stappen, maar hij zet die stappen wel. Betrokkene wil een opleiding gaan volgen en hij moet nog een werkstraf uitvoeren voor een andere veroordeling. Hij komt zijn afspraken goed na. De begeleiding bestaat uit het voeren van gesprekken met[coach], [medewerker jeugdopvang] van de Stichting Jeugdopvang Doetinchem en [ervaringsdeskundige], die ervaringsdeskundige is. Ook heeft betrokkene hulp bij het aanpakken van zijn schulden.[coach] heeft ten slotte aangegeven dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de positieve ontwikkeling van verdachte zal doorkruisen.

Alle bovenstaande omstandigheden in aanmerking nemend, ziet de rechtbank aanleiding om in aanzienlijke mate af te wijken van de eis van de officier van justitie en geen werkstraf maar een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van langere duur op te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit geen andere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van aanzienlijke duur. Dat dit de geschetste positieve ontwikkeling van verdachte wellicht zal doorkruisen, is spijtig maar betekent nog niet dat daarom met een werkstraf kan worden volstaan. Daarvoor is het feit te ernstig en te berekenend gepleegd. Voor wat betreft de hoogte van de op te leggen straf merkt de rechtbank op dat zij aansluiting heeft gezocht bij afdoeningen waarbij sprake was van afpersing dan wel diefstal met bedreiging van geweld, waarbij enerzijds in strafmatigende zin rekening is gehouden met de omstandigheid dat hier (bij feit 1) geen sprake is geweest van enige geweldscomponent, alsmede met het feit dat de strafdreiging op 312 Sr. en 317 Sr. als gronddelict negen (9) jaar gevangenisstraf bedraagt en op 318 Sr. vier (4) jaar gevangenisstraf, doch anderzijds in strafverhogende zin dat hier geen sprake is geweest van een impulsieve, onbezonnen en/of eendaagse actie, maar juist van een gecoördineerde, berekende en geplande actie over meerdere dagen gepleegd, waarbij telkens opnieuw de beslissing is genomen om door te gaan met hetgeen was opgestart.

De rechtbank zal verdachte derhalve opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden, waarvan 6 (zes) maanden met aftreok van de tijd die door verdachte reeds in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank de voorwaarden verbinden van een verplicht reclasseringscontact en een meldplicht.

In beslag genomen voorwerpen

Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de rechtbank over de in beslag genomen mobiele telefoon, een wensbrief en 2 brieven dient te beslissen (nummers 2, 10 en 11 op de beslaglijst).

De officier van justitie heeft gevorderd om de onder verdachte in beslag genomen goederen, op de lijst van inbeslagname genummerd onder 10 en 11 verbeurd te verklaren en onder 2

terug te geven aan verdachte;

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de telefoon dient te worden teruggegeven aan de verdachte, omdat deze telefoon niet is gebruikt voor de afdreiging.

De navolgende in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

beslaglijst nummer:

- 10 briefpost, Wensbrief voor justitie, registratienummer: I-1

- 11 2.00 STK Briefpost, 2 handgeschreven brieven, J1, J1A, J2 EN J2A,

volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het onder parketnummer 05/740105-13 onder 1 subsidiair bewezenverklaarde is begaan en voorbereid. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

De rechtbank zal van het navolgende in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

beslaglijst nummer

- 2 1.00 STK Telefoontoestel Kl: Zwart, IPhone, registratienummer: [x], de teruggave gelasten aan verdachte, nu niet is gebleken dat ook deze telefoon is gebruikt bij de voorbereiding en/of uitvoering van het bewezenverklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Nu is bewezen verklaard dat verdachte zich opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dient de bij vonnis van de politierechter in rechtbank Gelderland, locatie Zutphen van 27 mei 2013 (parketnummer 05/038055-13) voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van 40 uren ten uitvoer gelegd te worden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen:

10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 33, 33a, 45, 47, 57, 91, 300, 310, 318 en 321 van het Wetboek van Strafrecht,

- de artikelen 26, 55 en 56 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder parketnummer 05/740105-13 onder 1 primair en 2 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart bewezen dat verdachte het onder parketnummer 05/740105-13 onder 1 subsidiair, 2 meer subsidiair en 3 en het onder parketnummer 05/800036-13 tenlastegelegde heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:


Parketnummer 05/740105-13:

Feit 1 subsidiair: Medeplegen van poging tot afdreiging;

Feit 2 meer subsidiair: Verduistering;

Feit 3: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet

wapens en munitie.

Parketnummer 05/800036-13

Mishandeling, begaan tegen zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat.

 verklaart verdachte strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren de navolgende algemene- dan wel bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

 legt als algemene voorwaarden op dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 legt als bijzondere voorwaarden op dat de veroordeelde:

  • -

    zich op uitnodiging meldt bij de jeugdreclassering en zich blijft melden zo frequent en zolang de reclassering dit gedurende de proeftijd noodzakelijk acht;

  • -

    zich houdt aan de afspraken en aanwijzingen die hem door de reclassering worden gegeven;

 geeft genoemde reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;

 beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 10 briefpost, Wensbrief voor justitie, registratienummer: I-1

- 11 2.00 STK Briefpost, 2 handgeschreven brieven, J1, J1A, J2 EN J2A;

 gelast de teruggave van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp aan veroordeelde, te weten:

- 2 1.00 STK Telefoontoestel Kl: Zwart, IPhone, registratienummer: [x];

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te rechtbank Gelderland van 27 mei 2013 (parketnummer 05/038055-13), te weten van: een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Van der Mei, voorzitter, Ouweneel en Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Buitenhuis, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 februari 2014.

Mr. Van der Mei en mr. Buitenhuis zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal B, nummer 2013107097, opgemaakt door [verbalisant] van de Regiopolitie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, team Recherche Achterhoek, gesloten en ondertekend op 27 november 2013.

2 Proces-verbaal bevindingen IMEI8560, pag. 714 en 715.

3 Proces-verbaal bevindingen IMEI8560, pag. 714, derde alinea.

4 Proces-verbaal bevindingen IMEI8560, pag. 715.

5 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1], p. 480.

6 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1], p. 463.

7 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1], p. 464.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 439.

9 Proces-verbaal van bevindingen van historische gegevens, p. 559.

10 Proces-verbaal van historische gegevens, p. 560.

11 Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht tapjournaal, p. 499.

12 Proces-verbaal van historische gegevens, p. 562.

13 Proces-verbaal van historische gegevens, p. 563.

14 Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht tapjournaal, p. 500.

15 Proces-verbaal van historische gegevens, p. 563.

16 Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht tapjournaal, p. 501.

17 Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht tapjournaal, p. 502.

18 Proces-verbaal van historische gegevens, p. 564.

19 Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht tapjournaal, p. 504.

20 Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht tapjournaal, p. 505.

21 Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht tapjournaal, p. 506.

22 Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht tapjournaal, p. 523.

23 Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht tapjournaal, p. 526.

24 Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht tapjournaal, p. 529.

25 Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht tapjournaal, p. 530 en p. 531.

26 Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht tapjournaal, p. 535.

27 Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht tapjournaal, p. 539.

28 Proces-verbaal observeren woensdag 14 augustus 2013, p. 605.

29 Proces-verbaal observeren woensdag 14 augustus 2013, p. 604.

30 Proces-verbaal observeren woensdag 14 augustus 2013, p. 605.

31 Proces-verbaal observeren woensdag 14 augustus 2013, p. 616.

32 Proces-verbaal van aanhouding, p. 184 en 185.

33 Het proces-verbaal onderzoek smartphone, p. 977, p. 978 en proces-verbaal van bevindingen, p.709.

34 Het proces-verbaal van verhoor van [andere zoon slachtoffer1], p. 323.

35 Het proces-verbaal van verhoor van [andere zoon slachtoffer1], p. 331.

36 Het proces-verbaal van verhoor van [andere zoon slachtoffer1], p. 332.

37 Proces-verbaal van bevindingen, p. 641.

38 Het proces-verbaal van verhoor van [andere zoon slachtoffer1], p. 333.

39 Het proces-verbaal van verhoor van [vriendin andere zoon slachtoffer], p. 338.

40 Proces-verbaal van bevindingen, p. 646.

41 Een schriftelijk bescheid, te weten een bericht van [x] aan de Landelijke eenheid Politie, p. 557.

42 Zie voorgaande voetnoot.

43 Het proces-verbaal van verhoor van [andere zoon slachtoffer1], p. 333.

44 Proces-verbaal van bevindingen, p. 647.

45 Een schriftelijk bescheid, p. 727.

46 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 927.

47 Een schriftelijk bescheid, te weten rapport Dactyloscopische sporenonderzoek, p. 733 en p. 735.

48 Een schriftelijk bescheid, te weten rapport Dactyloscopische sporenonderzoek, p. 733 en 745.

49 Een schriftelijk bescheid, te weten rapport Dactyloscopische sporenonderzoek, p. 7 733 en p. 743

50 Een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenbericht betreffende forensisch schriftonderzoek, opgemaakt door W. de Jong, gerechtelijk deskundige voor schriftonderzoek, NRGD, p. 11.

51 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1], p. 41.

52 Het proces-verbaal van bevindingen van stemvergelijking, p. 569.

53 Het proces-verbaal coördinatie inzet zend/ontvangst apparatuur, p. 623.

54 Het proces-verbaal van bevindingen tapjournaal, p. 531.

55 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 927.

56 Een schriftelijk bescheid, te weten rapport dactyloscopische sporenonderzoek, p. 735 en p. 741.

57 Proces-verbaal van inzet zend/ontvangstapparatuur, p. 625.

58 Proces-verbaal observeren woensdag 14 augustus, p. 601.

59 Proces-verbaal observeren woensdag 14 augustus, p. 602.

60 Het proces-verbaal observeren woensdag 14 augustus, p. 603.

61 Het proces-verbaal van verhoor van[slachtoffer 1], p. 139.

62 Het proces-verbaal observeren woensdag 14 augustus, p. 604.

63 Het proces-verbaal van bevindingen van uitlezen van mobiele telefoon, p. 819.

64 Het proces-verbaal observeren woensdag 14 augustus, p. 605.

65 Het proces-verbaal bevindingen telefoon [medeverdachte 2], p. 694.

66 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 695, p. 696, p. 719, p. 720, en p. 721.

67 Het proces-verbaal, pag. 660.

68 Proces-verbaal, pag. 699.

69 Proces-verbaal verhoor getuige, pag. 810.

70 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2], p. 852-854.

71 Proces-verbaal bevindingen inbeslagneming portemonnee, p. 859-861 en proces-verbaal van bevindingen, p. 865.

72 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 866-867.

73 Proces-verbaal van de terechtzitting van 21 januari 2014.

74 Proces-verbaal doorzoeking ter inbeslagneming, p. 872 en proces-verbaal van bevindingen, p. 876 en p. 878.

75 Proces-verbaal van bevindingen, p. 876.

76 Proces-verbaal van bevindingen, p. 879-880.

77 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0646 2012112142, Regiopolitie Oost-Nederland, district Achterhoek, team Winterswijk, gesloten op 27 november 2012 en ondertekend door[hoofdagent], hoofdagent, dienstdoende bij team Winterswijk.

78 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1], p. 501

79 Proces-verbaal van bevindingen van 23 november 2012, blad 1, ongenummerde dossierpagina.